Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AB2832
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-06-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering AAW-uitkering. Heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet over gehele periode in geding mag worden teruggevorderd?
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/2679 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant.

en

[A.], wonende te [B.], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 17 maart 1997 heeft appellant van gedaagde de over de periode van 1 mei 1994 tot en met 30 april 1995 betaalbaar gestelde uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschikheidswet (AAW) ten bedrage van f 7.665,59 teruggevorderd.

De Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 24 februari 1998 het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Appellant heeft tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.

Namens gedaagde is door mr. J.A.M. Bijlholt, werkzaam bij AMV Juristen te Leeuwarden, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 maart 2001 heeft mr. W. Frankema, eveneens werkzaam bij AMV Juristen te Leeuwarden, zich als opvolgend gemachtigde gesteld en het verweer van gedaagde nader toegelicht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 maart 2001, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.W.F. van de Mezenberg, werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V., en waar gedaagde - zoals aangekondigd in de hiervoor genoemde brief van 9 maart 2001 - niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Blijkens de inhoud van de gedingstukken is gedaagde werkzaam als zelfstandige veehouder en ontvangt hij in verband met rugklachten sedert 2 juli 1988 een uitkering krachtens de AAW, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

In een brief van 9 oktober 1995 heeft appellant gedaagde er onder meer opgewezen dat hij voor de situatie vanaf 1 mei 1994 te zijner tijd zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 1 november 1995, de boekhoudkundige gegevens over het boekjaar 1994/1995 aan appellant diende toe te sturen.

Appellant heeft bij brief van 20 februari 1996 onder meer aan gedaagde medegedeeld dat voor het definitief vaststellen van de korting op de uitkering van gedaagde over de periode van 1 mei 1994 tot 1 mei 1995 en het vaststellen van het terug te vorderen bedrag over dezelfde periode appellant diende te beschikken over de jaarcijfers 1994/1995.

Op 26 april 1996 heeft appellant aan gedaagde bericht dat zijn arbeidsongeschiktheid over de periode van 1 mei 1994 tot 1 mei 1995 buiten aanmerking werd gelaten in verband met het niet voldoen aan de verplichting tot het verschaffen van informatie en dat zijn uitkering over die periode op nihil werd gesteld. Tevens staat in die brief vermeld dat vorenstaande betekent dat over de periode van 1 mei 1994 tot 1 mei 1995 betaalde uitkering wordt teruggevorderd.

In zijn rapport d.d. 19 december 1996 is de arbeidsdeskundige P. de Groot tot de conclusie gekomen dat de uitkering van 1 mei 1994 tot 1 mei 1995 definitief op nihil gesteld dient te worden onder toepassing van artikel 33 van de AAW, hetgeen op 23 december 1996 schriftelijk aan gedaagde is medegedeeld. Onder verwijzing naar die brief heeft appellant bij besluit van 7 maart 1997 de uitkering over de periode van 1 mei 1994 tot 1 mei 1995 niet betaalbaar gesteld. In een eveneens 7 maart 1997 gedateerd begeleidend schrijven staat vermeld dat appellant het te veel betaalde zal terugvorderen. Tegen genoemd besluit van 7 maart 1997 heeft gedaagde geen beroep ingesteld.

Vervolgens heeft appellant bij het bestreden besluit de over de periode van 1 mei 1994 tot en met 30 april 1995 betaalbaar gestelde uitkering krachtens de AAW ten bedrage van f 7.665,59 teruggevorderd, waarbij appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat het gedaagde redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat er over deze periode teveel aan uitkering werd uitbetaald.

In eerst aanleg heeft gedaagde als enige grief naar voren gebracht dat de eerste terugvorderinghandeling heeft plaatsgevonden op 7 maart 1997, aangezien hem eerst op die datum schriftelijk en ondubbelzinnig medegedeeld zou zijn dat over de betreffende periode de uitkering van hem zou worden teruggevorderd. De terugvordering dient daarom naar de opvatting van gedaagde gelet op de wettelijke terugvorderingtermijn te worden beperkt tot de periode van 7 maart 1995 tot 1 mei 1995.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd onder overweging van het navolgende:
"Om de navolgende reden is de rechtbank evenwel van oordeel dat verweerder niet bevoegd was om over de gehele in het geding zijnde periode de onverschuldigd betaalde AAW-uitkering van eiser terug te vorderen.

