Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AD5995
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-09-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking AAW/WAO-uitkering onder de overweging dat betrokkene met ingang van de datum in geding minder dan 15 onderscheidenlijk 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Matiging van het bedrag aan proceskosten waartoe het Lisv door de rechtbank is veroordeeld.
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/5178 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [B.], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 3 juli 1998 heeft appellant ongegrond verklaard het bezwaar van gedaagde tegen zijn besluit van 14 augustus 1997 waarbij de uitkeringen van gedaagde op grond van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 24 september 1997 zijn ingetrokken op de grond dat gedaagde per deze datum minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 6 september 1999 het beroep van gedaagde tegen dit besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat de uitkeringen van gedaagde ingevolge de AAW en de WAO met ingang van 25 september 1997 worden ingetrokken, bepaald dat het door gedaagde betaalde griffierecht aan hem wordt vergoed en appellant veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van f 2.130,-.

Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld op bij aanvullend beroepschrift van 25 februari 2000 aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 juli 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.W.F. Mezenberg, werkzaam bij Guo Uitvoeringsinstelling B.V. Gedaagde is niet verschenen.




II. MOTIVERING


Gedaagde heeft zich op 7 april 1988 ziek gemeld voor zijn werk als grondwerker wegens voetklachten. Met ingang van 6 april 1989 is hem een uitkering op grond van de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tevens is gedaagde een uitkering krachtens de Werkloosheidswet toegekend.
Op 6 februari 1996 heeft gedaagde zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld in verband met been- en longklachten. Zulks heeft geleid tot herziening van de uitkering op grond van de WAO en toekenning van een uitkering op grond van de AAW, zulks met ingang van 4 februari 1997 en naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Na beoordeling door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft appellant genoemde uitkeringen bij besluit van 14 augustus 1997 met ingang van 24 september 1997 ingetrokken omdat gedaagde ingaande deze datum minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.
Bij het bestreden besluit heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen dit besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft als haar oordeel te kennen gegeven dat de medische en arbeidskundige grondslag van de besluitvorming van appellant de rechterlijke toetsing kan doorstaan.
Ten aanzien van de door appellant gehanteerde uitlooptermijn heeft de rechtbank evenwel het volgende overwogen (waarbij voor eiser gedaagde en voor verweerder appellant dient te worden gelezen):
"Bij brief van 24 juli 1997 heeft verweerder eiser ge´nformeerd omtrent de aanstaande intrekking van eisers uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO. Verweerder is van oordeel dat de uitlooptermijn op die datum een aanvang heeft genomen. De rechtbank kan verweerder hierin volgen, met dien verstande dat de uitlooptermijn, ingevolge de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie RSV 1992/211), eerst een aanvang neemt op de dag, waarop eiser van de inhoud van de zojuist bedoelde brief op de hoogte kon zijn. De rechtbank is van oordeel dat zulks op 25 juli 1997 het geval is geweest.
Aangezien het bestreden besluit uitgaat van 24 september 1997 als datum met ingang waarvan effectuering van de schatting plaatsvindt, is niet voldaan aan de in de jurisprudentie ontwikkelde minimale eis van twee maanden die vanuit een oogpunt van zorgvuldigheid aan de in acht te nemen uitlooptermijn voor de hier aan de orde zijnde gevallen dient te worden gesteld."

In verband met vorenstaande overwegingen heeft de rechtbank beslist als hiervoor in rubriek I is aangegeven.

Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen en heeft in hoger beroep aangevoerd dat de aanvang van de uitlooptermijn volgens de rechtspraak van de Raad ligt op het moment waarop betrokkene is geconfronteerd met de opvatting dat hij ongeschikt is voor zijn eigen werk en op de hoogte is gebracht van de voor hem bestaande (andere) arbeidsmogelijkheden. In dit geval is gedaagde reeds in een gesprek op 16 juli 1997 door de arbeidsdeskundige ge´nformeerd over zijn arbeidsmogelijkheden in de vorm van concrete functies. Gelet hierop is naar de mening van appellant, nu de uitkeringen van gedaagde pas per 24 september 1997 zijn ingetrokken, een uitlooptermijn in acht genomen die voldoet aan de in de rechtspraak neergelegde eisen.
Daarnaast heeft appellant als grief naar voren gebracht dat de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling in geen verhouding staat tot het met de vernietiging gediende belang van gedaagde. Bovendien kon deze veroordeling slechts zijn gebaseerd op indiening van het beroepschrift en verschijning ter zitting, hetgeen twee punten in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) oplevert in plaats van drie, waarvan de rechtbank kennelijk is uitgegaan.

De Raad overweegt dat blijkens de bijlage bij het door appellant op 24 maart 1997 genomen en op 5 april 1997 in werking getreden "Besluit einde wachttijd c.q. toekenningsperiode en uitlooptermijn AAW/WAO" door appellant onder uitlooptermijn wordt verstaan de termijn gedurende welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt voortgezet, te rekenen vanaf de dag na de datum waarop de uitvoeringsinstelling de schriftelijke aanzegging of beslissing heeft verzonden.
Naar het oordeel van de Raad is dit in genoemd besluit neergelegde beleid niet onredelijk te achten en kan appellant daaraan worden gehouden. Hieruit volgt dat de eerste dag van de uitlooptermijn van twee maanden in dit geval dient te worden gesteld op 25 juli 1997. De brief met de (schriftelijke) aanzegging van de voor gedaagde geschikt geachte functies is immers op 24 juli 1997 aan gedaagde verzonden. De datum waarop de arbeidsdeskundige deze functies mondeling aan gedaagde heeft voorgehouden is hierbij, gelet op genoemd beleid, niet van belang.
Waar het gaat om de uitlooptermijn stemt de Raad, zij het op iets andere grond, dan ook in met de conclusie van de rechtbank. Van bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid kunnen rechtvaardigen, is de Raad niet gebleken.

Met betrekking tot de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling acht de Raad onvoldoende grond aanwezig voor de zienswijze dat enigerlei proceskostenveroordeling in dit geval onevenwichtig zou zijn. Vast staat immers dat aan gedaagde ten onrechte over een uitkeringsdag uitkering is onthouden.
Wel deelt de Raad het standpunt van appellant dat de proceshandelingen bij de rechtbank van de zijde van gedaagde niet meer dan twee punten als bedoeld in het Besluit opleveren. Daarenboven ziet de Raad in de voorliggende omstandigheden aanleiding om met toepassing van het tweede lid van artikel 2 van het Besluit het bedrag van de proceskosten tot vergoeding waarvan appellant diende te worden veroordeeld, te matigen en wel in dier voege dat dit bedrag wordt vastgesteld op de helft van (2 maal f 710,- =) f 1.420,-, derhalve op f 710,-.

Op dit laatste onderdeel dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en zal de Raad doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover appellant daarbij is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van f 2.130,-;
Bevestigt deze uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;
Veroordeelt appellant tot vergoeding van de proceskosten van gedaagde in beroep tot een bedrag van f 710,-.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2001.

(get.) J. Janssen.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x