Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AE3340
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-01-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en niet-uitbetaling over de jaren 1994, 1995 en 1995 van de AAW-uitkering wegens inkomsten uit arbeid, waartegen betrokkene geen rechtsmiddel heeft aangewend. Heeft de rechtbank terecht het bestreden terugvorderingsbesluit vernietigd onder de overweging dat het Lisv niet tot terugvordering bevoegd was omdat het betrokkene niet redelijkerwijs duidelijk heeft behoeven te zijn dat hem over de jaren 1994, 1995 en 1996 te veel uitkering werd uitbetaald?
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/3274 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder dagtekening 6 mei 1999 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. J.C. Lang, advocaat te Helmond, bij schrijven van 11 november 1999 (met bijlage) van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 november 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Kessels, werkzaam bij Gak Nederland B.V., en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.A. Braams, kantoorgenoot van mr. Lang, voornoemd, als zijn raadsman.




II. MOTIVERING


Gedaagde, als zelfstandige werkzaam in een hem in mede-eigendom toebehorende groothandel in staal, ontving sedert 1988 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Van jaar tot jaar heeft gedaagde appellant inlichtingen verstrekt over zijn financiële situatie, waaronder het hem toekomende aandeel in de winst van dit bedrijf. Een en ander heeft aanvankelijk geen gevolgen gehad voor de naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% berekende uitkering van gedaagde. Na een bedrijfsbezoek op 5 januari 1995 heeft de arbeidsdeskundige van appellant de conclusie getrokken dat de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde onveranderd 65 tot 80% bedroeg en dat korting van de uitkering in verband met zijn winstaandeel niet aan de orde was. Op grond van begin 1997 ingesteld onderzoek heeft appellant evenwel bij besluit van 26 juni 1997 besloten dat de uitkering van gedaagde over de jaren 1994, 1995 en 1996 wegens inkomsten uit arbeid niet meer wordt uitbetaald. Voorts heeft appellant bij besluit van gelijke datum besloten de uitkering van gedaagde per 1 januari 1997 in te trekken. Tegen deze besluiten heeft gedaagde geen rechtsmiddel aangewend. Appellant heeft vervolgens bij besluit van 18 juli 1997 van gedaagde een bedrag van f 15.521,09 (€ 7.043,16) netto aan over de periode 9 april 1995 tot 1 december 1996 ten onrechte verstrekte AAW-uitkering teruggevorderd, welke terugvordering bij op bezwaar genomen besluit van 13 februari 1998 (het bestreden besluit) is gehandhaafd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat appellant met betrekking tot de periode 9 april 1995 tot 1 augustus 1996 niet tot terugvordering bevoegd was omdat het gedaagde niet redelijkerwijs duidelijk heeft behoeven te zijn dat hem over de jaren 1994, 1995 en 1996 teveel uitkering werd uitbetaald. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde erop mocht vertrouwen dat de aan hem verstrekte uitkering terecht was, omdat appellant volledig op de hoogte was van gedaagdes inkomsten, in 1995 nog door de arbeidsdeskundige een bezoek aan het bedrijf was gebracht en dat niet eerder dan in 1997 actie is ondernomen.

Met betrekking tot de terugvordering van de AAW-uitkering over de periode 1 augustus 1996 tot 1 december 1996 heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid en genomen, omdat niet gebleken was van enige overweging aan de zijde van appellant of sprake was van dringende redenen als bedoeld in artikel 48 van de AAW, zoals deze bepaling sinds 1 augustus 1996 luidt, om van terugvordering af te zien.

Op grond hiervan heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd.

Het hoger beroep van appellant richt zich tegen evenvermelde oordelen van de rechtbank.

De Raad overweegt als volgt.

Bij onherroepelijk geworden besluit van 26 juni 1997 heeft appellant, voor zover in dit geding van belang, het winstaandeel van gedaagde over 1995 gesteld op f 94.474,- (€ 42.870,43) en in 1996 op f 60.087,- (€ 27.266,29). Deze inkomsten liggen beduidend hoger respectievelijk ongeveer gelijk aan de inkomsten die gedaagde, naar de Raad ontleent aan het rapport van 6 februari 1997 van de arbeidsdeskundige G. van der Velden, voor de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid als winstaandeel uit zijn bedrijf heeft ontvangen.

Reeds gelet hierop moet het gedaagde redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat hem onverschuldigd uitkering is betaald. De omstandigheid dat hij eerst achteraf bekend wordt met de door hem ontvangen inkomsten, omdat de jaarstukken eerst na afloop van het kalenderjaar worden opgesteld, maakt dit niet anders. Als zelfstandige dient gedaagde er nu eenmaal rekening mee te houden dat eerst achteraf aan de hand van de jaarstukken de rechtmatigheid van de uitkering kan worden vastgesteld en dat in voorkomend geval wordt teruggevorderd.

De omstandigheid dat appellant over voorgaande jaren niet tot korting van gedaagdes uitkering en tot terugvordering van reeds betaalde bedragen is overgegaan, brengt, anders dan door de rechtbank is aangenomen, niet met zich mee dat appellant van terugvordering had behoren af te zien. In de eerste plaats wijst de Raad erop dat van jaar tot jaar moet worden bezien of er aanleiding is voor korting, hetgeen telkenjare een zelfstandige beoordeling door het uitvoeringsorgaan vergt van de op het beoordelingsjaar betrekking hebbende inkomensgegevens aan de hand van de alsdan vigerende wettelijke bepalingen. De Raad wijst er voorts op dat de onderhavige terugvorderingsbepaling mede gegeven is met het oog op herstel van eerder gemaakte fouten door het uitvoeringsorgaan in het geval dat aan de betrokken uitkeringsgerechtigde geen verwijt kan worden gemaakt.

Ten slotte acht de Raad de omstandigheid dat de arbeidsdeskundige in 1995 geen aanleiding heeft gezien voor korting evenmin eraan in de weg kan staan dat bij het bestreden besluit tot terugvordering is besloten. Blijkens de gedingstukken hield het onderzoek van de arbeidsdeskundige verband met de inkomstengegevens over 1993 en had derhalve geen betrekking op het door het bestreden besluit bestreken tijdvak.

Ten aanzien van de terugvordering van uitkering over het tijdvak 1 augustus 1996 tot 1 december 1996 volgt de Raad de rechtbank niet dat appellant bij het nemen van het bestreden besluit zich had dienen te vergewissen of sprake was van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Daartoe is het uitvoeringsorgaan alleen gehouden als door de betrokkene een beroep wordt gedaan op het bestaan van dringende redenen of indien van omstandigheden blijkt die op de aanwezigheid van zo'n uitzonderlijk geval kunnen duiden. In de bezwaarfase van dit geding is een dergelijk beroep door of namens namens gedaagde niet gedaan. Niet gezegd kan worden dat anderszins aan appellant is kunnen blijken van omstandigheden die op het bestaan van dringende redenen kunnen duiden. Onder verwijzing naar hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen met betrekking tot het karakter van de onderwerpelijke terugvorderingsbepaling, mede dienend tot herstel van eertijds gemaakte fouten, ziet de Raad geen aanwijzing voor dringende redenen gelegen in de omstandigheid dat gedaagde in de bezwaarfase heeft aangevoerd dat appellant over voorgaande jaren niet tot korting en terugvordering is overgegaan.

Het hiervoor overwogene in aanmerking nemend komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking en dient het inleidend beroep alsnog ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2002.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.E. Nijdam.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x