Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AE1693
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-03-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Wegens inkomsten uit arbeid uitbetaling over de periode in geding van de naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80% berekende AAW-uitkering als ware betrokkene ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35-45%. Terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering. Is de hoogte van de in aanmerking te nemen inkomsten uit arbeid gedurende de in geding zijnde periode op de juiste wijze vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/5229 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 24 november 1997 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, met toepassing van artikel 33 van de AAW over de periode van 1 januari 1995 tot 1 januari 1996 wordt uitbetaald als ware appellant ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%, zulks in verband met door appellant in die periode verworven inkomsten uit arbeid.

Bij besluit van 1 december 1997 heeft gedaagde van appellant een bedrag van 3.800,02 ( hierna: 1.724,37) teruggevorderd wegens over de periode van 1 januari 1996 (lees: 1995) tot en met 31 december 1996 (lees: 1995) onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de AAW.

Bij het bestreden besluit van 10 juli 1998 heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 24 november 1997 en 1 december 1997 ongegrond verklaard.
De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 28 augustus 1999 het tegen het besluit van 10 juli 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant is bij gemachtigde mr. J.H.P. Hardy, werkzaam bij de juridische dienst van de Limburgse Organisatie van Zelfstandige Ondernemers te Venlo, van die uitspraak in hoger beroep gekomen en heeft op de gronden uiteengezet in een aanvullend beroepschrift van 9 februari 2000 (vergezeld van een aantal bijlagen) verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 7 maart 2000, ingediend.

Van de zijde van appellant zijn nadien nadere stukken in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 december 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Hardy, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.C.F. Bollen, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een weergave van de te dezen relevante feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met de navolgende overwegingen.

In geding is of gedaagde bij het in rubriek I vermelde besluit van 10 juli 1998 terecht en op goede gronden appellants bezwaren tegen de besluiten van 24 november 1997 en 1 december 1997 ongegrond heeft verklaard.

Partijen verschillen van mening ten aanzien van de beantwoording van de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit de hoogte van de in aanmerking te nemen inkomsten van appellant uit arbeid gedurende de in geding zijnde periode op juiste wijze heeft vastgesteld. In dit verband spitst het geschil zich toe op de vraag of gedaagde bij de vaststelling van de inkomsten van appellant over het jaar 1995 terecht het in dat jaar door de besloten vennootschap Slagerij [X.], waarvan appellant directeur-enig aandeelhouder is, aan appellant betaalde bedrag van f 44.261,- (hierna: 20.084,76) volledig als inkomsten over het jaar 1995 in aanmerking heeft genomen in het kader van de toepassing van artikel 33 AAW.
Voorts verschillen partijen van mening ten aanzien van de beantwoording van de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit terecht heeft aangenomen dat over het jaar 1995 onverschuldigd uitkering ingevolge de AAW is betaald voor een bedrag van 1.724,37. Ten slotte is tussen partijen in geschil of de onverschuldigde betaling appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van 28 augustus 1999 uiteengezet dat, en op welke gronden, het bestreden besluit naar haar oordeel in al zijn onderdelen in rechte stand kan houden.

In hoger beroep is van de zijde van appellant ten aanzien van het bij het bestreden besluit gehandhaafde kortingsbesluit van 24 november 1997 aangevoerd dat de door hem uit de besloten vennootschap genoten inkomsten niet volledig zijn aan te merken als inkomsten uit arbeid. Naar appellants oordeel bestaat het op het aangiftebiljet inkomstenbelasting 1995 vermelde bedrag aan genoten inkomsten vanuit de besloten vennootschap ad 20.084,76 voor een deel uit salaris voor verrichte (management)werkzaamheden en voor een deel uit de doorbetaling van de uitkeringsgelden ten bedrage van f 2.252,- ( 1.021,92) per maand ingevolge de tussen appellant en Centraal Beheer Schadeverzekering N.V. (hierna: Centraal Beheer) gesloten particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke doorbetaling niet kan worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid voor de toepassing van artikel 33 AAW.

