Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AE5848
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-05-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening AAW-uitkering en nadere vaststelling naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Zijn de medische beperkingen (visusklachten) van betrokkene juist vastgesteld? Betrokkene dient in staat te worden geacht gedurende vier uur per dag lees- en schrijfwerk te verrichten zoals voorkomt in zijn functie als advocaat. Betrokkene is ten onrechte in staat geacht om gedurende zeven uur per dag genoemde werkzaamheden te verrichten.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/81 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen.

Bij besluit van 13 juni 1995 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, met ingang van 9 augustus 1995 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 25 november 1999 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant is bij beroepschrift van 3 januari 2000, aangevuld bij brief van 15 mei 2000, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft dr. H. Punt, oogarts te Utrecht, onder dagtekening 21 november 2001 van verslag en advies gediend.

Gedaagde heeft bij brief van 17 januari 2002 op dit rapport gereageerd.

Desgevraagd heeft dr. Punt bij brief van 16 februari 2002 nader gerapporteerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 april 2002, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich, met voorafgaand bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Aan appellant, werkzaam als gespecialiseerd advocaat, is in verband met beperkingen voor zelfstandige arbeid wegens visusklachten met ingang van 7 mei 1993 uitkering ingevolge de AAW toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Op 5 december 1994 is appellant gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts J.P.M. Joosten. Na ontvangen informatie van de behandelende oogartsen heeft Joosten in zijn rapportage algemeen van 13 februari 1995 geconcludeerd dat appellant, uitgaande van een maatman met een werkdag van 12 uur, in staat moet worden geacht om steeds 2 uur achtereen, gevolgd door een rustpauze van 1 uur, te werken. Naar blijkt uit de rapportage algemeen van 11 mei 1995 van de arbeidsdeskundige M.J. Geurtsen is deze na overleg met Joosten tot de conclusie gekomen dat appellant, met rustpauzes, 7 uur per dag kan werken, hetgeen op basis van een urenvergelijking leidde tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 41,6%. Vervolgens is het in rubriek I vermelde bestreden besluit genomen.

De rechtbank heeft op grond van de door appellant overgelegde rapportages uit 1993 van zijn toenmalige behandelend oogarts prof. dr. A.F. Deutman en van de deskundige prof. dr. G.M. Bleeker, alsmede de (aanvullende) verslagen van de door de rechtbank benoemde deskundige oogarts D. Booij, geoordeeld dat gedaagde de medische beperkingen van appellant juist heeft vastgesteld en het beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het bestreden besluit fundamenteel onzorgvuldig is. Appellant meent dat de medische bevindingen van de oogarts/deskundige Booij niet afwijken van die van de oogartsen prof. Bleeker en
J.R.M. Cruysberg, welke weer aansluiten bij de bevindingen van prof. Deutman. Zij allen constateren het na kortere of langere tijd ontstaan van dubbelbeelden met daarbij hinder van glasvochttroebelingen in beide ogen, rechts in grotere mate dan links. Prof. Bleeker acht de mate van arbeidsongeschiktheid, rekening houdend met de beroepsomstandigheden van een advocaat en procureur, 50%. Appellant heeft erop gewezen dat alleen de oogarts Booij een onderscheid maakt tussen de binoculaire en monoculaire situatie. In de binoculaire situatie acht hij appellant volledig arbeidsongeschikt, in de monoculaire situatie zou appellant volgens deze deskundige zonder schade aan zijn gezondheid 7 uur per dag kunnen werken, zij het dat de vraag wat voor mogelijkheden er zijn om monoculair (met één afgeplakt oog) te kunnen functioneren een vraag is die in de curatieve sector moet worden beantwoord.
De rechtbank gaat, aldus appellant, aan de wezenlijk verschillende benadering door Booij ten opzichte van de andere deskundigen geheel voorbij. Voorts stelt appellant dat de rechtbank miskent dat het uitschakelen van een - nog steeds - vitaal lichaamsdeel teneinde een door gedaagde voorgestane arbeidsinzet te bereiken te ver gaat, omdat dit een aantasting betekent van de lichamelijke integriteit.
Tenslotte heeft appellant opgemerkt dat de rechtbank hem voorafgaande aan de zitting niet in de gelegenheid heeft gesteld op het rapport van Booij te reageren en in haar uitspraak geheel aan de ter zitting gegeven reactie van appellant voorbij is gegaan.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 8:47, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient de rechtbank partijen in het kader van het vooronderzoek in de gelegenheid te stellen hun schriftelijke zienswijze op het rapport van een deskundige naar voren te brengen. Uit de brieven van de rechtbank aan gedaagde en appellant blijkt dat een desbetreffende clausule in de brief aan gedaagde is opgenomen, maar in de brief aan appellant ontbreekt. De Raad acht dit een ernstige omissie, maar zal daaraan in het onderhavige geval geen consequenties verbinden. Niet alleen heeft appellant ter zitting van de rechtbank alsnog op het rapport van de deskundige Booij kunnen reageren, maar tevens heeft de rechtbank vervolgens de zaak heropend en de deskundige Booij gevraagd onder meer op de pleitnotitie van appellant een reactie te geven, hetgeen deze ook heeft gedaan. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat de omissie van de rechtbank in het vooronderzoek in het kader van het onderzoek ter zitting en de heropening van het vooronderzoek voldoende is hersteld en dat appellant door vorenvermelde gang van zaken niet in zijn procespositie is geschaad.

