Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AD8055
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-12-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De AAW-uitkering, welke is gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%, wordt in verband met inkomsten uit arbeid over de perioden in geding uitbetaald als ware betrokkene voor 45-55% onderscheidenlijk 25-35% arbeidsongeschikt. Zijn de inkomsten uit verhuur van land en rente-inkomsten uit spaargelden ten onrechte bij de berekening van het inkomen meegenomen? Driejarentermijn waarover de gemiddelde jaarwinst wordt vastgesteld. Wijziging van het maatschapscontract.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/63 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 18 februari 1998 heeft gedaagde bepaald dat appellants uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke is gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, in verband met inkomsten uit arbeid over de periode 1 januari 1996 tot 1 januari 1997, over die periode wordt uitbetaald als ware appellant voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt.
Bepaald is verder dat appellant, wegens het verstrijken van de maximale termijn waarover artikel 33 van de AAW mag worden toegepast, per 1 januari 1997 wordt ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is door gedaagde bij besluit van 19 januari 1999, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

De rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 24 november 1999 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. G.R. Faber, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Leidschendam, bij beroepschrift van 4 januari 2000 van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Bij brief gedateerd 7 maart 2000 heeft mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te 's-Gravenhage, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.

Bij brief van 14 april 2000 - annex bijlagen - heeft de gemachtigde de gronden aangegeven waarop het beroep rust.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 oktober 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.L.S.M. Leewens en P.A. Lemmens, en waar namens gedaagde is verschenen E. van Onzen, werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V.




II. MOTIVERING


De Raad zal allereerst nagaan of gedaagde appellant terecht over de periode 1 januari 1996 tot 1 januari 1997 heeft ingedeeld in de fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.

Blijkens het formulier 'begeleiding en controle AAW en/of WAO, TW 1997' gedateerd 9 oktober 1997 heeft appellant opgegeven dat de door hem behaalde fiscale winst uit zijn bedrijf in het jaar 1996 É 59.438,- bedroeg. Daarbij heeft appellant aangegeven dat in het bedrijfsresultaat is begrepen een bedrag van É 26.915,17 aan rente op een spaarrekening ad É 526.562,74, welke is opgenomen op de bedrijfsbalans. Door appellant wordt opgemerkt dat deze renteopbrengst niets te maken heeft met zijn arbeidsprestatie en dat zijn winstaandeel daarom met É 6.728,92 dient te worden gecorrigeerd.

Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige A.J.M. Muus van 5 februari 1998 komt naar voren dat het maatmaninkomen van appellant É 114.995,- bedraagt. Afgezet tegen de inkomsten van appellant in 1996 ad É 56.780,- levert dat een fictief arbeidsongeschiktheidspercentage op van 51,62 en derhalve indeling voor de genoemde periode in de fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.

Daarop heeft gedaagde het in rubriek I genoemde besluit van 18 februari 1998 genomen.

In bezwaar is namens appellant aangevoerd dat bij dit besluit is uitgegaan van een onjuist inkomen uit arbeid. Betoogd wordt dat ten onrechte rente-inkomsten uit spaartegoeden en opbrengsten uit de verhuur van land als inkomsten uit arbeid zijn aangemerkt. Tijdens de hoorzitting heeft appellant met betrekking tot de inkomsten uit de verhuur van land medegedeeld dat de activiteiten in dat verband bestaan uit het innen van de huur en het bijhouden van de slootkanten. De administratie wordt gedaan door zijn broer.

Bij de beslissing op bezwaar heeft gedaagde de korting over 1996 gehandhaafd. De door appellant overgelegde correcties op het inkomen zijn door gedaagde niet als zodanig geaccepteerd.

In beroep is namens gedaagde betoogd dat het de fiscale keuze van appellant is geweest om de renteopbrengsten in een maatschap onder te brengen. Hetzelfde geldt voor de huuropbrengsten, waarvan bovendien zonder meer gesteld kan worden dat hiervoor werkzaamheden zijn verricht.
Opgemerkt wordt dat de 'correcties' op het inkomen over het jaar 1996 niet aan de Belastingdienst zijn doorgegeven. Ze hebben derhalve geen invloed op het inkomen zoals dit door de fiscus is vastgesteld. Bedoelde inkomensonderdelen dienen dan ook wel degelijk als inkomsten uit arbeid te worden aangemerkt. Ter zitting is nog opgemerkt dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan niet van de door de fiscus vastgestelde nettowinst zou mogen worden uitgegaan.

