Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AE6258
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-05-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening AAW-uitkering en nadere vaststelling naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Zijn betrokkenes beperkingen, met name de uit zijn hartklachten voortvloeiende beperkingen, onderschat en is hij op de datum in geding volledig buiten staat tot het verrichten van loonvormende arbeid? Het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke motivering. Toewijzing van renteschadevergoeding.
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/5411 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 4 juli 1997 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 2 augustus 1997 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Namens appellant heeft mr. Y. Reichardt, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, bij bezwaarschrift van 7 augustus 1997 tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Evenvermeld bezwaar is door gedaagde bij besluit van 16 november 1998 ongegrond verklaard.

Mr. Reichardt, voornoemd, heeft namens appellant bij beroepschrift van 22 december 1998 beroep ingesteld tegen het besluit van 16 november 1998 (hierna: het bestreden besluit).

De rechtbank Middelburg heeft dat beroep bij uitspraak van 7 oktober 1999 ongegrond verklaard.

Appellants gemachtigde heeft bij beroepschrift van 26 oktober 1999 hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak. De gronden waarop het beroep rust zijn aangevoerd bij aanvullend beroepschrift van 3 maart 2000, met bijlage.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 3 april 2000, ingediend.

Bij brief van 18 mei 2001 heeft de Raad gedaagde een vraag gesteld, welke door gedaagde is beantwoord bij schrijven van 26 juli 2001, met bijlage.

Bij brief van 3 augustus 2001 heeft appellant zijn standpunt nader doen toelichten, op welke brief gedaagde op verzoek van de Raad heeft gereageerd bij schrijven van 6 september 2001.

Appellants gemachtigde heeft desgevraagd bij brief van 17 oktober 2001 een reactie op laatstvermeld schrijven ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 april 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Reichardt, voornoemd, en waar gedaagde zich met voorafgaand bericht niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


In geding is de vraag of het bestreden besluit van 16 november 1998 in rechte stand kan houden. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is op 5 mei 1986 wegens hartklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als zelfstandig vis- en snackverkoper. In 1986 heeft hij een hartoperatie ondergaan. Met ingang van 4 mei 1987 is appellant door gedaagde in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de AAW, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke uitkering vervolgens bij besluit van 17 maart 1994 is ingetrokken met ingang van 16 april 1994, aangezien appellant naar het oordeel van gedaagde ingaande laatstgenoemde datum weer volledig geschikt was te achten voor de eigen arbeid. De rechtbank Middelburg heeft het beroep tegen dat besluit bij uitspraak van 14 maart 1997 ongegrond verklaard. Namens appellant is tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 26 januari 2000, zaaknummer 97/3562 AAW, heeft de Raad evenvermelde uitspraak van de rechtbank d.d. 14 maart 1997 bevestigd.

Appellant, die wegens het niet goed functioneren van zijn zoon - die appellant in het bedrijf was opgevolgd - zijn arbeid weer zelf ter hand had genomen, is op 20 november 1996 opnieuw voor die arbeid uitgevallen, wegens toegenomen hartklachten. In verband daarmee heeft gedaagde appellant met inachtneming van een wachttijd van vier weken, met ingang van 18 december 1996, weer in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de AAW, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant heeft zijn bedrijf op 2 januari 1997 verkocht.

Bij besluit van 4 juli 1997, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit van 16 november 1998, heeft gedaagde de AAW-uitkering van appellant ingaande 2 augustus 1997 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Hieraan ligt de opvatting ten grondslag dat appellant niet langer geschikt is te achten voor de eigen vroegere maatgevende arbeid, maar nog wel in staat is tot het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de door gedaagdes arbeidsdeskundige als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden geselecteerde functies. Met die functies zou appellant nog een zodanig inkomen kunnen verdienen dat in vergelijking met het in aanmerking te nemen maatgevende inkomen sprake is van een verlies van verdienvermogen van - iets - minder dan 55%, derhalve leidend tot indeling in evengenoemde klasse.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit zowel grieven van medische als van arbeidskundige aard aangevoerd.

