Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AE4595
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-05-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Nu het UWV nader van mening is dat betrokkene per 1 januari 1997 ongewijzigd aanspraak heeft op een uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% en dat de terugvordering teruggedraaid dient te worden, ligt het bestreden besluit voor vernietiging gereed. Toewijzing van renteschadevergoeding. Nadere vaststelling van de belastingschade.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 00/3756 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 4 februari 1998 heeft gedaagde de aan appellant toegekende uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 1 januari 1997 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Bij besluit van 11 februari 1998 heeft gedaagde de over de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 januari 1998 onverschuldigd betaalde uitkering tot een bedrag van f 4.634,53 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 13 oktober 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen voormelde besluiten ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juni 2000 heeft de rechtbank Roermond het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld op door zijn gemachtigde mr. J.T.R. Lucassen, advocaat te Blerick, aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 november 2001 heeft de gemachtigde van appellant een aantal nadere stukken in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 november 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.C.F. Bollen. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst ten einde gedaagde in de gelegenheid te stellen zich nader te beraden.

Bij brief van 18 januari 2002 heeft gedaagde de Raad bericht dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 januari 1997 ongewijzigd dient te worden vastgesteld op 45 tot 55%, aangezien sociaal loon bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing dient te blijven en er verder geen enkele wijziging in de werkzaamheden van appellant heeft plaatsgevonden.

Bij brief van 1 februari 2002 heeft de gemachtigde van appellant de Raad bericht dat hij, gelet op het gewijzigde standpunt van gedaagde, zijn vordering - te weten de vernietiging van de besluiten van 4 en 11 februari 1998 - handhaaft en dat appellant aanspraak maakt op vergoeding van wettelijke rente en belastingschade alsmede vergoeding van proceskosten.

Bij brief van 15 april 2002 heeft gedaagde bericht dat zijn gewijzigde standpunt uiteraard consequenties heeft voor de terugvordering; hetgeen appellant op die terugvordering heeft betaald, zal worden gerestitueerd. Over die restitutie en de eventueel nog na te betalen uitkering zal gedaagde, conform de daarvoor in de jurisprudentie van de Raad gevormde regels, de wettelijke rente vergoeden. Indien er door het nabetalen, en ná toepassing van de uitsmeerregeling in de belastingsfeer, belastingschade zou zijn, dan zal gedaagde die schade eveneens vergoeden.

Partijen hebben schriftelijk ingestemd met afdoening zonder verdere zitting.

De meervoudige kamer heeft de zaak ter afdoening verwezen naar de enkelvoudige kamer.




II. MOTIVERING


Nu gedaagde nader van mening is dat appellant per 1 januari 1997 ongewijzigd aanspraak heeft op een uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, en dat de terugvordering teruggedraaid dient te worden, ligt het bestreden besluit voor vernietiging gereed. In verband hiermee zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen, het inleidend beroep alsnog gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Raad acht voorts termen aanwezig om voorts, zelf in de zaak voorziende, de besluiten van 4 en 11 februari 1998 te vernietigen.

De door appellant gevorderde wettelijke rente komt, conform 's Raads vaste jurisprudentie, met toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vergoeding in aanmerking.

Aangezien nog niet bekend is of appellant belastingschade zal lijden, en zo ja, tot welk bedrag zal de Raad ter voorbereiding van een nadere uitspraak daarover het onderzoek met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb heropenen. Aan gedaagde wordt bij dezen opgedragen om, op basis van door appellant aan te leveren gegevens, een standpunt in te nemen omtrent (de hoogte van) de belastingschade en dit standpunt aan de Raad kenbaar te maken.

De Raad acht voorts termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten, welke kosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op € 644,- ter zake van in beroep verleende rechtsbijstand en op € 644,- ter zake van in hoger beroep verleende rechtsbijstand, alsmede € 37,59 aan reiskosten voor het bijwonen van de zitting, derhalve in totaal € 1.325,59.

Het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen dient ten slotte het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 27,23 (f 60,-) respectievelijk € 77,14 (f 170,-), derhalve in totaal € 104,37, aan hem te vergoeden.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep alsnog gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Vernietigt de besluiten van 4 en 11 februari 1998;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van renteschade als hierboven vermeld;
Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de vergoeding van belastingschade;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van proceskosten tot een bedrag van € 1.325,59, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 104,37 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2002.

(get.) J. Janssen.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x