Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AD8148
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-12-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-uitbetaling van en korting op de AAW/WAO-uitkering over de perioden in geding wegens inkomsten uit arbeid. Terugvordering van onverschuldigd uitbetaalde uitkering. Toepasselijkheid van de zesmaandenjurisprudentie. Met de gehanteerde berekeningswijze van het jaarinkomen is op onjuiste wijze toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 44, eerste lid, van de WAO. Is het vertrouwensbeginsel geschonden?
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/3802 AAW/WAO en 99/3996 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], betrokkene,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, het Lisv.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 22 december 1997 heeft het Lisv ongegrond verklaard de bezwaren van betrokkene tegen twee besluiten, respectievelijk van 10 juli 1997 en 11 juli 1997.

Bij het besluit van 10 juli 1997 heeft het Lisv betrokkene meegedeeld dat hij blijft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%, maar dat in verband met door hem verworven inkomsten uit arbeid zijn uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over de periode van 1 mei 1994 tot 1 augustus 1994 niet worden uitbetaald en dat vanaf 1 januari 1995 over een periode van ten hoogste 36 maanden deze uitkeringen worden uitbetaald als ware betrokkene 15 tot 25% arbeidsongeschikt.

Bij het besluit van 11 juli 1997 heeft het Lisv van betrokkene teruggevorderd een bedrag van f 12.796,74 (bruto en na aftrek van intern te verrekenen premies) aan onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De Arrondissementsrechtbank te Den Haag heeft bij uitspraak van 24 juni 1999 het beroep tegen het besluit van 22 december 1997 gegrond verklaard voorzover het betreft de berekening van het bruto teruggevorderde bedrag per 1 januari 1995 en de terugvordering van uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO met ingang van 1 januari 1997 en het besluit van 22 december 1997 in zoverre vernietigd. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaart en voorts bepaald dat het Lisv een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen met veroordeling van het Lisv tot vergoeding van griffierecht en de proceskosten van betrokkene.

Het Lisv is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Namens betrokkene is mr. E.A. Breetveld, advocaat te Den Haag, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Zowel het Lisv als betrokkene hebben een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 19 september 2001, waar partijen zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De feiten die in rubriek 3 van de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.

Namens betrokkene is in eerste aanleg aangevoerd dat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten onrechte alleen bij de vaststelling van het feitelijk verdiende salaris rekening is gehouden met de onregelmatigheidstoeslag en het overwerk en niet bij de vaststelling van het maatmaninkomen, dat de toepassing van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO niet kan berusten op een vergelijking van het jaarloon en het gemiddeld maandloon, maar dat dient te worden uitgegaan van het feitelijk verdiende loon per maand en dat hij bezwaar heeft tegen de terugvordering over 1997 aangezien zijn verdiensten over het tweede halfjaar van 1997 ten tijde van de besluiten van 10 en 11 juli 1997 nog niet bekend waren.
Voorts heeft betrokkene met een beroep op het vertrouwensbeginsel gesteld dat vr juli 1995 in het geheel niet meer kan worden teruggevorderd en subsidiair met een beroep op de zesmaandenjurisprudentie dat de terugvordering maximaal kan lopen tot 6, subsidiair 12 maart 1995. Tenslotte acht betrokkene de terugvordering onvoldoende gespecificeerd.

De rechtbank heeft alleen de grieven van betrokkene ter zake van de onvoldoende specificatie van de terugvordering en ter zake van de terugvordering voorzover die ziet op de periode aanvangend op 1 januari 1997 gehonoreerd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het Lisv geen specificatie heeft overgelegd die inzichtelijk maakt op basis van welke berekening het Lisv tot het bruto teruggevorderde bedrag is gekomen en dat de vaststelling van het recht op uitkering van betrokkene per 1 januari 1997 niet voldoende is onderbouwd dan wel dat onvoldoende gemotiveerd is geanticipeerd op een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per die datum naar 15 tot 25%.

Het Lisv heeft in hoger beroep aangevoerd dat desgevraagd op 23 december 1998 aan de rechtbank een gedetailleerde specificatie van de terugvordering is verzonden. Wel is gebleken dat tussen het teruggevorderde bedrag en de berekening volgens de specificatie een verschil is van f 4,98.
Voorts meent het Lisv dat op goede gronden is besloten over het jaar 1997 rekening te houden met inkomsten uit arbeid tijdens het genot van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, aangezien sprake is van een continue bron van inkomsten uit arbeid terzake waarvan geen indicatie was dat deze in de loop van 1997 zou eindigen, terwijl het uitvoeringsorgaan er de voorkeur aan geeft dat de uitkering direct tot het juiste bedrag wordt uitbetaald.

