Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / Wet TBA
x
LJN:
x
AD9460
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-01-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering AAW-uitkering op de grond dat betrokkene, die jonggehandicapte is, voor minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Hoe dienen de woorden "een persoon die op de dag voorafgaand aan de dag waarop de Wet TBA in werking treedt recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering" te worden uitgelegd?
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/2688 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 17 september 1997 heeft appellant aan gedaagde met ingang van 29 juni 1993 geen uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum op minder dan 25% gesteld diende te worden.

Tegen dit besluit heeft gedaagde bezwaar gemaakt. Appellant heeft vervolgens op 4 juni 1998 een besluit op bezwaar genomen, welk besluit onder meer het volgende inhoudt:
"De bezwaren ten aanzien van de vastgestelde medische beperkingen zijn ongegrond. Het bezwaar ten aanzien van het feit dat de schatting op basis van de middencriteria had moeten plaatsvinden, waarbij rekening dient te worden gehouden met uw werkzaamheden als zelfstandige, is gegrond. Het bezwaar tegen de vaststelling van het maatmanloon op het minimumloon is ongegrond: niet is komen vast te staan hoe uw inkomen als zelfstandige is geweest, noch is aantoonbaar gemaakt dat die inkomsten hoger zouden zijn geweest dan het minimumloon.
U bent met ingang van 29 juni 1993, in het kader van de AAW, voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt te beschouwen, ingaande 1 augustus 1993 voor minder dan 25%. Het gegrond verklaren van het bezwaar tegen de schatting per 29 juni 1993, op basis van de middencriteria in plaats van de TBA-criteria, zal evenwel niet leiden tot uitbetaling van AAW-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschikheidspercentage van 45 tot 55%, over de periode van 29 juni 1993 tot 1 augustus 1993: de toepassing van artikel 25 lid 2 AAW verhindert dat."

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 20 maart 2000 het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Voorts zijn overwegingen opgenomen met betrekking tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Op de in een aanvullend beroepschrift vermelde gronden heeft appellant tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.

Namens gedaagde is door mr. R.W.A. Schelfaut, advocaat te Eindhoven, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 november 2001, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Boer-Veerman, werkzaam bij Gak Nederland B.V., en waar gedaagde in persoon is verschenen met bijstand van mr. R.W.A. Schelfaut.




II. MOTIVERING


Gedaagde, die destijds werkzaam was als exploitant van een horecabedrijf en freelance tolk/vertaler, werd in juli 1992 getroffen door een hartinfarct. Daarna overkwam hem een verkeersongeval, waarna hij aan restverschijnselen van een doorgemaakte whiplash leed. In november 1996 werd gedaagde opnieuw door een hartinfarct getroffen.

In maart 1997 vroeg gedaagde een uitkering krachtens de AAW aan, welke aanvraag appellant heeft afgewezen. Die afwijzing is bij besluit van 4 juni 1998 gehandhaafd. Dat besluit berust onder meer op de volgende gronden:
"Met inachtneming van de op 29 juni 1993 (nog) geldende middencriteria en het feit dat u op dat moment nog gedeeltelijk als zelfstandige werkzaam was, dient uw mate van arbeidsongeschiktheid te worden vastgesteld op 50%: indeling in de klasse 45 tot 55% is dan aan de orde.

Of het middencriterium ook na de invoering van de Wet TBA per 1 augustus 1993 van toepassing blijft, is geregeld in artikel XVI Wet TBA.
In dit artikel wordt bepaald dat het middencriterium vanaf 1 augustus 1993 van toepassing blijft op degene die op 31 juli 1993 recht had op een AAW- of WAO-uitkering en die op 1 augustus 1993 45 jaar of ouder is, alsmede op degenen die op 31 juli 1993 recht hadden op een AAW-uitkering op basis van artikel 6 lid 1 sub b AAW: de vroeggehandicapten.

