Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AD4520
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-08-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning AAW/WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Naar het oordeel van betrokkene is hij hooguit nog in staat tot het verrichten van arbeid in een omvang van 2 tot 3 uur per dag, in verband waarmee hij zich niet in staat acht de functies te vervullen die het Lisv als voor hem passende arbeidsmogelijkheden aan de schatting ten grondslag heeft gelegd.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 99/2835 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A., wonende te B., appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 5 juni 1997 heeft gedaagde appellant met ingang van 21 mei 1997 in aanmerking gebracht voor uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij schrijven van 1 juli 1997 heeft appellant tegen voormeld besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar gedaagde bij besluit van 6 november 1997 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond heeft verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 1999 heeft de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch het namens appellant bij schrijven van 16 december 1997 tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. P. Bouman, advocaat te Helmond, bij beroepschrift van 20 mei 1999 tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

Namens appellant zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld bij brieven van 24 december 1999 en 9 februari 2000.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht en op elkaars standpunten gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 juli 2001, waar appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. J. Kessels, werkzaam bij Gak Nederland B.V.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, deels aan de aangevallen uitspraak ontleende, feiten en omstandigheden.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als technisch medewerker - in een omvang van 20 uur per week - en muzikant. Op 22 mei 1996 heeft hij deze werkzaamheden moeten staken wegens nek- en armklachten ten gevolge van een motorongeval. Hij heeft hieraan ook problemen met het zich concentreren en het geheugen overgehouden. Aansluitend heeft appellant de wettelijk voorgeschreven wachttijd doorgemaakt.

Bij besluit van 5 juni 1997 heeft gedaagde vervolgens appellant met ingang van 21 mei 1997 in aanmerking gebracht voor uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het door appellant tegen dit besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Het bestreden besluit berust op de volgende uitgangspunten. Naar het oordeel van gedaagdes verzekeringsarts ondervindt appellant beperkingen op zowel psychisch als lichamelijk gebied. Hij is aangewezen op nek- en - in mindere mate - armsparende arbeid zonder stresserende factoren. Verder dient hij zich te beperken tot functies die in dagdienst worden vervuld, teneinde te voorkomen dat hij door onregelmatig slapen problemen krijgt met aandacht en concentratie.

Gedaagdes arbeidsdeskundige is bij het bepalen van de maatgevende arbeid uitgegaan van de technisch medewerker die in een voltijdse omvang werkt - en dus niet in de omvang van 20 uur waarin appellant laatstelijk werkzaam was - aangezien appellant ten tijde van zijn uitval met zijn werkgever had afgesproken dat hij ingaande 1 juni 1996 zijn werkzaamheden zou uitbreiden van 20 uur naar 40 uur per week, hetgeen uitsluitend als gevolg van die uitval geen doorgang heeft gevonden. Als maatgevende functie is vervolgens voor de AAW uitgegaan van de combinatie technisch medewerker - muzikant en voor de WAO van uitsluitend de technisch medewerker.

Bij het bepalen van appellants resterende verdiencapaciteit heeft gedaagdes arbeidsdeskundige in aanmerking genomen twee voltijdse functies: monteur koffiezetters en administratief medewerker en één deeltijdse functie: schoonmaker paviljoen, waarbij de mediane loonwaarde is gesteld op het loon behorende bij de functie administratief medewerker. Dit loon van f 2.652, - per maand levert in vergelijking met zowel het maatmaninkomen voor de AAW als het maatmaninkomen voor de WAO een verlies van verdiencapaciteit op, overeenkomend met indeling in de klasse 35 tot 45%.

Van de zijde van appellant zijn in eerste instantie in het bijzonder grieven van medische aard naar voren gebracht. Naar het oordeel van appellant is hij hooguit nog in staat tot het verrichten van arbeid in een omvang van 2 tot 3 uur per dag, in verband waarmee hij zich niet in staat acht de functies te vervullen die gedaagde als voor hem passende arbeidsmogelijkheden aan de schatting ten grondslag heeft gelegd.

De Raad ziet deze grieven, die in hoger beroep zijn gehandhaafd, evenmin als de rechtbank, slagen. De Raad overweegt hierbij dat de omtrent appellant beschikbare medische gegevens, waarvan met name gegevens van de KNO-arts dr. A.J.E.M. Fischer en de revalidatiearts P. van Gorcom, geen aanwijzingen bevatten dat appellants belastbaarheid door gedaagde is overschat en met name ook geen steun bieden aan de eigen opvatting van appellant dat hij slechts belastbaar is met arbeid in een omvang van 2 tot 3 uur per dag. Ook in het in hoger beroep ingebrachte voorlopig deskundigenbericht d.d. 4 februari 2000, opgesteld door de revalidatiearts dr. R.M. van Mechelen in het kader van een letselschadeprocedure - waarin die arts onder meer heeft aangegeven welke beperkingen appellant zijns inziens ten gevolge van de door hem vastgestelde ongevalsgevolgen ondervindt bij het verrichten van loonvormende arbeid - vermag de Raad geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat gedaagde appellants beperkingen niet juist heeft gewaardeerd. De Raad kan zich vinden in de reactie d.d. 14 juni 2001 van gedaagdes bezwaarverzekeringsarts dat genoemd deskundigenbericht geen nieuwe objectiveerbare medische gegevens/gezichtspunten biedt in het kader van het bestreden besluit en derhalve geen aanleiding geeft tot wijziging van de medische grondslag daarvan. De Raad gaat er aldus vanuit dat gedaagde de juiste medische beperkingen in acht heeft genomen.

