Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AE6823
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-08-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% berekende WAO-uitkering op de grond dat betrokkene met ingang van de datum in geding voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het Lisv heeft terecht forse beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid aangenomen, maar dit behoeft niet tot de conclusie te leiden dat het verrichten van arbeid op de datum in het geding in het geheel niet mogelijk was. Heeft de rechtbank ten onrechte geweigerd het Lisv in de betrokkenes proceskosten te veroordelen daar het bestreden besluit pas hangende de procedure bij de rechtbank tegen de fictieve weigering om een beslissing op bezwaar te nemen door het Lisv is genomen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/2930 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Spanje), appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 6 augustus 1998 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 februari 1999 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.

Namens appellante is bij brief van 14 september 1998 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij beroepschrift van 4 maart 1999 heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde van appellante bij de rechtbank Amsterdam beroep ingesteld tegen de fictieve weigering om tijdig een beslissing op het bezwaarschrift te nemen.

Bij besluit van 26 maart 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het hiervoor vermelde bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 6 augustus 1998 gewijzigd in die zin dat appellantes uitkering ingevolge de WAO met ingang van 1 februari 1999 wordt herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 6 april 2000, verzonden op 20 april 2000, het beroep tegen het besluit met betrekking tot de fictieve weigering niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. De Roy van Zuydewijn bij beroepschrift van 26 mei 2000 van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Er is een aanvullend beroepschrift ingediend.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 november 2001, waar voor appellante is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn en waar namens gedaagde is verschenen mr. J.B. van der Horst, destijds werkzaam bij Gak Nederland B.V.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 12 december 2001 aan gedaagde vragen gesteld.

Bij brief van 26 februari 2002 heeft gedaagde die vragen beantwoord en stukken overgelegd.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 21 mei 2002 waar voor appellante wederom is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn en waar namens gedaagde wederom is verschenen mr. Van der Horst, thans werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


In hoger beroep is namens appellante als bezwaar tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geweigerd gedaagde in de proceskosten van appellante te veroordelen, daar het bestreden besluit pas hangende de procedure bij de rechtbank tegen de fictieve weigering om een beslissing op bezwaar te nemen door gedaagde is genomen. De omstandigheid dat appellante als gevolg daarvan geen belang meer had bij een uitspraak van de rechtbank met betrekking tot het ingestelde beroep tegen de fictieve weigering, neemt naar het oordeel van appellante niet weg dat de rechtbank een proceskostenveroordeling had behoren uit te spreken. Voorts is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om gedaagde te gelasten het griffierecht aan appellante te vergoeden.

Namens appellante is gevraagd alsnog gedaagde in de proceskosten van appellante te veroordelen, gedaagde te gelasten het griffierecht te vergoeden en de aangevallen uitspraak in zoverre te vernietigen.

De Raad stelt vast dat deze grief terecht namens appellante is voorgedragen.

Appellante heeft immers beroep moeten instellen om te bewerkstelligen dat het bestreden besluit werd genomen. In een dergelijk geval ligt het in de rede dat de rechtbank gebruik maakt van de in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde bevoegdheid wanneer zij constateert dat het procesbelang aan een beroep tegen de fictieve weigering om een beslissing op bezwaar te nemen is komen te ontvallen door het, hangende beroep, afgeven van een beslissing op bezwaar door het bestuursorgaan.

De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij is geweigerd om gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg te veroordelen en, doende wat de rechtbank had behoren te doen, een zodanige proceskostenveroordeling alsnog uitspreken.

De Raad stelt vast dat die kosten zijn beperkt gebleven tot de kosten van verleende rechtsbijstand in verband met het indienen van een beroepschrift tegen de fictieve weigering, zijnde 1 punt als bedoeld in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Voorts neemt de Raad in aanmerking dat gedaagde het onrechtmatig uitblijven van het bestreden besluit op generlei wijze heeft betwist en dat betrekkelijk kort na de indiening van dat beroepschrift alsnog het bestreden besluit aan appellante is uitgereikt.