Het vorenstaande houdt in dat er 2 situaties zijn waarin het middencriterium na 31 juli 1993 niet meer wordt toegepast.
a. voor degene die op die dag geen recht op uitkering had; dat komt voor bij (zeer) late meldingen, waarbij de toekenning met terugwerkende kracht niet voor 1 augustus 1993 komt te liggen,
b. voor degenen die op 1 augustus 1993 nog geen 45 jaar waren, terwijl er ook geen sprake is van een vroeggehandicapte; in deze gevallen worden de TBA-criteria van toepassing, echter niet direct al op 1 augustus 1993, maar pas op de datum die het zogeheten cohortenbesluit aanwijst.

Het gestelde onder b. lijkt in uw situatie van toepassing.
Echter: met de Wet TBA is tevens bepaald dat ingaande 1 augustus 1993 de AAW-uitkering alleen nog op aanvraag kan worden toegekend, waar voorheen ook ambtshalve toekenning mogelijk was. Uw recht op AAW-uitkering onstaat, gelet op artikel 25 lid 2 AAW, dan ook eerst op 3 maart 1996, de uitkering kan immers niet vroeger ingaan dan een jaar vr de dag, waarop de aanvraag werd ingediend. Er bestaat deswege op 31 juli 1993 geen recht op uitkering, de 'bescherming' vanuit artikel XVI Wet TBA is dan ook niet op u van toepassing: het TBA-criterium is onmiddellijk, met ingang van 1 augustus 1993 dus, van toepassing.

Di schatting, op basis van de TBA-criteria, vond zowel reeds plaats, u bent op grond drvan voor minder dan 25% arbeidsongeschikt te beschouwen."

Gedaagde heeft zijn beroep in eerste aanleg in het bijzonder gericht tegen de in het besluit van 4 juni 1998 vervatte beslissing om gedaagde per 1 augustus 1993 onder toepassing van het met die datum geldende arbeidsongeschiktheidscriterium minder dan 25% arbeidsongeschikt te achten. Daartoe heeft aangevoerd dat hij op 1 augustus 1993 ingevolge het geldend overgangsrecht recht had op uitkering en het zogenoemde middencriterium ook op en na 1 augustus 1993 in het geval van gedaagde diende te worden toegepast en wel minstens tot de voor gedaagde op grond van het Cohortenbesluit geldende datum van 1 februari 1995.

De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven; daartoe is in de aangevallen uitspraak het volgende overwogen:
"Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden worden gelaten wat de wetgever precies heeft beoogd met het overgangsrecht van de Wet TBA en meer in het bijzonder met het bepaalde in artikel XVI, derde lid, van die wet. Vastgesteld moet immers worden dat de tekst van genoemde bepaling niet voor tweerlei uitleg vatbaar is. Op grond van die duidelijke tekst is voor de toepassing van artikel XVI, derde lid, van de Wet TBA van belang of de betrokkene op 31 juli 1993 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en niet of hij op die datum feitelijk in het genot was van een dergelijke uitkering."

In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank op de gronden die in het aanvullend beroepschrift en het ter zitting van de Raad zijn aangevoerd, uitvoerig bestreden. Kort en zakelijk weergegeven komen de grieven van appellant op het volgende neer.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel XVI van de Wet van 7 juli 1993, Stb. 1993, 412 (Wet TBA) blijkt naar de opvatting van appellant dat dit artikel met een beroep op de rechtszekerheid slechts bescherming tegen plotselinge inkomensachteruitgang beoogt te bieden aan degenen die (anders dan gedaagde) op 1 augustus 1993 reeds in het genot waren van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. In dat verband heeft appellant gewezen op de uitspraken van de Raad van 15 november 1996, gepubliceerd in USZ 1997/44 en 46 alsmede van 10 september 1997, gepubliceerd in RSV 1998/2.

Voorts heeft appellant van belang geacht dat in het onderhavige geval vanwege de late aanvraag toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 25, tweede lid, van de AAW. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 13 maart 1996, RSV 1996/159 heeft appellant gesteld dat dit artikel op de toekenning van uitkering en niet op de uitbetaling daarvan ziet.

Vorenstaande heeft appellant tot het standpunt gebracht dat gedaagde op 31 juli 1993 weliswaar aan de vereisten voor de toekenning van een uitkering voldeed, maar op die datum niet in het genot van een uitkering krachtens de AAW was of alsnog werd gesteld, zodat er geen ruimte is voor de toepassing van artikel XVI, derde lid, van de Wet TBA.

