Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AD5019
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-08-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking AAW/WAO-uitkering op de grond dat betrokkene voor minder dan 25 onderscheidenlijk 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Is betrokkene ongewijzigd voor 25-35% arbeidsongeschikt gebleven en kan hij de hem geduide functies wegens zijn beperkingen niet vervullen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/3283 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.] (ItaliŽ), appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder het Lisv mede verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 30 januari 1997 heeft gedaagde de uitkeringen van appellant ingevolge de Algemene Arbeidsongeschikheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 18 april 1997 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van die datum minder dan 25 respectievelijk 15% was.

De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 11 mei 1999 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, op bij aanvullend beroepschrift van 16 november 1999 uiteengezette gronden in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 2 december 1999, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 11 juli 2001, waar namens appellant is verschenen mr. L.J. van der Veen, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M. Elfferich, werkzaam bij Gak Nederland B.V.




II. MOTIVERING


Appellant is op 7 maart 1986 arbeidsongeschikt geworden voor zijn werk als gitarist bij een recreatiecentrum vanwege een subarachnoÔdale bloeding. Terzake van deze arbeidsongeschiktheid heeft gedaagde aan appellant uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100 met ingang van 7 maart 1987.
In augustus 1989 is appellant naar ItaliŽ teruggekeerd.
Na onderzoek door de psychiater B. Hoek en de neuroloog F.W. Bertelsmann heeft gedaagde de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant nader vastgesteld op een percentage van 25 tot 35 met ingang van 15 juni 1992.

Bij het bestreden besluit van 30 januari 1997 heeft gedaagde de uitkeringen van appellant ingetrokken ingaande 18 april 1997 op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 25 respectievelijk 15% zou bedragen. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag van de controlerend geneesheer van het Italiaanse verbindingsorgaan (INPS) G. Delfabro en de neuroloog A. Russo, op basis waarvan de verzekeringsarts R.J.A.M. van Eldijk op 22 maart 1996 heeft vastgesteld dat de medische situatie van appellant niet significant is gewijzigd. Hierop is een arbeidskundige beoordeling gevolgd, volgens welke er met inachtneming van de voor appellant vastgestelde beperkingen sprake is van geschiktheid voor dertien functies, leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

De rechtbank heeft het bij beroepschrift van 13 maart 1997 (ontvangen op 1 april 1997) ingestelde beroep ontvankelijk geacht op de grond dat het besluit niet op de in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 574/72 voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (dat wil zeggen via aangetekende verzending met ontvangstbevestiging), zodat geen beroepstermijn is gaan lopen.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat de uitkeringen van appellant terecht zijn ingetrokken.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat hij na 18 april 1997 ongewijzigd voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt is gebleven en dat hij de hem geduide functies wegens zijn beperkingen niet kan vervullen. Daarbij is met name verwezen naar een op 23 december 1998 op verzoek van appellant uitgebracht rapport van de medisch adviseur D.J. Schakel en is de vraag opgeworpen of dr. Russo wel gekwalificeerd is om psychiatrisch onderzoek te doen.

De Raad overweegt als volgt.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep bij de rechtbank overweegt de Raad dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, de beroepstermijn is gaan lopen op het moment dat appellant het besluit, ook al was dit niet op de juiste wijze bekendgemaakt, daadwerkelijk op zijn woonadres in ItaliŽ had ontvangen. De Raad stelt vast dat het besluit ontvangen is uiterlijk op 14 februari 1997 omdat op die datum appellant een volmacht heeft getekend tot rechtsbijstandverlening door de INCA tegen het bestreden besluit. Uitgaande van die datum als ontvangstdatum verloopt de termijn voor het instellen van beroep op 28 maart 1997. Gelet op het poststempel is het beroepschrift op 19 maart 1997 ter post bezorgd en niet langer dan een week na het verlopen van de termijn ontvangen op 1 april 1997, zodat het beroep ontvankelijk geacht dient te worden.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat gedaagde de medische beperkingen van appellant op 18 april 1997 heeft onderschat. Daarbij merkt de Raad op dat zowel uit gedaagdes onderzoek als uit de van de zijde van de Italiaanse artsen ontvangen informatie blijkt dat de medische toestand van appellant niet is gewijzigd ten opzichte van de situatie in 1992, toen in een FIS-formulier van 20 juli 1992 voor appellant beperkingen waren vastgesteld, waaronder een aantal psychische beperkingen. Voor het oordeel dat met deze beperkingen de psychische component zou zijn onderschat ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten, waarbij de Raad opmerkt dat het tegendeel onder meer blijkt uit de reeds genoemde bevindingen van de neuroloog A. Russo. In dit verband ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de deskundigheid van de arts Russo ten aanzien van psychiatrisch onderzoek, nu deze arts verbonden is aan een neuropsychiatrische praktijk en de combinatie neuroloog/psychiater niet ongebruikelijk is.
De Raad stelt vervolgens vast dat de aan appellant voorgehouden functies voldoen aan de voor hem vastgestelde beperkingen, zodat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is bepaald op minder dan 15%.

Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

Voor de toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2001.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x