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

De Raad onderschrijft het hiervoor verwoorde standpunt van appellant. Voor de Raad is op grond van de ter zake dienende gegevens met een genoegzame mate van zekerheid komen vast te staan dat het bedrag dat over het jaar 1995 aan appellant door de besloten vennootschap is betaald is opgebouwd uit diverse componenten. Naast een deel dat bestaat uit salaris voor tegenwoordige arbeid is er een deel dat appellant heeft ontvangen als doorbetaling van de door Centraal Beheer op rekening van de besloten vennootschap overgemaakte uitkeringsgelden uit hoofde van de tussen appellant en Centraal Beheer gesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering. Laatstgenoemde inkomsten kunnen niet worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid die voor toepassing van het kortingsartikel in aanmerking komen.
Daartoe overweegt de Raad dat op grond van de overgelegde gegevens van de zijde van appellant niet alleen blijkt dat de particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering bij Centraal Beheer het risico van arbeidsongeschiktheid van appellant verzekert, maar ook dat de verzekering is gesloten tussen Centraal Beheer en appellant in persoon, waarmee appellant rechthebbende op de door Centraal Beheer verstrekte uitkering is.
Het gegeven dat de premies voor de particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering werden betaald door de besloten vennootschap alsmede het gegeven dat de uitkering door Centraal Beheer werd gestort op de rekening van de vennootschap kan er niet aan afdoen dat de vennootschap verplicht was de ontvangen verzekeringsgelden van Centraal Beheer door te betalen aan de rechthebbende op grond van de polis, zijnde appellant, hetgeen naar 's Raads oordeel ook feitelijk is geschied.

De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de door appellant in 1995 vanuit de vennootschap verworven inkomsten voor een substantieel deel, te weten voor een bedrag van ca. f 26.500,- ( 12.025,18), niet met het verrichten van arbeid zijn verkregen.
De aanwezige gegevens leiden er toe dat vergelijking van het maatmaninkomen van appellant van f 81.575,- ( 37.017,12) met het totaal van de door hem in het jaar 1995 gegenereerde inkomsten uit arbeid van ca. f 24.938,- ( 11.316,37) resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van ruim 69%. Dit betekent dat toepassing van artikel 33 van de AAW over het jaar 1995 niet aan de orde kan zijn, omdat appellants uitkering ingevolge de AAW over het jaar 1995 reeds wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen het kortingsbesluit van 24 november 1997 ongegrond is verklaard voor vernietiging in aanmerking komt. Dat brengt tevens mee dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij genoemd deel van het bestreden besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in
aanmerking komt.
Nu gedaagde geen andere beslissing op bezwaar tegen het kortingsbesluit van 24 november 1997 zal kunnen nemen dan de gegrondverklaring ervan gevolgd door de intrekking van het besluit van 24 november 1997, terwijl de instandlating van dit besluit vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid ongewenst moet worden geoordeeld, zal de Raad ook dat besluit vernietigen met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad overweegt voorts dat nu het kortingsbesluit betreffende het jaar 1995 niet in stand kan blijven, de grondslag aan de beslissing tot terugvordering over de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1995 is komen te ontvallen, zodat ook het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen de beslissing tot terugvordering van 1 december 1997 ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komt, alsmede de aangevallen uitspraak waarbij dit deel van het bestreden besluit in stand is gelaten. Op de gronden als hiervoor aangegeven, zal de Raad ook het besluit van
1 december 1997 vernietigen met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.

In het voorgaande ziet de Raad termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand en 18,86 als reiskosten in beroep, en op 644,- voor verleende rechtsbijstand en 23,28 als reiskosten in hoger beroep, totaal derhalve 1.330,14.

Ten slotte stelt de Raad vast dat het door appellant betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit, alsmede de besluiten van 24 november 1997 en 1 december 1997;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 1.330,14, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal 102,12 (voorheen f 225,- ) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2002.

(get.) J. Janssen.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x