Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AE0508
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-01-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit op de grond dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Is betrokkenes grief terecht dat hij niet heeft kunnen kennisnemen van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts terwijl hij zelf had aangegeven geen hoorzitting te willen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/2717 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 17 december 1998 heeft gedaagde naar aanleiding van het verzoek van appellant geweigerd terug te komen van het besluit van zijn rechtsvoorganger, het bestuur van de voormalige Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (hierna mede te noemen: gedaagde), van 6 februari 1978 omdat gebleken is dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat het laatstgenoemde besluit onjuist zou zijn.

Tegen het besluit van 17 december 1998 heeft mr. H.C.M. Schaeken, advocaat te Eersel, bij brief van 30 december 1998 namens appellant bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 29 april 1999 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.

De Rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 14 april 2000 het bij brief van 4 juni 1999 door de gemachtigde van appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 29 april 1999 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De gemachtigde van appellant heeft op bij beroepschrift van 11 mei 2000 aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij brief van 17 augustus 2000 heeft de gemachtigde de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Gedaagde heeft een verweerschrift d.d. 19 september 2000 ingediend.

Bij faxbericht van 23 oktober 2001 heeft de gemachtigde, voornoemd, nog een stuk overgelegd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 november 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar namens gedaagde is verschenen W.J.C. Rademakers, werkzaam bij Gak Nederland B.V., thans Uwv Gak.




II. MOTIVERING


Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de Raad de volgende voor de beoordeling van dit geschil van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant is op 28 juni 1964 uitgevallen voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur als gevolg van een auto-ongeval op die dag, waarbij zijn linkeroog werd beschadigd. Naar aanleiding van de aanvraag van appellant om onder andere een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) heeft verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Blijkens het medisch portret van 9 november 1977 is onder andere sprake van veel hoofdpijn bij lezen of concentreren. Voorts is in een medisch rapport van 2 januari 1978 vastgesteld dat er als gevolg van het auto-ongeval sprake is van een ernstige vermindering van de visus aan het linkeroog en dat appellant als eenogig moet worden beschouwd. Op basis hiervan heeft gedaagde onder andere het in rubriek I van deze uitspraak genoemde besluit van 6 februari 1978 genomen, dat de weigering van een uitkering ingevolge de AAW inhoudt omdat appellant op 1 oktober 1996 niet arbeidsongeschikt was. Tegen dit besluit zijn destijds geen rechtsmiddelen aangewend. De op 26 juli 1993 door appellant ondertekende "melding aaw" heeft aanvankelijk geleid tot een beoordeling door gedaagde op grond van alleen de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het uit deze beoordeling voortvloeiende besluit van gedaagde van 18 mei 1994 is uiteindelijk in hoger beroep bij uitspraak van de Raad van 16 december 1997 vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen en met de opdracht aan gedaagde een nader besluit te nemen met betrekking tot de aanspraken van appellant ingevolge de AAW. Desgevraagd door gedaagde heeft appellant in zijn brief van 18 juni 1998 aangegeven dat zijn verzoek er op is gericht dat gedaagde terugkomt van het besluit van 6 februari 1978. Daartoe heeft appellant onder andere gewezen op zijn mededeling aan de verzekeringsgeneeskundige T. Evenaar inhoudende dat bij de keuring destijds vanwege gedaagde geen aandacht werd besteed aan de problemen met het linkeroog en de toen reeds bestaande postcontusionele verschijnselen. De verzekeringsarts M.H.G.M. Zweipfenning heeft in het rapport van 17 november 1998 gesteld dat er geen medische feiten en klachten naar voren zijn gekomen die geleid zouden kunnen hebben tot een andere beslissing dan destijds op 6 februari 1978. Met betrekking tot de door appellant gestelde psychische klachten na het ongeval gaf deze arts aan dat appellant in verband daarmede nimmer een behandeling heeft ondergaan of een behandelend arts heeft bezocht. Voorts is er vanaf begin 1997 sprake van toegenomen klachten als gevolg van een geheel andere ziekteoorzaak, te weten hartklachten, aldus deze arts. Vervolgens heeft gedaagde het besluit van 17 december 1998 genomen.

Bij brief van 23 februari 1999 heeft de gemachtigde van appellant de gronden van het bezwaar tegen laatsgenoemd besluit ingediend. Daarbij is onder andere gewezen op toegenomen visusklachten en nieuwe problemen aan het hart, alsmede op de noodzaak van het alsnog doen van het reeds door de verzekeringsarts T. Evenaar in het medisch portret van appellant van 22 september 1993 aangewezen geachte onderzoek door een neuroloog. Aan het slot van die brief heeft hij gesteld thans reeds mede te delen dat een nadere mondelinge behandeling vooralsnog niet noodzakelijk wordt geacht. Op 8 maart 1999 is het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van G.J.A. Kasteren-van Delden opgemaakt, waarin is aangegeven dat bij het onderzoek destijds de klachten van appellant zijn onderkend, erkend en betrokken bij de gevalsbehandeling. Voorts heeft deze arts de conclusie van de verzekeringsarts Zweipfenning ten aanzien van de toen beoordeelde datum van 1 oktober 1976 onderschreven. Blijkens een telefoonrapport van gedaagde van 9 maart 1999 heeft de gemachtigde van appellant op een vraag naar aanleiding van de slotzin van zijn brief van 23 februari 1999 geantwoord dat hij niet wacht op nadere gegevens en dat gedaagde zonder hoorzitting een beslissing kan nemen. Vervolgens heeft gedaagde het bestreden besluit genomen, waarin wat betreft het afzien van het houden van een hoorzitting is verwezen naar de verklaring ter zake van de gemachtigde.

