Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AD9405
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-02-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning AAW/WAO-uitkering, doch latere uitbetaling van de uitkeringen omdat betrokkene nog recht heeft op loon jegens zijn werkgever. Kon betrokkene geen recht doen gelden op loon jegens zijn werkgever omdat hij gedurende de periode in geding gedetineerd was terwijl hij tevens ongeschikt was voor het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte? De enkele omstandigheid dat een bestaand recht op loon niet kan worden geŽffectueerd wegens financieel onvermogen van de werkgever kan niet afdoen aan de toepasselijkheid van de artikelen 32b van de AAW en 43b van de WAO.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/1559 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 27 juli 1998 heeft gedaagde aan appellant, in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 21 juli 1997 uitkeringen toegekend ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tevens heeft gedaagde daarbij beslist om met toepassing van artikel 32a van de AAW en artikel 43b van de WAO, zoals die bepalingen ten tijde hier van belang luidden, de betaling van die uitkeringen eerst te doen ingaan met ingang van 28 september 1998.

Bij besluit van 1 juni 1999 heeft gedaagde het bezwaar tegen evenvermeld besluit ongegrond verklaard.

Nadat appellant tegen laatstvermeld besluit beroep had ingesteld, heeft gedaagde bij besluit van 21 december 1999 nader beslist om de datum met ingang waarvan appellants uitkeringen kunnen worden uitbetaald te stellen op 20 juni 1998.
De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft het beroep tegen het besluit van 1 juni 1999 met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het nadere besluit van 21 december 1999, en heeft bij uitspraak van 21 februari 2000 het beroep tegen het besluit van 1 juni 1999 niet-ontvankelijk verklaard, met aanvullende beslissingen inzake de vergoeding van proceskosten en griffierecht, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG Nederland, Algemene Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. te Leusden, bij beroepschrift van 23 maart 2000 tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 21 december 1999 ongegrond is verklaard.

Gedaagde heeft bij schrijven van 4 juli 2000 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 november 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Rooij, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuijsen, werkzaam bij SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V.




II. MOTIVERING


Naar blijkt uit rubriek I richt het hoger beroep van appellant zich uitsluitend tegen het onderdeel van de uitspraak van de rechtbank waarbij het beroep tegen gedaagdes besluit van 21 december 1999 ongegrond is verklaard. In geding is derhalve de vraag of genoemd besluit (hierna: het bestreden besluit) in rechte stand kan houden.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Appellant, werkzaam als opperman/vloerenlegger, heeft zich op 21 juli 1996 na een auto-ongeval ziek gemeld bij zijn werkgever [X.] B.V. Gedaagde heeft zich op basis van het ingestelde onderzoek op het standpunt gesteld dat appellant als volledig arbeidsongeschikt dient te worden aangemerkt, en heeft in verband hiermee aan appellant, in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 21 juli 1997 uitkeringen toegekend ingevolge de AAW en de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Gedaagde heeft evenwel tevens beslist dat die uitkeringen met toepassing van artikel 32b van de AAW en artikel 43b van de WAO eerst met ingang van 20 juni 1998 tot uitbetaling kunnen worden gebracht.

Gedaagde is daarbij ervan uitgegaan dat appellant gedurende het tijdvak van 21 juli 1997 tot en met 19 juni 1998 op grond van artikel 629, eerste lid, tweede volzin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nog recht heeft op loon jegens zijn werkgever, daar appellants werkgever in gebreke is gebleven om te voldoen aan de ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet op hem rustende verplichting om uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte van de verzekerde dertien weken heeft geduurd daarvan aangifte te doen bij gedaagde, en genoemde bepaling van het BW alsdan voorschrijft dat het tijdvak van 52 weken waarover de werknemer ingevolge de eerste volzin van het eerste lid van artikel 7:629 van het BW aanspraak behoudt op loon, wordt verlengd met de duur van de vertraging. Nu appellants werkgever, naar door gedaagde is aangenomen, eerst op 19 september 1997, zijnde 11 maanden minus 2 dagen te laat, bedoelde aangifte van appellants arbeidsongeschiktheid heeft gedaan, moet het tijdvak waarover appellant jegens zijn werkgever recht heeft op loon worden verlengd met die verzuimperiode, welke verlenging aldus het tijdvak beloopt van 21 juli 1997 tot en met 19 juni 1998. Genoemde artikelen van de AAW en de WAO bepalen dat in een dergelijk geval de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet wordt uitbetaald gedurende het verlengde tijdvak waarover recht bestaat op loon.

Appellant heeft zijn bezwaren tegen het bestreden besluit, welke door de rechtbank zijn verworpen, in hoger beroep als volgt doen toelichten.