Verweerders brief van 20 februari 1996, die door verweerder wordt aangemerkt als de eerste terugvorderingshandeling op grond waarvan hij bevoegd zou zijn om vanaf 1 mei 1994 tot terugvordering over te gaan, bevat de volgende passage:

"Voor het definitief vaststellen van de korting op uw uitkering voor de periode 01-05-94 tot 01-05-95 en het terug te vorderen bedrag over dezelfde periode dienen wij te beschikken over de jaarcijfers 1994/1995. Wij hebben dit rapport ontvangen en hieromtrent advies gevraagd aan de Medisch Arbeidskundige Dienst (M.A.D.)."

Daargelaten het antwoord op de vraag of de in deze brief vervatte mededeling valt aan te merken als eerste terugvorderingshandeling met een ondubbelzinnig karakter zoals in de jurisprudentie van de CRvB voorgeschreven, leidt de rechtbank uit de hiervoor weergegeven passage af dat op dat moment het onderzoek naar eventuele inkomsten van eiser in de relevante periode nog niet was afgerond. Het komt de rechtbank dan ook voor dat de brief van 20 februari 1996, voor zover daarin al een eerste terugvorderingshandeling is te lezen, geen feitelijke grondslag heeft.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat hetgeen hierover is overwogen ten aanzien van de brief van 20 februari 1996, evenzeer geldt ten aanzien van de brief van verweerder van 26 april 1996.

Derhalve was verweerder, nu hij eerst bij brief van 17 maart 1997 de terugvordering op ondubbelzinnige wijze aan eiser heeft medegedeeld, niet bevoegd om tot terugvordering over te gaan over perioden gelegen voor 17 maart 1995.

Verweerder was dus niet bevoegd om over de periode van 1 mei 1994 tot 1 mei 1995 de onverschuldigd betaalde AAW-uitkering van eiser terug te vorderen".

In hoger beroep heeft appellant de juistheid van de hierboven aangehaalde overwegingen van de aangevallen uitspraak bestreden en gesteld dat er wellicht enige onduidelijkheid is over de brief van 20 februari 1996, maar dat de brief van 26 april 1996 als eerste terugvorderinghandeling dient te worden aangemerkt.

Met appellant is de Raad van oordeel dat genoemde brief van 26 april 1996 als een eerste terugvorderinghandeling dient te worden beschouwd, nu in deze brief op ondubbelzinnige wijze tot uitdrukking is gebracht dat door appellant over de periode van 1 mei 1994 tot 1 mei 1995 betaalde uitkering van gedaagde wordt teruggevorderd.

De door gedaagde naar voren gebrachte omstandigheid dat thans het onverschuldigde karakter van de gedane betalingen niet langer gegrond is op het buiten aanmerking laten van de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 16 van de AAW (zoals destijds luidend), maar op het onder toepassing van artikel 33 van de AAW het niet tot uitbetaling brengen van de uitkering, kan aan vorenstaande geen afbreuk doen. Deze wijziging van de grondslag van de verplichting tot terugbetaling laat immers onverlet dat gedaagde na ontvangst van de brief van 20 april 1996 op de hoogte was van gedaagdes besluit tot terugvordering. Vorenstaande impliceert tevens dat - anders dan de rechtbank meent - de eerste terugvorderingshandeling (genoemde brief van 26 april 1996) geenszins zonder grondslag was, nu deze berustte op de toepassing van artikel 16 van de AAW.

Het hiervoor overwogene betekent dat het hoger beroep van appellant slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht in het onderhavige geval geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Uit vorenstaande vloeit voort dat dient te worden beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden in tegenwoordigheid van mr. B. Fijnheer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2001.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) B. Fijnheer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x