Voorts is de Raad van oordeel dat appellant, gegeven die beperkingen, terecht door gedaagde in staat is geacht tot het verrichten van de werkzaamheden die behoren bij de drie hiervoor vermelde functies waarop de schatting is gebaseerd.

Het hiervoor overwogene betekent evenwel niet dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hiervoor is reeds aangegeven dat gedaagde aan de onderhavige schatting twee voltijdse functies en een deeltijdse functie ten grondslag heeft gelegd en de resterende verdiencapaciteit van appellant heeft vastgesteld aan de hand van het loon van de voltijdse functie administratief medewerker.

De Raad heeft in zijn rechtspraak blijk gegeven van zijn opvatting dat het betrekken van deeltijdse functies bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde die voor het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid voltijdse arbeid verrichtte - en appellant dient als een zodanige verzekerde te worden gezien gelet op de door gedaagde gevolgde benadering met betrekking tot de omvang van appellants maatgevende arbeid - en daartoe nog steeds in staat wordt geacht, in beginsel is toegestaan. Wel zal, zo heeft de Raad tevens geoordeeld, in een dergelijk geval het voorhouden van een of meer deeltijdse functies invloed moeten hebben op de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit.

Naar ook door gedaagde zelf al is onderkend is gedaagde met de in het onderhavige geval bij de vaststelling van appellants resterende verdiencapaciteit toegepaste benadering, als hiervoor vermeld, met deze jurisprudentie in strijd gekomen. Van de zijde van gedaagde is aangegeven - en de Raad heeft geen aanleiding dit niet voor juist te houden - dat een berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met inachtneming van evenvermelde jurisprudentie, dat wil zeggen een berekening waarbij de resterende verdiencapaciteit wordt vastgesteld op het loon van de deeltijdfunctie schoonmaker paviljoen, tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% leidt.

Gedaagde heeft tevens aangegeven dat de schatting als vervat in het bestreden besluit toch in stand kan blijven, indien de voltijdse functie rayonmanager (fb-code 4611) voor de functie schoonmaker paviljoen in de plaats wordt gesteld.

De Raad aanvaardt deze wijziging in de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet. Daarbij heeft de Raad het volgende in aanmerking genomen.
Uit de gedingstukken komt naar voren dat gedaagdes arbeidsdeskundige in eerste instantie de functie van rayonmanager reeds aan de schatting ten grondslag heeft willen leggen. Nadat de verzekeringsarts naar aanleiding van nadere gegevens omtrent appellants gezondheidssituatie het belastbaarheidspatroon had uitgebreid met een beperking op aspect 28, item H (verantwoordelijkheid, afbreukrisico) heeft de arbeidsdeskundige, onder handhaving van beide andere functies, die functie evenwel laten vallen en in plaats daarvan de deeltijdse functie schoonmaker paviljoen in aanmerking genomen.

Hoewel dit niet met zoveel woorden blijkt uit het arbeidskundig rapport van 3 juni 1997, acht de Raad het aannemelijk dat de functie rayonmanager niet langer is gebruikt omdat zij in medisch opzicht niet langer als voor appellant geschikt werd aangemerkt.

De Raad acht zulks te meer aannemelijk op grond van het feit dat bij een nader besluit van 2 maart 1999, waarbij in het kader van de zogeheten eerstejaars herbeoordeling de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 6 januari 1999 ongewijzigd is gehandhaafd op 35 tot 45%, ook de functie van rayonmanager is gebruikt en gedaagde die functie vervolgens eveneens - in het kader van het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar - uitdrukkelijk als medisch ongeschikt heeft laten vervallen. Daarbij dient te worden aangetekend dat zich in de medische situatie van appellant geen wijzigingen hadden voorgedaan en de medische grondslag van voormeld besluit van 2 maart 1999 derhalve volledig gelijk is aan de medische grondslag van het bestreden besluit.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft in een rapport van 13 december 1999 de ongeschiktheid van de functie rayonmanager/vertegenwoordiger onder meer als volgt toegelicht:

"Ik ben van mening dat het wel degelijk om een functie met behoorlijke verantwoordelijkheid en daaruit voortvloeiend afbreukrisico gaat, daar betrokkene in een dergelijke functie de contacten dient te onderhouden met klanten en als het ware het visitekaartje van het bedrijf is. Daar komt nog bij dat het illusoir is te veronderstellen dat in een functie als vertegenwoordiger maximaal 8 uur per dag c.q. 40 uur per week wordt gewerkt. Ik refereer alleen maar aan de drukte in het verkeer waardoor het vaak niet zal lukken de 8 tot 14 klanten per dag inderdaad binnen 8 uur bezocht te hebben. In mijn ogen is er derhalve een overschrijding van de belastbaarheid in deze functie ten aanzien van het punt 28H als de tijdsduur."

