Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AD5247
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-10-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking AAW-uitkering op de grond dat betrokkene voor minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Artikel 6 van het EVRM brengt niet mee dat de bestuursrechter altijd een onafhankelijk medisch deskundige dient te benoemen voor het instellen van nader onderzoek.
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/2192 AAW en 00/2436 AAW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in het geding 98/2192 AAW in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer. In deze uitspraak wordt in het geding 98/2192 AAW onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 2 april 1996 heeft gedaagde de aan appellant krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekende uitkering, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 1 juni 1996 ingetrokken op de grond dat appellants arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden gesteld op minder dan 25%.

De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 12 februari 1998 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft bij gemachtigde mr. B.W.M. Zegers, advocaat te Volendam, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Vanwege gedaagde is een verweerschrift (met bijlage) ingediend.
Van de zijde van appellant zijn nadien stukken aan de Raad toegezonden.

Bij besluit van 18 augustus 1997 heeft gedaagde de aan appellant per 29 maart 1997 ingevolge de AAW toegekende uitkering, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 8 oktober 1997 ingetrokken op de grond dat appellants arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden gesteld op minder dan 25%.

Gedaagde heeft het bezwaar van appellant tegen dat besluit bij besluit van 18 maart 1999 ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 13 maart 2000 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Mr. Zegers, voornoemd, heeft namens appellant, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, ook tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd en behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 augustus 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. S.C. Voogt, kantoorgenoot van mr. Zegers, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E.G. van Roest, werkzaam bij Gak Nederland B.V.




II. MOTIVERING


Ten aanzien van de zaak 98/2192 AAW

De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak van 12 februari 1998.

In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit van 2 april 1996 in rechte stand kan houden.

De namens appellant in hoger beroep ingenomen stelling dat het bestreden besluit is gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig onderzoek van 14 april 1994 en daarmee op verouderde medische gegevens berust, moet als feitelijk onjuist worden verworpen. Het bestreden besluit wordt wat het medisch aspect betreft immers gedragen door de bevindingen van de verzekeringsarts F.J. Foppen, die appellant op 5 februari 1996 heeft onderzocht.

De Raad overweegt dat hij, met betrekking tot de voor appellant op de datum in geding geldende medische beperkingen, geen reden ziet te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts Foppen, voornoemd, als neergelegd in zijn rapportage van 5 februari 1996 en als weergegeven in de verwoording belastbaarheid belanghebbende, gedateerd 8 maart 1996.

De in hoger beroep geuite grief dat appellants medische beperkingen zijn onderschat, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen dan wel aanleiding gegeven een nader onderzoek te gelasten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat van de zijde van appellant geen gegevens van medische aard naar voren zijn gebracht ter staving van deze grief.

De Raad overweegt in dit verband verder dat hij, anders dan namens appellant bepleit, uit het gegeven dat appellant met ingang van 29 augustus 1998 volledig arbeidsongeschikt wordt geacht, niet vermag af te leiden dat gedaagde appellants beperkingen ten tijde in dit geding van belang, welke datum ruim twee jaar eerder ligt, heeft onderschat.

Ook in het gegeven dat appellant door de geneeskundig adviseur van N.V. Schadeverzekeringmaatschappij Victoria Vesta in hoge mate arbeidsongeschikt werd geacht, ziet de Raad geen aanknopingspunt gelegen om tot een ander oordeel te komen, reeds om reden dat de in het kader van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering gehanteerde criteria ter bepaling van de mate van invaliditeit niet overeenstemmen met de in de AAW neergelegde criteria ter bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van die wet.

De Raad overweegt voorts dat appellant op de datum in geding met zijn beperkingen in staat moest worden geacht tot het verrichten van de hem als passende arbeidsmogelijkheden voorgehouden functies.



Ten aanzien van de zaak 00/2436 AAW

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak van 13 maart 2000 voor een uiteenzetting van de relevante feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met de navolgende overwegingen.

In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagde bij het in rubriek I vermelde besluit van 18 maart 1999 terecht en op goede gronden appellants bezwaar tegen het besluit van 18 augustus 1997, waarbij appellants mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 8 oktober 1997 werd vastgesteld op minder dan 25%, ongegrond heeft verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek door een (bezwaar)verzekeringsarts die in dienst is van gedaagde niet voldoet aan het gestelde in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van strijd met artikel 2:4 Awb nu niet is gesteld noch is gebleken dat de bij de besluitvorming betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts een persoonlijk belang hebben bij de ten aanzien van appellant genomen besluiten.

