Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AB2869
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-05-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening, met toepassing van de Wet Amber, van de AAW/WAO-uitkering en nadere vaststelling naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. De eerste dag van toegenomen arbeidsongeschiktheid is terecht gesteld op 9 januari 1995, de dag waarop betrokkene zich vanuit de WW heeft ziek gemeld.
 
 
 

 

 
Uitspraak 97/5990 AAW/WAO en 01/490 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 16 november 1995 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde de aan appellant toegekende uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 8 januari 1996 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij uitspraak van 27 juni 1997 heeft de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld op door zijn toenmalige gemachtigde mr. W.M. Heuveling, destijds advocaat te Leeuwarden, bij beroepschrift d.d. 7 juli 1997 aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft op 9 december 1997 een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde bij schrijven van 27 april 2000 een afschrift van de medische kaart, betrekking hebbende op appellants ziekmelding van 9 januari 1995, ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 juli 2000, waar partijen niet zijn verschenen.

Na deze zitting heeft de Raad het onderzoek heropend ten einde gedaagde enige vragen betreffende de toepasselijkheid van de Wet afschaffing malus en bevordering reļntegratie (Wet Amber) te stellen.

Gedaagde heeft deze vraagstelling bij brief van 26 oktober 2000, met bijlagen, beantwoord. Gedaagde heeft daarbij een nader besluit van 26 oktober 2000 overgelegd (hierna: besluit 2), waarbij appellants uitkeringen met toepassing van de Wet Amber alsnog met ingang van 29 december 1995 zijn herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 maart 2001, waar partijen wederom niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Gedaagde acht de ingangsdatum van herziening van appellants uitkeringen als vervat in besluit 1 niet langer juist, in verband waarmee gedaagde besluit 1 heeft vervangen door besluit 2, waarin die ingangsdatum nader is bepaald op 29 december 1995. Aangezien met besluit 2 slechts gedeeltelijk aan appellants beroep wordt tegemoetgekomen, moet het beroep ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht worden mede te zijn gericht tegen besluit 2.

Nu besluit 1 geacht moet worden te zijn ingetrokken en appellant niet heeft verzocht om vergoeding van de (rente)schade, veroorzaakt door besluit 1, heeft appellant niet langer belang bij het door hem ingestelde hoger beroep, reden waarom het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zulks onder veroordeling van gedaagde tot vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten en van het door hem betaalde griffierecht.

Het bedrag van de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten wordt met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1.420,- ter zake van in beroep verleende rechtsbijstand en op f 710,- ter zake van in hoger beroep verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal f 2.130,-. De door gedaagde te vergoeden griffierechten bedragen f 50,-, respectievelijk f 160,-, zijnde in totaal f 210,-.

De Raad dient thans te beoordelen of gedaagde appellants uitkeringen bij besluit 2 terecht met ingang van 29 december 1995 heeft herzien.

De rechtbank heeft geoordeeld dat gedaagde de eerste dag van toegenomen arbeidsongeschiktheid terecht heeft gesteld op 9 januari 1995, de dag waarop appellant zich vanuit de Werkloosheidswet heeft ziek gemeld.
De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank alsmede de gronden waarop de rechtbank dit oordeel heeft doen steunen.
Appellant heeft geen objectief medische gegevens in het geding gebracht op basis waarvan geconcludeerd zou moeten worden tot een eerdere relevante toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid dan op 9 januari 1995.

Aangezien de Wet Amber op 29 december 1995 in werking is getreden en aan die wet geen terugwerkende kracht is verleend, kan appellant aan die wet geen aanspraak op herziening van zijn uitkering ontlenen met ingang van een eerdere datum dan 29 december 1995.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep, voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen besluit 2, ongegrond moet worden verklaard.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep, voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen besluit 2, ongegrond;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 2.130,-;
Bepaalt dat gedaagde het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van f 210,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2001.

(get.) J. Janssen.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x