Hierin vindt de Raad aanleiding om aan de onderhavige zaak de gewichtsfactor "zeer licht" toe te kennen. Daarom zal de Raad gedaagde veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg tot een bedrag van 0,25 x 322,- = 80,50.

Wat betreft het in eerste aanleg betaalde griffierecht stelt de Raad in de lijn van zijn in JB 2001/302 en USZ 2001/302 gepubliceerde uitspraak vast dat appellante terecht is opgekomen tegen een op zichzelf onrechtmatig te achten uitblijven van het bestreden besluit.

Hierin vindt de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen voor zover daarin is beslist over de vergoeding van griffierecht.

Met toepassing van artikel 8:74, tweede lid van de Awb zal de Raad, doende wat de rechtbank had behoren te doen, bepalen dat het Uwv het in eerste aanleg betaalde griffierecht aan appellante dient te vergoeden.

Voorts heeft appellante in hoger beroep haar bezwaren gehandhaafd tegen het bestreden besluit zodat de Raad thans de vraag dient te beantwoorden of het bestreden besluit van gedaagde in rechte stand kan houden.

Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.

Daartoe heeft de Raad overwogen dat uit het medisch rapport van 13 februari 1997 blijkt dat appellante aan ernstige obesitas lijdt; dat zij in verband met diabetes een dieet volgt en dat zij in verband met ijzergebrek door een vermageringsdieet een ijzerpreparaat slikt. Voorts wordt in dat rapport waarin ook lengte (1,62 m) en gewicht (141 kilo) worden vermeld, opgemerkt dat betrokkene in staat is andere werkzaamheden te verrichten en dat beroepsrevalidatie mogelijk is.

De Raad is van oordeel dat gedaagde terecht forse beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid heeft aangenomen maar dat dit niet tot de conclusie behoeft te leiden dat het verrichten van arbeid op de datum in het geding in het geheel niet mogelijk was.

Dat blijkt ook duidelijk uit de door gedaagde bij brief van 26 februari 2002 verstrekte vertaling van het oordeel van de arts van het Spaanse verzekeringsorgaan over de belastbaarheid van appellante, welk oordeel is weergegeven op het formulier E214.

De arts, zich baserend op eigen onderzoek, vermeldt onder meer dat appellante lichte arbeid kan doen, dat zij 1 kilometer kan lopen, dat zij van openbare vervoermiddelen gebruik kan maken en dat zij lasten tot 5 kilo kan tillen.

De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts mr. W.A Faas en de bezwaararbeidsdeskundige R.F. Meere terecht de eerder vastgestelde belastbaarheid hebben aangepast. Voorts is inzichtelijk is gemaakt dat en op welke wijze die belastbaarheid is aangepast in lijn met de op het formulier E214 vastgestelde belastbaarheid.

Voorts valt niet in te zien waarom van een werkgever niet zou kunnen worden gevergd iemand met een lichaamsomvang als appellante aan te nemen voor de geselecteerde functies, waarin het gaat om industrieel seriematig productiewerk en waarin geen eisen worden gesteld aan de representativiteit van de betrokken werknemer.

Ook overigens heeft de Raad niet kunnen vaststellen dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden. Daarom komt de aangevallen uitspraak voor het overige voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep.

Deze worden vastgesteld op 483,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Daarbij is 1 punt toegekend voor het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen op twee zittingen. In de lijn van de rechtspraak van de Raad, zie de uitspraak gepubliceerd in RSV 1996/59 en in JB 1995/242, en van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie de uitspraak gepubliceerd in AB 1997/156, is deze zaak in hoger beroep aangemerkt als licht van gewicht zodat de wegingsfactor 0,5 dient te worden toegepast. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht door het Uwv dient te worden vergoed.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij is beslist over de vergoeding van proceskosten en griffierecht;
Veroordeelt gedaagde alsnog in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag groot 80,50, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde recht van 24,98 vergoedt;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot 402,50, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde recht van 77,14 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2002.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.D. Streefkerk.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x