De Raad heeft dr. Punt gevraagd ten aanzien van appellant te rapporteren. In zijn verslag van 21 november 2001 concludeert Punt dat bij appellant sprake is van myopia gravior aan beide ogen, gecorrigeerd met brillenglazen, status na netvlieslosraking van het rechteroog, die in juni 1992 is verholpen met een laserbehandeling, glasvochttroebeling rechts meer dan links en een stoornis in binoculair zien. Deze toestand bestond ook reeds op 9 augustus 1995 en duidelijke verandering is niet te verwachten. Uitgaande van de huidige oogheelkundige status van appellant en de huidige optische hulpmiddelen die hij daarvoor gebruikt zullen wegens de zwakke binoculaire status van appellant in de loop van de dag dubbelbeelden ontstaan en dientengevolge astenopische klachten. Dit heeft tot gevolg dat de patiënt fysiek en visueel vermoeid raakt. Doorgaan met werken zou ten koste gaan van het tempo en de kwaliteit van het werk. Afplakken van het rechteroog van appellant zal het dubbelzien doen wegnemen, maar dan is appellant aangewezen op het linkeroog. Dit zal vermoeiend zijn omdat appellant daaraan niet gewend is. Bovendien gaat het afplakken van een oog ten koste van het samenwerken van beide ogen, hetgeen uiteindelijk weer ten koste kan gaan van het fusievermogen, waardoor eerder diplopie ontstaat.
De deskundige acht appellant in staat om zonder afplakken van het rechteroog verspreid over de gehele dag 4 uur schrijf- en leeswerk te doen en 4 uur werkzaamheden waaraan geen schrijf- en leeswerk is gerelateerd. Indien dit laatste niet mogelijk is, komt de arbeidsongeschiktheid van appellant uit op 50%. In zijn nader rapport, uitgebracht naar aanleiding van de reactie van de verzekeringsarts Joosten, heeft Punt zijn standpunt onverminderd gehandhaafd.
De Raad ziet, mede in aanmerking genomen de overige beschikbare medische informatie, met name de informatie afkomstig van de professoren Bleeker en Deutman, geen aanleiding om de opvatting van de deskundige Punt niet te volgen. Appellant dient derhalve in staat te worden geacht gedurende 4 uur per dag lees- en schrijfwerk te verrichten zoals voorkomt in zijn functie als advocaat. Gedaagde heeft dan ook ten onrechte appellant in staat geacht om gedurende 7 uur per dag genoemde werkzaamheden te verrichten. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 5, eerste lid, van de AAW en komt voor vernietiging in aanmerking, waardoor de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en in hoger beroep op € 209,76 aan reiskosten voor bezoek aan de deskundige. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht door het Uwv dient te worden vergoed.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 322,- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 209,76 aan reiskosten, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 99,83 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2002.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x