De rechtbank heeft het beroep tegen dit deel van het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de inkomsten uit verhuur van land en rente-inkomsten uit spaargelden ten onrechte bij de berekening van het inkomen zijn meegenomen.

De Raad kan appellant hierin niet volgen. Blijkens constante jurisprudentie van de Raad mag een verzekerde in een geval als het onderhavige in beginsel worden gehouden aan de door hem gemaakte fiscale keuze. Niet betwist is dat appellant ervoor gekozen heeft om genoemde rente- en huuropbrengsten fiscaal als winst van de maatschap te verantwoorden. Evenmin als gedaagde en de rechtbank, heeft de Raad in hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd een genoegzame grond kunnen vinden om in zijn geval van evenvermelde hoofdregel af te wijken.

Uit het voorgaande volgt dat appellant voor de periode 1 januari 1996 tot 1 januari 1997 terecht is ingedeeld in de fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65%.

Vervolgens staat ter beoordeling van de Raad of gedaagde met recht appellant per 1 januari 1997 heeft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.

In dat verband merkt de Raad allereerst op dat door gedaagde jegens appellant ook ten aanzien van de jaren 1994 en 1995 toepassing is gegeven aan artikel 33 van de AAW, welke beslissingen door appellant niet in rechte zijn aangevochten, zodat deze formele rechtskracht hebben gekregen. In samenhang met 's Raads beslissing met betrekking tot het jaar 1996 leidt dit ertoe dat door gedaagde over een aaneengesloten termijn van drie jaar toepassing is gegeven aan artikel 33 van de AAW. Daarmee staat vast, nu tevens niet is gesteld of gebleken dat ten aanzien van appellant artikel 33, tweede lid, van de AAW geen toepassing behoort te vinden, dat gedaagde de door appellant verrichte arbeid als passende arbeid diende aan te merken en op die grondslag per 1 januari 1997 tot vaststelling van appellants mate van arbeidsongeschiktheid diende over te gaan.

Blijkens de hiervoor genoemde rapportage van de arbeidsdeskundige Muus van 5 februari 1998 heeft deze het arbeidsongeschiktheidspercentage per 1 januari 1997 vastgesteld aan de hand van het gemiddelde arbeidsongeschiktheidspercentage over de jaren 1994 tot en met 1996. Op die grondslag concludeert hij tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 28,14 en derhalve per 1 januari 1997 indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.

Het beleid dat door gedaagde in gevallen als het onderhavige wordt gevoerd is vastgesteld in artikel 1 van het Besluit beŽindiging anticumulatie na drie jaar bij wisselende verdiensten (Besluit van gedaagde van 23 april 1997, Stcrt. 1997, 86) en is te vinden in de Bijlage bij dit Besluit.

Partijen blijken van mening te verschillen over de uitleg van dit beleid.

Namens appellant wordt betoogd dat de hoofdregel is dat binnen de driejaarstermijn wordt gezocht naar een tijdvak met verdiensten dat geacht mag worden representatief te zijn voor het praktische verdienvermogen van de verzekerde. Pas als dit niet lukt worden ter bepaling van de resterende verdiencapaciteit de gemiddelde inkomsten over de gehele periode genomen, behoudens gevallen waarin zich bijzondere feiten voordoen.
Volgens de gemachtigde van appellant geven slechts de inkomsten uit 1996 een representatief beeld van het praktisch verdienvermogen van appellant. Met ingang van 1 januari 1996 is het maatschapscontract gewijzigd in die zin, dat aan de broer van appellant 50% van de winst uit onderneming wordt toegekend, en aan appellant en zijn echtgenote ieder 25%. Voorheen werd aan appellant en zijn broer ieder 50% van de winst uit onderneming toegekend, waarbij appellant van zijn deel van de winst een bedrag uitkeerde aan zijn echtgenote. Volgens de gemachtigde werkte de echtgenote van appellant ook vůůr 1 januari 1996 tenminste evenveel als appellant, terwijl appellant aanzienlijk minder werk verrichtte dan zijn broer. De inkomstenverdeling van vůůr 1 januari 1996 was derhalve niet langer conform de werkelijke arbeidsinbreng. De gemachtigde concludeert dat de door appellant in de jaren 1994 en 1995 verworven inkomsten niet representatief kunnen worden geacht voor zijn praktisch verdienvermogen. Slechts het jaar 1996 geeft een reŽel beeld van het verdienvermogen van appellant.