In zijn rapport van 3 april 2000 stelt dezelfde bezwaararbeidsdeskundige onder meer het volgende:

"Op 13 december 1999 werd door mij gerapporteerd in een bezwaarzaak van betrokkene met betrekking tot de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 6 januari 1999 (in verband met toepassing van artikel 36 lid 2 WAO).
In deze rapportage kom ik o.a. tot de conclusie dat de functie van vertegenwoordiger onder fb-code 4611 niet als gangbaar voor betrokkene valt aan te merken.
Het gaat hier om een en dezelfde functie.
De vraag die dan rijst is hoe het kan dat in het kader van de hoger beroepszaak deze functie voor betrokkene als gangbaar is aangemerkt terwijl de functie in de bezwaarzaak als ongeschikt werd aangemerkt.
Strikt genomen was en is de functie van vertegenwoordiger zoals ik die aantrof in de bezwaarzaak een voor betrokkene gangbare functie.
Ik merk in de bezwaarzaak op dat de functie geen overschrijdingen van de belastbaarheid laat zien doch gebruik de functie vervolgens niet voor een schatting.
Ik heb mij bij de afwegingen in deze zaak laten leiden (achteraf teveel) door het feit dat alle overige gevonden functies in de bezwaarzaak voor betrokkene als niet-gangbaar dienden te worden aangemerkt.
In de hoger beroepszaak is naast de functie van rayonmanager een tweetal functies gevonden die volledig binnen de aangegeven belastbaarheid blijven.
Met andere woorden in de bezwaarzaak deed het er niet veel toe of ik de functie van vertegenwoordiger handhaafde omdat er geen alternatieven overbleven. In relatie tot de hoger beroepszaak had ik strikt naar de belastingen in de functie moeten kijken en zoals gezegd is dan de conclusie dat de functie binnen de belastbaarheid blijft."

De Raad acht, tegen de achtergrond van de uitgebreide motivering door de bezwaararbeidsdeskundige, als neergelegd in het hiervoor als eerste vermelde citaat, waarom de functie van vertegenwoordiger/rayonmanager voor appellant als niet-geschikt - door genoemde functionaris meermalen verwoord als "niet-gangbaar" - moet worden beschouwd, de in het nadere rapport van 3 april 2000 gegeven uitleg waarom die functie toch wel geschikt is, niet overtuigend.

De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat het aanvankelijke oordeel dat de functie medisch niet geschikt was niet was gegrond op een vergelijking van de lijst van de voor appellant geldende medische beperkingen met de in het FIS opgenomen gegevens inzake de bij die functie voorkomende belastende aspecten, maar was gebaseerd op eigen kennis van de bezwaararbeidsdeskundige met betrekking tot de mate waarin in die functie de aspecten verantwoordelijkheid en afbreukrisico een rol spelen alsmede het illusoir achten dat de functie in de praktijk kan worden uitgeoefend in de uit het FIS blijkende omvang van 8 uur per dag c.q. 40 uur per week, hetgeen de bezwaararbeidsdeskundige kennelijk, gegeven de ten aanzien van appellant aangegeven medische beperkingen, niet haalbaar achtte voor appellant.

In verband hiermee is de Raad van oordeel dat de enkele vaststelling nadien dat de functie, blijkens de in het FIS opgenomen belastinggegevens daarvan, geen overschrijdingen van de belastbaarheid laat zien, geen toereikende motivering oplevert om de functie thans wel als passend aan te merken.

De Raad acht op grond van het hiervoor overwogene de geschiktheid in medisch opzicht van de functie vertegenwoordiger/rayonmanager (fb-code 4611) te zeer met twijfel omgeven om die functie als grondslag voor de schatting te kunnen aanvaarden.
Nu de voor de schatting gebruikte functies, naar eerder is overwogen, tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% leiden, kan het bestreden besluit, waarbij de mate van die arbeidsongeschiktheid is bepaald op 35 tot 45%, op grond van een ondeugdelijke motivering niet in stand blijven. Ook de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard komt voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 710, - voor verleende rechtsbijstand in beroep en eveneens op f 710, - voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot f 710, - en in hoger beroep eveneens tot een bedrag groot f 710, -;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde griffierecht van f 225, - vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2001.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x