In beroep heeft de gemachtigde zijn inhoudelijke bezwaren uit de bezwaarprocedure herhaald. Voorts heeft hij er op gewezen dat appellant de mogelijkheid is onthouden zijn visie op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts kenbaar te maken, nu gedaagde de gemachtigde, toen hij gedaagde liet weten geen prijs te stellen op mondelinge behandeling van het bezwaar, niet heeft medegedeeld dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts alsnog aan de stukken is toegevoegd. Deze gang van zaken acht de gemachtigde in strijd met de goede procesorde en met de vereiste zorgvuldige wijze van voorbereiding van een beslissing op bezwaar.

Blijkens het verweerschrift in eerste aanleg is gedaagde van mening dat, nu het rapport van de bezwaarverzekeringsarts geen feiten of omstandigheden bevat die appellant dan wel zijn gemachtigde nog niet bekend waren, er geen aanleiding is om in het kader van een goede procesorde de reactie van appellant op dit rapport te vragen.

Blijkens de aangevallen uitspraak is de rechtbank in navolging van gedaagde van oordeel dat van evidente onjuistheid van het besluit van 6 februari 1978 niet is gebleken en dat van de zijde van appellant evenmin zodanige feiten en omstandigheden zijn aangedragen dat gedaagde niet had mogen weigeren dat besluit ongedaan te maken. Met betrekking tot het niet kunnen kennisnemen door appellant van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts wees de rechtbank er op dat appellant zelf had aangegeven geen hoorzitting te willen.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de eerder geuite bezwaren in essentie gehandhaafd en heeft gedaagde onder verwijzing naar de stukken verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

De Raad stelt voorop dat hij uit de gang van zaken met betrekking tot het achterwege laten van het horen van appellant in de bezwaarprocedure, zoals deze hiervoor - en in het bestreden besluit samengevat - is weergegeven, afleidt dat gedaagde het bestreden besluit heeft genomen met toepassing van de hem ingevolge artikel 7:3, aanhef en - in dit geval - onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toekomende bevoegdheid welke inhoudt dat van het horen kan worden afgezien indien de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. Van zo'n verklaring is naar het oordeel van de Raad in de slotzin van de meergenoemde brief van de gemachtigde van appellant van 23 februari 1999 zonder meer sprake en de Raad is niet gebleken dat toen van een gebrekkige verklaring namens appellant sprake was.

De Raad is voorts niet tot het oordeel gekomen dat gedaagde in dit geval van de bevoegdheid op grond van artikel 7:3 van de Awb geen gebruik had behoren te maken vanwege het feit dat kort na die brief de bezwaarverzekeringsarts het rapport van 8 maart 1999 uitbracht. Noch de specifieke, op het horen in de bezwaarfase en het toezenden van stukken na dat horen toegespitste bepalingen in afdeling 7.2 van de Awb, noch de overige bepalingen in deze afdeling regelen voor het geval dat van het horen wordt afgezien - strikt genomen - de verplichting voor gedaagde dit als een intern stuk aan te merken rapport ter reactie ter kennis van appellant te brengen. Een dergelijke verplichting valt naar het oordeel van de Raad ook niet te ontlenen aan het in artikel 3:2 van de Awb vervatte zorgvuldigheidsbeginsel dan wel aan hetgeen de beginselen van de goede procesorde, voor zover al van toepassing in de bezwaarprocedure van die beginselen sprake kan zijn, medebrengen. Met gedaagde is de Raad immers van oordeel dat dit rapport ten opzichte van de appellant eerder toegezonden stukken geen nieuwe feiten en/of omstandigheden bevat, welke tot een nadere of aanvullende standpuntbepaling van de zijde van appellant noopt. De Raad merkt in dit verband ten slotte nog op dat ook het als een beleidsregel in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb aan te merken Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 1998, eveneens naar de letter genomen alsmede gezien zijn systematiek, niet behoort te leiden tot het afzien in dit geval van de bevoegdheid van gedaagde op grond van artikel 7:3 van de Awb dan wel tot het aannemen van de verplichting tot toezending van het bedoelde rapport.

Wat betreft de inhoudelijke kant van de zaak heeft gedaagde, zoals ook blijkt uit het bestreden besluit, bezien in samenhang met de onderliggende stukken, geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid neergelegd in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, maar heeft hij de gehele voorliggende situatie opnieuw getoetst. Onder die omstandigheden mag niet worden volstaan met een beoordeling van de vraag of al dan niet sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Gegeven de keuze die gedaagde nu eenmaal voor een ruimere beoordeling heeft gemaakt, behoort in dit geval door de rechter ook de vraag te worden beantwoord of met betrekking tot het eerdere, in rechte onaantastbaar geworden besluit feiten of omstandigheden zijn gebleken die de evidente onjuistheid van dat besluit aantonen.

Ook de Raad beantwoordt deze vragen in het onderhavige geval ontkennend.

Met betrekking tot de aangevoerde hartklachten en de psychische dan wel cognitieve klachten na het ongeval wijst de Raad op het ter zake in het rapport van de verzekeringsarts Zweipfenning gestelde. Van een behandeling voor laatstbedoelde klachten is nimmer sprake geweest. Voorts blijkt uit de aan het besluit van 6 februari 1978 ten grondslag gelegde stukken dat de visusklachten van appellant bekend waren en zijn beoordeeld, alsmede dat gedaagde op de hoogte was van de hoofdpijnklachten van appellant. Voor het doen van een nader medisch onderzoek, waarvoor volgens vaste jurisprudentie in zaken als deze overigens in verband met de aard van de procedure in het algemeen weinig ruimte wordt aangenomen, ziet de Raad dan ook, mede gezien het voorgaande geen aanleiding.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2002.

(get.) J. Janssen.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x