Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AB3122
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-07-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging over de perioden in geding van maatregelen van 20 en 30% omdat betrokkene haar AAW-aanvraag in strijd met artikel 24, derde lid, van de AAW niet binnen negen maanden na aanvang van haar arbeidsongeschiktheid heeft ingediend. Is er sprake van een doorlopende gedraging? Toepasselijkheid van de Wet BMT.
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/3170 AAW en 99/3171 AAW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[A.], wonende te [B.], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Bij besluit van 15 april 1997 heeft appellant gedaagde met ingang van 7 januari 1996 een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 16 april 1997 heeft appellant gedaagde doen weten op de haar toegekende uitkering ingevolge de AAW over de periode van 7 januari 1996 tot 1 augustus 1996 een sanctie toe te passen van 30%.

Bij besluit van 17 april 1997 heeft appellant gedaagde medegedeeld op de haar toegekende uitkering ingevolge de AAW over de periode van 1 augustus 1996 tot 7 januari 1997 een sanctie toe te passen van 20%.

De Arrondissementsrechtbank te Groningen heeft bij uitspraak van 28 mei 1999 gedaagdes beroep tegen het besluit van 15 april 1997 ongegrond verklaard en de besluiten van 16 en 17 april 1997 - onder gegrondverklaring van de daartegen ingestelde beroepen - vernietigd; een en ander met bepalingen over griffierecht en proceskosten.

Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Van de zijde van gedaagde heeft mr. O.J. Praamstra, advocaat te Groningen, een verweerschrift ingezonden.

Appellant heeft vervolgens vragen van de Raad beantwoord.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 25 april 2001, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.M. van Bezu, werkzaam bij Gak Nederland B.V., en waar gedaagde - zoals tevoren aangekondigd - niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Gedaagde, zelfstandig organisatieadviseur en interimmanager, heeft op 7 januari 1997 appellant verzocht om toekenning van uitkering krachtens de AAW in verband met op 24 november 1994 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Met toepassing van artikel 25, tweede lid, van de AAW heeft appellant bij besluit van 15 april 1997 gedaagde met ingang van 7 januari 1996 een uitkering krachtens de AAW toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 16 april 1997 heeft appellant gedaagde doen weten op de haar toegekende uitkering ingevolge de AAW over de periode van 7 januari 1996 tot 1 augustus 1996 een sanctie toe te passen van 30%. Appellant heeft zich bevoegd geacht gedaagde een sanctie op te leggen omdat gedaagde haar aanvraag om toekenning van uitkering ingevolge de AAW in strijd met artikel 24, derde lid, van de AAW niet binnen negen maanden na aanvang van haar arbeidsongeschiktheid, had gedaan. Nu gedaagde haar aanvraag eerst heeft gedaan meer dan 112 dagen na het gestelde tijdstip, heeft gedaagde met toepassing van artikel 19, aanhef en onder f, van de AAW, juncto artikel 16, eerste lid, van die wet en de artikelen 1 en 3 van het ten tijde hier van belang geldende Sanctiebesluit AAW/WAO de sanctie bepaald op 30% over de te late termijn.

In evenbedoelde overtreding van artikel 24, derde lid, van de AAW heeft appellant voorts aanleiding gevonden om bij besluit van 17 april 1997 met toepassing van artikel 19, aanhef en onder f, van de AAW, juncto artikel 16, eerste lid, van die wet en het met ingang van 1 augustus 1996 in werking getreden Maatregelenbesluit Tica een maatregel op te leggen van 20% over de termijn van 1 augustus 1996 tot 7 januari 1997.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de besluiten van 16 en 17 april 1997 wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand gelaten. De rechtbank oordeelde de bij die besluiten opgelegde sancties niet evenredig aan hetgeen gedaagde kon worden verweten. Daartoe heeft zij overwogen dat de subjectieve verwijtbaarheid van gedaagde bij het niet tijdig aanvragen van arbeidsongeschiktheidsuitkering een rol dient te spelen, welke verwijtbaarheid de rechtbank, temeer nu gedaagde door het niet tijdig aanvragen financieel nadeel lijdt, gering heeft geacht.

