Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AD6305
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-11-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Heeft de rechtbank terecht het besluit vernietigd waarbij de AAW/WAO-uitkering met ingang van de datum in geding is herzien en nader is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%? Vereiste dat de schatting gebaseerd moet zijn op ten minste drie functies die tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Wordt de belastbaarheid van betrokkene in de voorgehouden functies overschreden?
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/7981 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 27 oktober 1995 (het bestreden besluit) heeft appellant de uitkeringen van gedaagde ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 17 december 1995 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 5 oktober 1998 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Tevens heeft de rechtbank appellant veroordeeld tot vergoeding van de door gedaagde gemaakte proceskosten, de door haar geleden renteschade en het door haar gestorte griffierecht.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 11 januari 1999 aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde heeft mr. G.J. Knotter, advocaat te Woerden, een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft appellant bij schrijven van 21 mei 2001 (met bijlage) nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 september 2001, waar namens appellant is verschenen mr. N.M. Buys, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V. Gedaagde is, zoals tevoren schriftelijk bericht, niet verschenen.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde, geboren [in] 1954, was laatstelijk werkzaam als tandtechnisch medewerkster tot 4 oktober 1985, de datum waarop zij die werkzaamheden wegens hypertensie klachten en arbeidsconflicten volledig staakte. Na ommekomst van de zogeheten wachttijd van 52 weken, zijn aan haar met ingang van 20 september 1986 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van de herbeoordeling op grond van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen is gedaagde op 15 juni 1995 onderzocht door de verzekeringsarts G.H.M. van Loon.
Deze verzekeringsarts oordeelde op basis van eigen onderzoek en informatie verstrekt door de gedaagde behandelende artsen, dat gedaagde uitsluitend geschikt is te achten voor lichamelijk lichte, niet stresserende werkzaamheden gedurende maximaal 4 uur per dag.
De arbeidsdeskundige A.A.G. Lammers heeft vervolgens, met inachtneming van de door de verzekeringsarts in een zogeheten belastbaarheidspatroon vastgelegde arbeidsbeperkingen van gedaagde, een viertal naar zijn oordeel binnen die belastbaarheid vallende parttime functies geselecteerd en aan haar voorgehouden.
Vergelijking van het voor gedaagde geldende maatmaninkomen met het loon dat zij nog kan verdienen met deze voor haar passend te achten werkzaamheden resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
Op grond hiervan heeft appellant het in rubriek I vermelde besluit genomen.

De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit gegrond verklaard van oordeel zijnde dat van twee van de aan gedaagde voorgehouden functies niet genoegzaam vaststaat dat deze in de voor gedaagde maximaal mogelijke omvang van 20 uur per week en 4 uur per dag op de arbeidsmarkt voorkomen, zodat het besluit niet voldoet aan het in artikel 3 van het Schattingsbesluit (oud) neergelegde vereiste dat de schatting gebaseerd moet zijn op tenminste 3 functies die tezamen minstens 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat uit de door de arbeidsdeskundige met betrekking tot gedaagde samengestelde arbeidsmogelijkhedenlijst van 2 oktober 1995 zonder meer op te maken is dat alle voorgehouden functies een werktijd kennen van maximaal 3 4 uur per dag, en mitsdien qua omvang wel degelijk binnen de medische mogelijkheden van gedaagde blijven.

De Raad overweegt als volgt.

In het door de uitvoeringsinstellingen ter bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid gebruikte FIS-systeem, wordt een vaste categorie-indeling gehanteerd met betrekking tot de urenomvang van functies per dag en per week.
De Raad neemt aan - de rechtbank motiveert dit verder niet - dat de rechtbank bij haar oordeelsvorming doorslaggevend heeft geacht de omstandigheid dat een aantal van de aan gedaagde voorgehouden functies in de categorie valt van 16 tot 25 uur per week.
Anders dan de rechtbank meent, houdt die indeling evenwel niet in dat in bedoelde functies de facto moet worden gewerkt in een omvang van 16 tot 25 uur per week. In de arbeidsmogelijkhedenlijst is per functie een nadere aanduiding opgenomen van het aantal uren gedurende welke in die functie - maximaal - moet worden gewerkt.
Uit de arbeidsmogelijkhedenlijst van 2 oktober 1995 blijkt - naar appellant naar voren heeft gebracht - dat de aan gedaagde voorgehouden functies in een urenomvang van 3 tot 4 uur per dag voorkomen op de arbeidsmarkt, waarmee genoegzaam is komen vast te staan dat deze functies de voor gedaagde in medisch opzicht toegestane maximale arbeidsomvang niet overschrijden.

Nu ook overigens niet gebleken is dat de belastbaarheid van gedaagde in de voorgehouden functies wordt overschreden of het bestreden besluit anderszins op een onjuiste grondslag berust komt de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit ten onrechte vernietigd is, voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Scheepers-van Die als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 november 2001.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) H.E. Scheepers-van Die.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x