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

Artikel XVI, derde lid, van de Wet TBA luidt onder meer als volgt:
"De artikelen 5 en 24 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en 18 en 34 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals die artikelen luidden op de dag, voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, blijven tot een latere datum dan de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing op een persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, en die op de dag van inwerkingtreding van de wet de leeftijd van 45 jaar niet heeft bereikt."

Bij de beantwoording van de partijen verdeeld houdende vraag is van doorslaggevende betekenis hoe de woorden "een persoon die op de dag voorafgaand aan de dag waarop deze wet in werking treedt recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering" in het hiervoor aangehaalde artikellid uitgelegd dienen te worden. Partijen hebben in het onderhavige geval daarbij gemotiveerd uiteengezet op welke gronden zij tot hun tegenstrijdige uitleg van dit wetsartikel zijn gekomen. In dit geval kan derhalve naar het oordeel van de Raad niet worden volstaan - zoals dan de rechtbank heeft gedaan - met de constatering dat de tekst van die wettelijke bepaling duidelijk is. De vraag in een dergelijke situatie is immers of het aan de orde zijnde geval in zodanige mate met het geval dat de wetgever voor ogen heeft gestaan overeenkomt, dat het te berechten geval eveneens onder het bereik die wettelijke bepaling moet worden gebracht.

Uit de door appellant uitvoerige aangehaalde wetsgeschiedenis (TK vergaderjaar 1992-1993, 22 824, nr. 3, MvT pag. 46 en nr. 6, MvA, pag. 58) komt duidelijk naar voren dat die bepaling is bedoeld als een op de rechtszekerheid gebaseerde overgangsregeling voor degenen die een op het moment van inwerkingtreding van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium een uitkering ontvingen en direct een groot nadeel zouden ondervinden van die wetswijziging.

Het geval van gedaagde is naar het oordeel van de Raad niet op n lijn te stellen met de door wetgever bedoelde situatie. Weliswaar voldeed gedaagde op 31 juli 1993 aan de vereisten voor het recht op uitkering krachtens de AAW, maar op die datum was hij niet in het genot van een dergelijke uitkering en kon hij ook niet daadwerkelijk aanspraak op een uitkering krachtens die wet maken, nu op die datum niet een besluit voorlag waarbij een dergelijke uitkering was toegekend. Derhalve werd gedaagde niet geconfronteerd met de situatie dat direct een groot nadeel ten gevolge van de onderhavige wetswijziging intrad, terwijl juist voor die situatie de wetgever met een beroep op de rechtszekerheid een overgangsregeling had getroffen.

In overeenstemming met hetgeen de Raad in zijn uitspraak van 10 september 1997, gepubliceerd in RSV 1998/2, heeft overwogen, betekent zulks dat gedaagde geen beroep kon doen op de beschermende werking die genoemd artikel XVI, derde lid, van de Wet TBA op grond van het beginsel van de rechtszekerheid beoogt te geven. Derhalve moet onder "een persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking trad, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering" in de zin van artikel XVI, derde lid, van de Wet TBA worden verstaan de persoon aan wie met betrekking tot bedoelde datum reeds een dergelijke uitkering was toegekend. Dit betekent dat de Raad het standpunt van appellant op dit punt in hoofdzaak onderschrijft en dat het hoger beroep slaagt.

De Raad kan daarbij in dit geding daarlaten of appellant een juiste uitleg heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 25, tweede lid, van de AAW, nu de Raad reeds op grond van het vorenstaande van oordeel is dat gedaagde op 31 juli 1993 geen recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals bedoeld in artikel XVI, derde lid, van de Wet TBA.

Ter bestrijding van de medische en arbeidskundige grondslag van het in het geding zijnde besluit heeft gedaagde in hoger beroep volstaan met ter zitting van de Raad te verwijzen naar hetgeen in eerste aanleg terzake is aangevoerd. De Raad heeft daarin geen aanknopingspunten gevonden de desbetreffende overwegingen van de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden.

De Raad acht in het onderhavige geval geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat dient te worden beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden in tegenwoordigheid van mr. J.W.P van der Hoeven als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2002.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x