Appellant is in het door gedaagde in aanmerking genomen verlengingstijdvak gedetineerd geweest gedurende de periode van 10 februari 1997 tot 11 maart 1998, in verband waarmee hij op grond van de in artikel 7:627 van het BW vervatte hoofdregel dat geen loon verschuldigd is voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht, in die periode jegens zijn werkgever geen recht kon doen gelden op loon.

Onder erkenning dat hij in beginsel wel recht op loon had over het tijdvak waarin hij niet was gedetineerd, heeft appellant erop gewezen dat hij dit recht, ondanks een door hem gevoerde kantongerechtsprocedure waarbij onder meer zijn loonvordering over de periode van 8 juli 1996 tot en met 9 februari 1997 is toegewezen, niet geldend heeft kunnen maken wegens insolventie van zijn werkgever. Naar het oordeel van appellant kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om in gevallen waarin een bestaand recht op loon niet blijkt te kunnen worden geŽffectueerd, niettemin met toepassing van artikel 32b van de AAW en artikel 43b van de WAO niet over te gaan tot uitbetaling van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen waarop hij aanspraak heeft. Om te voorkomen dat een werknemer aldus de dupe zou worden van nalatigheid van zijn werkgever, zou toepassing van genoemde bepalingen, aldus appellant, beperkt dienen te blijven tot die gevallen waarin een aan de werknemer toekomend recht op loon ook feitelijk blijkt te kunnen worden gerealiseerd.

Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat tijdens de detentieperiode ten onrechte toepassing is gegeven aan artikel 32b van de AAW en artikel 43b van de WAO, aangezien in verband met de hiervoor weergegeven hoofdregel van artikel 7:627 van het BW niet is voldaan aan de in eerstgenoemde artikelen vervatte voorwaarde dat sprake was van recht op loon.

De Raad ziet deze grieven van appellant geen doel treffen.

De Raad stelt voorop dat hij met partijen ervan uitgaat dat appellants werkgever eerst op 19 september 1997 bij gedaagde aangifte heeft gedaan van appellants ziekmelding van 21 juli 1996, waarmee hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende wettelijke verplichting tot aangifte binnen 13 weken, en dat in verband daarmee in het onderhavige geval de in artikel 7:629, eerste lid, tweede volzin van het BW gegeven regeling van toepassing is, inhoudende een verlenging - met de duur van de vertraging - van de periode van 52 weken waarover ingevolge de eerste volzin van die bepaling een werknemer, die wegens ziekte buiten staat is tot het verrichten van de bedongen arbeid, recht op loon behoudt.

De Raad is in de eerste plaats van oordeel dat, anders dan namens appellant bepleit, de enkele omstandigheid dat een bestaand recht op loon niet kan worden geŽffectueerd wegens financieel onvermogen van de werkgever, niet kan afdoen aan de toepasselijkheid van de artikelen 32b van de AAW en 43b van de WAO, in welke bepalingen immers het niet uitbetalen van de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitsluitend afhankelijk is gesteld van de aanwezigheid van een recht op loon, en niet (tevens) van de vraag of een zodanig recht ook feitelijk te gelde kan worden gemaakt. Aan de Raad is niet gebleken van enig aanknopingspunt, in de wetsgeschiedenis of anderszins, dat een rechtvaardiging zou kunnen vormen om hier niet vast te houden aan de - ondubbelzinnige - wettekst. De door appellant bepleite opvatting zou voorts - zij het op indirecte wijze - een niet aanvaardbaar te achten doorkruising inhouden van de elders in de sociale verzekeringswetgeving, in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet, voorziene regeling om, onder strikte voorwaarden en gedurende een gelimiteerde periode, over te gaan tot overneming van achterstallige loonbetalingsverplichtingen van een in betalingsonmacht verkerende werkgever.

Voorts is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat appellant gedetineerd is geweest van 10 februari tot 11 maart 1997 evenmin afdoet aan de toepasselijkheid van de artikelen 32b van de AAW en 43b van de WAO. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellant met ingang van 21 juli 1996 wegens ziekte of gebreken in de zin van de wet ongeschikt is geworden voor zijn arbeid, welke ongeschiktheid vervolgens - onbetwist - ook tijdens genoemde detentieperiode heeft voortgeduurd. Onder die omstandigheden valt naar het oordeel van de Raad niet in te zien dat de verhindering van appellant tot het verrichten van de bedongen arbeid tijdens de detentieperiode niet langer primair toegeschreven zou dienen te worden aan de reeds bestaande ongeschiktheid wegens ziekte of gebreken. Gedaagde heeft mitsdien terecht aangenomen dat gedurende de gehele door hem in aanmerking genomen periode sprake is geweest van een recht op loon op grond van artikel 7:629, eerste lid, tweede volzin, als bedoeld in de artikelen 32b van de AAW en 43b van de WAO.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten en met aanvulling van de gronden waarop deze berust, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2002.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.D. Streefkerk.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x