Zijn medische grieven komen in essentie hierop neer dat appellant meent dat zijn beperkingen, met name de uit zijn hartklachten voortvloeiende beperkingen, vanwege gedaagde zijn onderschat en dat hij op de datum in geding volledig buiten staat is tot het verrichten van loonvormende arbeid. In dit verband is namens appellant in het bijzonder erop gewezen dat hij inmiddels, sedert 13 februari 1998, weer een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgt. Appellant meent dat zijn medische situatie ten tijde in dit geding van belang niet wezenlijk verschillend was van die per februari 1998, in verband waarmee hij zich op het standpunt stelt dat hij op 2 augustus 1997 - en sedertdien doorlopend - volledig arbeidsongeschikt is.

De arbeidskundige grieven van appellant betreffen de vaststelling van het maatgevende inkomen, in het bijzonder de daarbij door gedaagde gebruikte indexeringscijfers.

De Raad kan appellant in navolging van de rechtbank niet volgen in diens medische bezwaren. Gelijk de rechtbank heeft gedaan, heeft de Raad daarbij in aanmerking genomen dat gedaagdes verzekeringsarts bij het opstellen van het belastbaarheidspatroon is afgegaan op de eigen onderzoeksbevindingen en daarnaast informatie heeft ingewonnen bij de behandelend cardioloog van appellant. Van de zijde van appellant zijn geen medische gegevens ingebracht die steun bieden aan de opvatting dat door die verzekeringsarts onvoldoende rekening is gehouden met de door de cardioloog verstrekte gegevens of dat anderszins de beperkingen van appellant, ook die op het psychische vlak, zijn onderschat. Aan de Raad is niet kunnen blijken van objectief-medische aanknopingspunten om de beperkingen verder aan te scherpen. Zulke aanknopingspunten acht de Raad ook niet gelegen in de omstandigheid dat appellant per 13 februari 1998 weer in het genot is gesteld van een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering. Blijkens de beschikbare gegevens berust die ophoging op een na de hier in geding zijnde datum opgetreden achteruitgang van appellants - door zijn cardioloog reeds eerder als niet-stabiel omschreven - gezondheidssituatie.

De Raad concludeert aldus dat gedaagde bij het nemen van het bestreden besluit van de juiste medische beperkingen is uitgegaan. Voor de Raad staat tevens genoegzaam vast dat appellant, gegeven de voor hem van toepassing te achten beperkingen, terecht in staat is geacht tot het verrichten van de werkzaamheden als verbonden aan de door gedaagdes arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

Niettemin kan het bestreden besluit op grond van het volgende niet in stand blijven.

Gedaagdes arbeidsdeskundige heeft ter bepaling van appellants resterende verdiencapaciteit een zestal functies geselecteerd, waarbij, naar de Raad afleidt uit het rapport van gedaagdes bezwaararbeidsdeskundige van 25 augustus 1998, de mediane loonwaarde is ontleend aan het loon van de middelste van de vijf hoogstbelonende functies. Daarbij is ervan uitgegaan dat bij de onderhavige schatting het arbeidsongeschiktheidscriterium van toepassing is zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan 1 augustus 1993, het zogeheten middencriterium.

De Raad stelt evenwel vast dat gelet op het bepaalde in artikel 32a van de AAW per 18 december 1996 een nieuwe toekenning van appellants AAW-uitkering heeft plaats gehad, zodat op hem het arbeidsongeschiktheidscriterium van toepassing is zoals dat ingaande 1 augustus 1993 is komen te luiden. Hieruit vloeit voort dat, voor zover hier van belang, op de onderhavige schatting ook van toepassing zijn de regels als vervat in de artikelen 2 en 3 van het Schattingsbesluit van 5 augustus 1994. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van dat Schattingsbesluit moet bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid die algemeen geaccepteerde arbeid in aanmerking worden genomen waarmee betrokkene het meest kan verdienen, waarbij echter ingevolge artikel 2, aanhef en onder f, van genoemd besluit functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden buiten beschouwing dienen te blijven, tenzij deze toeslagen wel zijn meegenomen bij de vaststelling van het maatmaninkomen. Genoemd onderdeel f blijft volgens artikel 2, aanhef en onder g, van het Schattingsbesluit buiten toepassing indien uitsluitend arbeid kan worden verricht in afwijkende arbeidstijden.