De Raad is verder van oordeel dat het bestreden besluit, wat het medisch aspect van de in dat besluit vervatte beoordeling van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid betreft, kan worden gedragen door de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts A.M.M. Moons en de bezwaarverzekeringsarts A. de Vries, als neergelegd in hun rapportages van 4 juli 1997, respectievelijk 1 oktober 1998. De verzekeringsarts heeft zijn bevindingen gebaseerd op eigen onderzoek, alsmede op informatie van appellants behandelend orthopedisch chirurg C.W. de Bruin. In het geheel van de voorhanden zijnde gegevens ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de onderzoeken van de beide evengenoemde verzekeringsartsen onvoldoende zorgvuldig zijn geweest, dan wel dat deze verzekeringsartsen de medische beperkingen van appellant ten tijde in dit geding van belang, zoals die zijn aangegeven in de verwoording belastbaarheid belanghebbende d.d. 23 juli 1997, hebben onderschat.
De Raad merkt in dit verband op dat van de zijde van appellant ook in hoger beroep geen objectief medische verklaringen zijn overgelegd die steun bieden aan een andersluidend oordeel, of die op zijn minst een zodanige twijfel oproepen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, dat het aangewezen zou zijn om alsnog het oordeel van een onafhankelijk medisch deskundige in te winnen.
De omstandigheid dat appellant per augustus 1998 volledig arbeidsongeschikt is geacht maakt niet dat tot een andersluidend oordeel moet worden gekomen met betrekking tot de hier aan de orde zijnde datum 8 oktober 1997.
Appellants gemachtigde heeft in dit verband ter zitting aangevoerd dat bij de beoordeling in 1998 medische gegevens over de afgelopen jaren zijn betrokken welke niet bij de thans in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zijn meegenomen. De Raad overweegt dienaangaande dat het gegeven dat appellant heeft nagelaten de medische gegevens waarop hij zich beroept in het geding te brengen reeds met zich brengt dat de Raad aan appellants stelling niet dat gewicht kan toekennen dat appellant daaraan gehecht wil zien.
De Raad merkt in dit verband verder op dat appellant eerst ruim na de datum in geding -te weten in juni 1998- onder behandeling van een neuroloog is gekomen zodat met betrekking tot van deze specialist afkomstige medische gegevens, ten aanzien waarvan de Raad uitdrukkelijk in het midden laat of deze zoals de gemachtigde van appellant ter zitting heeft gesuggereerd, ten grondslag liggen aan de vaststelling van volledige arbeidsongeschiktheid in augustus 1998, niet aannemelijk is te veronderstellen dat deze een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding.

De Raad is voorts van oordeel dat, uitgaande van de door de verzekeringsartsen vastgestelde medische beperkingen, de aan appellant voorgehouden functies, gelet op het geheel van de daaraan verbonden belastende aspecten, in medisch opzicht geschikt zijn te achten.

In de overige van de zijde van appellant aangevoerde inhoudelijke bezwaren tegen de medische beoordeling ten grondslag liggend aan het bestreden besluit ziet de Raad evenmin aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.



Ten aanzien van beide zaken

Appellant heeft in beide zaken gesteld dat in strijd wordt gehandeld met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951/54 (EVRM), indien het bestreden besluit voor wat betreft de medische grondslag uitsluitend berust op een door een arts in dienst van gedaagde verricht medisch onderzoek. In de optiek van appellant is daarmee geen sprake van een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek. De bestuursrechter dient volgens appellant gelet op de waarborgen van artikel 6 EVRM in een dergelijk geval altijd een onafhankelijk medisch deskundige te raadplegen.
Dienaangaande overweegt de Raad, onder verwijzing naar zijn niet gepubliceerde uitspraak van 4 mei 1992 (AAW/WAO 89/47), dat het van de omstandigheden van het geval zal afhangen of voor de beslechting van een medisch geschil kan worden volstaan met de rapportage van de verzekeringsartsen van gedaagde, al dan niet versterkt door het oordeel van de door dezen ingeschakelde externe deskundigen, of dat de rechter besluit tot het instellen van een nader onderzoek door een door hem aangewezen onafhankelijk medisch deskundige, maar dat het naar 's Raads oordeel te ver zou voeren om in het kader van artikel 6 van het EVRM te stellen, dat bij achterwege blijven van laatstbedoeld onderzoek per definitie niet langer zou kunnen worden gesproken van een eerlijke behandeling van de desbetreffende zaak.
De Raad merkt op dat betrokkene in de procedure voor de bestuursrechter alle gelegenheid wordt geboden zich gemotiveerd - desgewenst onderbouwd met medische gegevens - te verzetten tegen het medisch oordeel van de wederpartij, terwijl voorts niet valt in te zien dat deze partij zijn oordeel niet zou mogen baseren op de bevindingen van bij hem in dienst zijnde medische functionarissen.

Nu de Raad ook overigens geen grond heeft de bestreden besluiten voor onjuist te houden, komt hij tot de conclusie dat gedaagdes besluiten van 2 april 1996 en 18 maart 1999 in rechte stand kunnen houden. Mitsdien komt de aangevallen uitspraak van 12 februari 1998, alsmede de aangevallen uitspraak van 13 maart 2000 voor bevestiging in aanmerking.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de Raad ten slotte geen termen aanwezig.

Beslist wordt als hieronder aangegeven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak van 12 februari 1998, alsmede de aangevallen uitspraak van 13 maart 2000.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2001.

(get.) J. Janssen.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x