Betrokkene heeft in hoger beroep de grieven die hij bij de rechtbank heeft ingebracht gehandhaafd en voorts aangevoerd dat het Lisv ten tijde van de voorbereiding van het terugvorderingsbesluit van 23 oktober 1995 op de hoogte was van de onregelmatigheidstoeslagen. Betrokkene meent dat het Lisv hem er dus op had kunnen wijzen dat na terugbetaling van het bij dat besluit becijferde bedrag nog een terugvordering zou volgen.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt vast dat in het onderhavige geding aan de orde zijn de uitbetaling en de terugvordering van de uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO van betrokkene over de periode van 1 mei 1994 tot 1 augustus 1994, de jaren 1995 en 1996, en over de periode van 1 januari 1997 tot 1 augustus 1997.

Betrokkene heeft niet bestreden dat hem over de periode van 1 mei 1994 tot 1 augustus 1994 ten onrechte arbeidsongeschiktheidsuitkering is uitbetaald, maar meent dat het Lisv niet van zijn bevoegdheid gebruik had mogen maken het betreffende bedrag van hem terug te vorderen.

De Raad kan betrokkene hierin niet volgen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat ten aanzien van de periode van 1 mei 1994 tot 1 augustus 1994 de zogenoemde zesmaandenjurisprudentie reeds niet van toepassing is, omdat uit de voorliggende gegevens niet blijkt dat betrokkene het Lisv in de desbetreffende periode adequaat heeft ingelicht, dan wel dat het Lisv anderszins op de hoogte is geweest van de juiste inkomensgegeven van betrokkene. Dit betekent dat het besluit om de over die periode onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen de rechterlijke toetsing kan doorstaan.
Ten aanzien van de periode van 1 januari 1995 tot 1 augustus 1997 ligt in de eerste plaats ter beantwoording voor de vraag of het Lisv over die periode op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 44, eerste lid, van de WAO.

De Raad heeft geconstateerd dat het Lisv bij de vaststelling van de korting van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van betrokkene over de jaren 1995 en 1996 is uitgegaan van het jaarinkomen van betrokkene inclusief alle toeslagen en dat op basis daarvan een gemiddeld maandinkomen is vastgesteld. Na vergelijking van dit gemiddeld maandinkomen met het gendexeerde maatmaninkomen van betrokkene heeft het Lisv besloten dat de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van betrokkene over de jaren 1995 en 1996 worden uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 21 januari 2000, gepubliceerd in RSV 2000/62, is de Raad van oordeel dat het Lisv met bovenstaande berekeningswijze op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 44, eerste lid, van de WAO.
De Raad wijst er daartoe op dat betrokkene als gevolg van de hem toekomende onregelmatigheidstoeslag sedert 1 januari 1995 een per maand wisselend inkomen uit arbeid ontvangt. Voor een juiste toepassing van de kortingsregeling in artikel 44 van de WAO dient in geval de betrokkene per maand wisselende inkomsten heeft de schatting van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid te worden vastgesteld aan de hand van een vergelijking van enerzijds het voor de betrokkene geldende maatmaninkomen per maand met anderzijds de door hem feitelijk per maand genoten inkomsten uit arbeid. De Raad sluit niet uit dat een berekening volgens de voorgeschreven methodiek ertoe leidt dat over een of meer maanden in de jaren 1995 en 1996 op de uitkering ingevolge de WAO van betrokkene, die in de desbetreffende periode werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, geen korting van toepassing is. Gelet daarop staat voor de Raad niet vast dat het terugvorderingsbedrag, dat ziet op de periode vanaf 1 januari 1995 tot 1 augustus 1997, juist is vastgesteld.
Dit betekent dat het besluit van 22 december 1997 ten aanzien van het daarin gehandhaafde terugvorderingsbedrag over laatstgenoemde periode dient te worden vernietigd en dat de aangevallen uitspraak voorzover deze daarop betrekking heeft niet in stand kan blijven.

Voorts overweegt de Raad nog - voor dit geding ten overvloede - dat het beroep van betrokkene op het vertrouwensbeginsel met betrekking tot de terugvordering over de periode tot 1 juli 1995 niet slaagt. De Raad ziet daaraan in de weg staan dat het besluit van 23 oktober 1995, waarop betrokkene zich in dit verband beroept, niet ziet op de hier in geding zijnde periode en inkomsten.

Aan hetgeen partijen overigens in hoger beroep nog hebben aangevoerd kan en zal de Raad gelet op het vorenoverwogene buiten bespreking laten.
De Raad acht termen aanwezig het Lisv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1420,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep van betrokkene tegen de beslissing tot anticumulatie en terugvordering vanaf 1 januari 1995 ongegrond is verklaard;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre alsnog gegrond;
Vernietigt alsnog het besluit van 22 december 1997 in zoverre;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot f 1420,-;
Bepaalt dat het Lisv het door betrokkene in hoger beroep betaalde griffierecht ad f 170,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2001.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x