De Raad stelt vast dat de gedingstukken geen aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat in het voor appellant geldende maatmaninkomen toeslagen voor afwijkende arbeidstijden zijn begrepen. Het enkele feit dat appellant in zijn maatmanfunctie ongeveer 70 uur per week werkzaam was acht de Raad, mede gezien de aard van het bedrijf, onvoldoende om het ervoor te houden dat in het maatgevende inkomen toeslagen in de hiervoor bedoelde zin zijn opgenomen.

Verder overweegt de Raad dat vanwege gedaagde ter bepaling van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid de volgende functies zijn geselecteerd:
1. procesoperator voedingsmiddelenindustrie, fb-code 7790, 7 arbeidsplaatsen
2. drukkerijhulparbeider, fb-code 9714, 1 arbeidsplaats
3. inpakoperator, fb-code 9017, 8 arbeidsplaatsen
4. monteur koffiezetters, fb-code 8539, 100 arbeidsplaatsen
5. wikkelaar ringkernen, fb-code 8535, 7 arbeidsplaatsen
6. bediende vulmachine, fb-code 7771, 1 arbeidsplaats

De functies 1 en 3 kennen blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst wisselende diensten. De Raad gaat ervan uit dat in de beloning van deze functies toeslagen zijn opgenomen voor afwijkende arbeidstijden, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder f, van het Schattingsbesluit. Nu tevens kan worden vastgesteld dat zich hier niet de uitzonderingssituatie voordoet als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder g, van dat Besluit, concludeert de Raad dat beide vorenvermelde functies niet aan de onderhavige schatting ten grondslag kunnen worden gelegd.

De resterende 4 functies vormen in het licht van de aan een schatting te stellen getalsmatige eisen, hierop neerkomend dat een schatting dient te berusten op tenminste drie functies die elk tenminste 7 en tezamen tenminste 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen, een ontoereikende basis voor de schatting. De functies 2 en 6 kennen immers slechts 1 arbeidsplaats, zodat slechts twee functies met voldoende arbeidsplaatsen - de nummers 4 en 5 - resteren.

De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit in strijd is met de voorschriften van het Schattingsbesluit en dientengevolge, als berustende op een ondeugdelijke motivering, in rechte geen stand kan houden. In verband hiermee en gelet op de hierna in rubriek III gegeven beslissing van de Raad, kan en zal de Raad in het midden laten wat er zij van de namens appellant met betrekking tot de vaststelling van het maatmaninkomen aangevoerde grieven.

Van de zijde van appellant is verzocht om vergoeding van de door het bestreden besluit geleden schade, bestaande uit wettelijke rente over de door gedaagde ten onrechte niet verstrekte uitkering. De Raad ziet, gegeven het hiervoor overwogene, aanleiding dit verzoek toe te wijzen. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellant toekomende wettelijke rente dient te berekenen, volstaat de Raad met een verwijzing naar zijn uitspraak, gepubliceerd in JB 1995/314.

Voorts acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 322, - voor verleende rechtsbijstand in beroep en op 805, - voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Het namens appellant gedane verzoek tot veroordeling van gedaagde in de kosten die zijn verbonden aan de op appellants verzoek door de psychiater prof. dr. M. Kuilman en door het arbeidskundig adviesbureau AAB opgestelde rapporten komt niet voor toewijzing in aanmerking, aangezien die rapporten niet zijn uitgebracht in verband met de onderhavige procedure, maar in verband met een eerdere procedure tussen partijen. Nu het mitsdien hierbij niet gaat om kosten in verband met de behandeling van het onderhavige beroep in de zin van artikel 8:75 van de Awb, is vergoeding van die kosten in het kader van de onderhavige procedure niet mogelijk.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht door het Uwv dient te worden vergoed.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nader besluit zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot 322, - en in hoger beroep tot een bedrag groot 805, -, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 102,12 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2002.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x