Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AE4671
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-04-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep omdat appellant is overleden en de CRvB niet is gebleken van erfgenamen die van rechtswege appellant als partij in de onderhavige gedingen zijn opgevolgd.
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/8166 AAW/WAO en 98/8167 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

wijlen [A.], in leven laatstelijk gewoond hebbende te [B.], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 10 maart 1998 heeft gedaagde geweigerd om terug te komen van zijn beslissing van 13 september 1991, inhoudende dat appellants uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) onder toepassing van de artikelen 34 van de AAW en 45 van de WAO met ingang van 1 april 1991 niet tot uitbetaling komen.

Bij besluit van 27 maart 1998, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 maart 1998 ongegrond verklaard.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 19 oktober 1998 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. C.H.M. Geraedts, advocaat te Brunssum, bij beroepschrift van 27 november 1998 van die uitspraak in hoger beroep gekomen, waarna de gemachtigde bij schrijven van 29 juni 1999 - annex bijlagen - de gronden heeft aangegeven waarop het beroep rust. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Bij brief gedateerd 12 april 2001 heeft appellants gemachtigde aan de Raad laten weten dat appellant is overleden.

Bij brief van 15 februari 2002 heeft de gemachtigde aan de Raad medegedeeld dat de nalatenschap door de naaste bloedverwanten is verworpen.

De Raad heeft op 8 maart 2002 in de Staatscourant doen aankondigen dat de onderhavige zaken bij hem aanhangig zijn en dat deze op 12 maart 2002 ter zitting van de Raad behandeld zullen worden.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 12 maart 2002, waar de gemachtigde van appellant, zoals tevoren was bericht, niet is verschenen, terwijl namens gedaagde niemand is verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad zal eerst ingaan op de vraag of, gezien de in rubriek I beschreven feiten, het hoger beroep (nog) ontvankelijk is te achten.

Naar het oordeel van de Raad is dat niet het geval.

De Raad merkt daartoe op dat de insteller van het hoger beroep, [A.], is overleden. Naar het oordeel van de Raad kan, mede gelet op het feit het in de onderhavige zaken zuiver om een financieel belang gaat, niet worden gezegd dat de overledene enig belang heeft bij de voortzetting van de gedingen.

Blijkens de door mr. Geraedts aan de Raad toegezonden stukken is de nalatenschap van appellant door de naaste bloedverwanten verworpen. De Raad is niet gebleken van andere erfgenamen die van rechtswege appellant als partij in de onderhavige gedingen zijn opgevolgd.

Na 's Raads oproep in de Staatscourant hebben geen belanghebbenden verzocht om als partij aan de gedingen deel te nemen.

De Raad concludeert dat het belang bij de voortzetting van het hoger beroep in de onderhavige gedingen is komen te vervallen, zodat het ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 april 2002.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.D. Streefkerk.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x