Het hoger beroep van appellant is beperkt tot het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel over de besluiten van 16 en 17 april 1997. Appellant is van mening dat geen sprake is van zodanige omstandigheden dat kan worden gesproken van verminderde verwijtbaarheid.

De Raad overweegt het volgende.



A. Ten aanzien van het vernietigde besluit van 16 april 1997

Artikel 24, derde lid, van de AAW bepaalt - voorzover hier van belang - dat de belanghebbende, die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van de uitkering, zijn aanvraag dient te doen binnen negen maanden na de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid.

Evenals appellant en de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde, nu zij terzake van haar op 24 november 1994 ingetreden arbeidsongeschiktheid pas op 7 januari 1997 een uitkering krachtens de AAW heeft ingediend, zich niet heeft gehouden aan het voorschrift bedoeld in artikel 24, derde lid, van de AAW.

Gelet op deze overtreding was appellant ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder f, van de AAW, juncto artikel 16, eerste lid, van de AAW - zoals die artikelen tot 1 augustus 1996 luidden - bevoegd gedaagde tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk uitkering te weigeren.

Gebruikmakend van deze bevoegdheid heeft appellant, met toepassing van het ten tijde hier van belang door hem gehanteerde sanctiebesluit, de sanctie over de periode van 7 januari 1996 tot 1 augustus 1996 bepaald op 30%.

De Raad is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het bestreden besluit de toetsing aan het in artikel 3:4 tweede lid, van Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel niet kan doorstaan. Anders dan de rechtbank ziet de Raad noch in de omstandigheid dat gedaagde uit onwetendheid haar aanvraag niet eerder dan op 7 januari 1997 heeft gedaan, noch in het gegeven dat de niet tijdige aanvraag gedaagde geen financieel voordeel heeft opgeleverd, voldoende grond gelegen voor het oordeel dat de opgelegde sanctie toetsing aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb niet kan doorstaan.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven voorzover daarbij het besluit van 16 april 1997 is vernietigd en dat het tegen dat besluit ingestelde inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.



B. Ten aanzien van het vernietigde besluit van 17 april 1997

Met betrekking tot het hoger beroep van appellant tegen het oordeel van de rechtbank over het besluit van 17 april 1997 ziet de Raad zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat terzake van meerbedoelde te late aanvraag van gedaagde vanaf 1 augustus 1996 de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Stb. 1996, 248, hierna: Wet boeten) van toepassing was.

Artikel XVI van de Wet boeten bepaalt - voorzover hier van belang - dat in de bevoegdheid van gedaagde tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vr de datum van inwerkingtreding van de Wet boeten geen wijziging wordt gebracht.

In het onderhavige geval moet worden vastgesteld dat de betrokken overtreding van artikel 24, derde lid, van de AAW heeft plaatsgevonden negen maanden na het intreden van gedaagdes arbeidsongeschiktheid op 24 november 1994 doordat gedaagde heeft nagelaten, binnen de wettelijke termijn van negen maanden een aanvraag te doen. In aanmerking genomen dat evenbedoelde overtreding na negen maanden na 24 november 1994 niet meer kon worden geredresseerd en het langer uitblijven van een aanvraag enkel relevant was voor de bepaling van de hoogte van de sanctie, is de Raad - anders dan appellant - van oordeel dat het hier niet gaat om een doorlopende gedraging.

Op grond van het overwogene moet worden geconstateerd dat gedaagde in het onderhavige geval slechts bevoegd was toepassing te geven aan de hem vr het in werking treden van de Wet boeten toekomende bevoegdheid tot weigering van uitkering. Het besluit van 17 april 1997 komt dan ook reeds wegens strijd met bovengenoemde wetsartikelen voor vernietiging in aanmerking. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak - zij het op andere dan in die uitspraak vermelde gronden - dient te worden bevestigd.

De Raad ziet in het voorgaande aanleiding om appellant te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 710,-- aan kosten wegens aan gedaagde in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

Al het vorenstaande leidt tot de slotsom dat moet worden beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover betrekking hebbend op het besluit van 16 april 1997;
Verklaart het inleidend beroep van gedaagde tegen het besluit van 16 april 1997 alsnog ongegrond;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten voor het overige;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot f 710,--.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. M.S.E. Wulffraat- van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2001.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x