Namens gedaagde is betoogd dat het beleid, als neergelegd in genoemd Besluit, door appellant niet geheel juist wordt geÔnterpreteerd. Volgens gedaagde schrijft het beleid voor dat er een schatting dient plaats te vinden, zodra er een representatieve periode valt aan te wijzen. Nadat artikel 33 van de AAW echter gedurende drie jaar is toegepast dient er een feitelijke schatting plaats te vinden gebaseerd op een middeling van de inkomsten van de afgelopen drie jaren. Bij zelfstandigen wordt, behoudens in bijzondere gevallen, na afloop van de drie jaarstermijn altijd gemiddeld over de drie voorafgaande jaren, omdat vanwege de inkomensfluctuaties vaak geen andere representatieve periode valt aan te wijzen. Betoogd wordt verder dat er in het onderhavige geval geen grond bestaat om een bijzonder geval aan te nemen.

De Raad oordeelt als volgt.

Hoewel naar het oordeel van de Raad de tekst van de bijlage, behorende bij gedaagdes Besluit van 23 april 1997, niet uitblinkt door duidelijkheid, komt de uitleg die door gedaagde aan deze tekst wordt gegeven de Raad niet onjuist voor. De Raad wijst voor wat betreft de middeling van de inkomsten van zelfstandigen in verband met de fluctuaties in die inkomsten, op de analogie met de rechtspraak van de Raad met betrekking tot de vaststelling van het maatmaninkomen van zelfstandigen. De ratio om tot middeling over te gaan, behoudens bijzondere gevallen, is in beide situaties dezelfde. Gezien de fluctuaties die kunnen optreden in de inkomsten van zelfstandigen wordt juist door het nemen van een langere periode de representativiteit van het inkomen als uitdrukking van het verdienvermogen van de verzekerde vergroot.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad zich kan verenigen met het door gedaagde ingenomen standpunt, dat, voorzover hier relevant, na afloop van de drie jaarstermijn ex artikel 33 van de AAW bij zelfstandigen op basis van middeling van het inkomen in die drie jaren de mate van arbeidsongeschiktheid dient te worden bepaald, behoudens in bijzondere gevallen.

De Raad concludeert dat de indeling door gedaagde van appellant per 1 januari 1997 in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% niet onjuist kan worden geoordeeld, behoudens indien er sprake zou zijn van een bijzonder geval.

Als zodanig kan naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt de wijziging van het maatschapscontract met ingang van 1 januari 1996. Een andere opvatting zou meebrengen dat appellant, enkel door gebruik te maken van een privaatrechtelijke constructie, voor afloop van de driejaarstermijn de mate van zijn arbeidsongeschiktheid na afloop van die termijn in belangrijke mate zelf zou kunnen bepalen. Daarmee zou, naar het oordeel van de Raad, geen recht worden gedaan aan de vereiste representativiteit van de verdiencapaciteit van de verzekerde.
De Raad is verder van oordeel dat ook de feitelijke wijzigingen die in 1996 hebben plaatsgevonden, de echtgenote van gedaagde zou gemiddeld in plaats van 20 uur per week 29 uur zijn gaan werken, geen bijzonder geval opleveren als hiervoor bedoeld. De Raad volstaat ermee in dit verband op te merken dat uit het door appellant ingezonden formulier 'begeleiding en controle AAW en/of WAO, TW 1997' niet blijkt dat appellant zelf in 1996 minder is gaan werken.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de navolgende beslissing.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2001.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x