Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AE8570
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-11-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking AAW/WAO-uitkering op de grond dat betrokkene met ingang van de datum in geding voor minder dan 25 onderscheidenlijk 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Heeft het bestreden besluit een juiste arbeidskundige grondslag?
 
 
 

 

 
Uitspraak 97/5537 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 14 februari 1996 heeft gedaagde de uitkeringen van appellant ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 1 juni 1996 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum was afgenomen naar minder dan 15%.

De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft bij uitspraak van 23 juni 1997 het tegen voormeld besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit volledig in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellant, waarbij de rechtbank het gewicht van de zaak heeft bepaald op licht en in verband daarmee per proceshandeling is uitgegaan van 0,5 punt.

Namens appellant heeft mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG -Nederland Algemene Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Leusden, op bij aanvullend beroepschrift van 17 september 1997, met bijlage, aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift d.d. 10 december 1997 ingediend, waarop van de zijde van appellant is gereageerd bij brief van 3 juli 1998, met bijlagen.

Gedaagde heeft hierop commentaar geleverd bij brieven van 16 juli en 3 augustus 1998, met bijlage.

Gedaagde heeft de Raad desgevraagd een ontbrekend gedingstuk doen toekomen, en bij schrijven van 13 maart 2000, met bijlagen, een vraagstelling van de Raad beantwoord.

Namens appellant is bij brief van 11 september 2000 een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 oktober 2000, waar appellant - zoals aangekondigd - niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. I.F. Pardaan, werkzaam bij Gak Nederland B.V.




II. MOTIVERING


Nadat appellant in 1987 zijn in een voltijdse omvang verrichte werkzaamheden als chauffeur/varkenslader wegens lage rugklachten had gestaakt, is hij door gedaagde met ingang van 24 juni 1988 in aanmerking gebracht voor uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Naderhand werd van de zijde van gedaagde onderkend dat appellant naast evenvermelde werkzaamheden als chauffeur/varkenslader in loondienst ook - en zulks tot ongeveer april 1990 - in een omvang van 12 uren per week werkzaam is geweest als zelfstandig varkensmester. Gedaagde heeft hierin aanleiding gevonden, in navolging van de zienswijze van de arbeidsdeskundige A. Paalvast van de voormalige Gemeenschappelijke Medische Dienst, ter bepaling van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid in het kader van de AAW de voor appellant maatgevende functie alsnog te stellen op de combinatie voltijds chauffeur/varkenslader in loondienst en de zelfstandig varkensmester gedurende 12 uren per week, waarbij evenwel tevens is vastgesteld dat zulks niet van invloed is op evenvermelde indeling in de klasse 25 tot 35%.

Eind 1995/begin 1996 is de mate van appellants arbeidsongeschiktheid aan een herbeoordeling onderworpen in het kader van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen.

Gedaagdes verzekeringsarts heeft op grond van het door hem ingestelde onderzoek geoordeeld dat appellant nog arbeidsgeschikt is te achten voor rug- en neksparende werkzaamheden, waarna gedaagdes arbeidsdeskundige, uitgaande van de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen, een aantal zijns inziens voor appellant geschikte functies heeft geselecteerd. Blijkens het arbeidskundig rapport van 30 januari 1996 leidt de aan die functies te ontlenen verdiencapaciteit in vergelijking met zowel het voor de AAW in aanmerking te nemen maatmaninkomen als met het voor de WAO in aanmerking te nemen maatmaninkomen niet langer tot enig verlies aan verdienvermogen.

Bij het bestreden besluit van 14 februari 1996 heeft gedaagde, in overeenstemming met evenvermelde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige gegevens, de uitkeringen van appellant met ingang van 1 juni 1996 beŽindigd.

De rechtbank heeft dat besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2, 4:16 (oud) en 4:19 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartoe de rechtbank heeft overwogen dat gedaagdes verzekeringsgeneeskundige bij het uitbrengen van zijn aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies ten onrechte geen inlichtingen heeft ingewonnen bij de behandelend artsen van appellant.
De rechtbank heeft evenwel met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, daar zij zich op grond van de conclusies van de door haar als deskundige geraadpleegde orthopedisch chirurg P.J.H. van Dreumel ten materiŽle wel kon verenigen met de medische grondslag van het bestreden besluit, terwijl de rechtbank zich voorts kon stellen achter de arbeidskundige grondslag daarvan.

In het kader van haar beoordeling van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank de in ťťn functiebestandscode opgenomen portiersfuncties als basis voor de schatting buiten beschouwing gelaten om reden dat de afzonderlijke portiersfuncties te weinig, namelijk minder dan zeven arbeidsplaatsen kenden, maar geoordeeld dat de resterende functies de schatting kunnen dragen. Het van de zijde van appellant geuite bezwaar tegen de hoogte van de aanvangssalarissen van de functies, als blijkend uit het Functie Informatie Systeem (FIS), is daarbij door de rechtbank verworpen.

Het namens appellant ingestelde hoger beroep is gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit alsmede tegen de uitgesproken proceskostenveroordeling.

Met betrekking tot de inhoudelijke kant van de zaak beperkt het tussen partijen in hoger beroep bestaande geschil, gelet op de namens appellant aangevoerde grieven, zich tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Daarbij wordt in het bijzonder, gelijk in eerste aanleg, de realiteitswaarde betwist van de in het FIS opgenomen aanvangssalarissen van de aan de schatting ten grondslag liggende functies. Met een beroep op de conclusies van de namens appellant ingeschakelde arbeidsdeskundige R. Kuiper wordt gesteld dat de in het FIS opgenomen aanvangssalarissen, in elk geval die van de functies van bedieningsman verpakken bij een bierbrouwerij, te hoog zijn vastgesteld.

Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad heeft gedaagdes arbeidsdeskundige T.P.G.M. Schattorjť een rapport d.d. 3 maart 2000 opgesteld, waaruit naar voren komt dat, voor zover nog na te gaan, in het loon dat appellant destijds ontving uit zijn werkzaamheden als chauffeur/varkenslader in loondienst geen toeslag voor werken op afwijkende arbeidstijden was begrepen.

Voorts zijn daarbij, in reactie op het verzoek van de Raad om mee te delen hoe de lonen van de aan appellant voorgehouden functies zijn opgebouwd, uitgebreide beschrijvingen van die functies meegezonden. Uit die functiebeschrijvingen blijkt dat alle aan de schatting ten grondslag gelegde functies hetzij een onregelmatigheidstoeslag, hetzij een ploegentoeslag kennen.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens artikel 2, aanhef en onder f, van het Schattingsbesluit blijven als hoofdregel bij een schatting functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden buiten beschouwing, tenzij deze toeslagen wel zijn meegenomen bij de vaststelling van het maatmaninkomen. In artikel 2, aanhef en onder g, van het Schattingsbesluit is bepaald dat onderdeel f buiten toepassing blijft, indien uitsluitend arbeid verricht kan worden in afwijkende arbeidstijden.

In onderling verband bezien bevatten deze bepalingen aldus de hoofdregel dat een schatting dient te berusten op functies zonder toeslagen voor afwijkende arbeidstijden, en dat zulks slechts dan anders is indien zulke toeslagen wel deel uitmaken van het maatgevende inkomen, en/of indien geen andere geschikte functies zijn te duiden dan louter functies met dergelijke toeslagen.

Gelet op het uitzonderingskarakter van dit laatste dient in een voorkomend geval, wil een schatting op functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden aanvaardbaar kunnen worden geacht, op basis van de zich voordoende feiten niet aan gerede twijfel onderhevig te zijn dat in het betreffende maatmaninkomen dergelijke toeslagen zijn opgenomen, dan wel dat geen andere geschikte functies aanwijsbaar zijn dan louter functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden.

In het onderhavige geval kan op grond van de gedingstukken, waarvan in het bijzonder het hiervoor genoemde arbeidskundig rapport van 3 maart 2000, als vaststaand worden aangenomen dat in de door appellant voorafgaande aan zijn uitval beklede functie van chauffeur/varkenslader geen sprake was van toeslagen voor afwijkende arbeidstijden.

Voorts merkt de Raad op dat niet kan worden ingestemd met de in evenvermeld rapport door de arbeidsdeskundige gehuldigde zienswijze dat, wat betreft de toepassing van de AAW, de neveninkomsten van appellant uit het eigen bedrijf als varkensmester zouden kunnen worden gezien als een soort van onregelmatigheidstoeslag in de zin van het Schattingsbesluit, kennelijk in die zin bedoeld dat appellants keuze om naast zijn hoofdbetrekking in loondienst ook nevenwerkzaamheden als zelfstandige te verrichten, een voldoende rechtvaardiging vormt om bij de bepaling van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid uit te gaan van functies waarin in ploegendienst of anderszins op onregelmatige tijden wordt gewerkt.
De Raad merkt hierbij nog op dat in een dergelijk arbeidspatroon wel aanleiding zou kunnen worden gevonden om een schatting te baseren op een combinatie van voltijdse functies en deeltijdfuncties.

Gelet op het bovenstaande hangt de houdbaarheid van de onderhavige schatting op functies met een onregelmatigheidstoeslag dan wel een ploegendiensttoeslag af van het antwoord op de vraag of als vaststaand kan worden aangenomen dat voor appellant geen andere functies aanwijsbaar waren dan enkel functies met zodanige toeslagen.

Mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de eisen die moeten worden gesteld aan het bewijs dat in een voorkomend geval is voldaan aan de voorwaarden die in het Schattingsbesluit worden geformuleerd om een schatting op functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden mogelijk te doen zijn, moet de Raad de hiervoor geformuleerde vraag in ontkennende zin beantwoorden.

Onder de gedingstukken bevindt zich een arbeidskundig rapport van 2 april 1996 waarin, voor zover hier van belang, wordt aangegeven dat destijds bij het raadplegen van het FIS ook is gezocht naar dagdienstfuncties, en dat uit zorgvuldigheidsoverwegingen alsmede op basis van het feit dat het raadplegen van het FIS indertijd plaatsvond op basis van 50 uur, nogmaals het FIS is geraadpleegd, waarbij wederom zou zijn gebleken dat er in onvoldoende mate functies in dagdienst waren te duiden.

De Raad kan hieruit niet met de hier vereiste mate van zekerheid afleiden dat voor appellant in het geheel geen dagdienstfuncties, dat wil zeggen functies zonder toeslagen voor afwijkende arbeidstijden, waren aan te geven, zodat het er voor moet worden gehouden dat zich hier niet de in artikel 2, aanhef en onder g, van het Schattingsbesluit bedoelde uitzonderingssituatie voordoet.

In verband hiermee moet worden geoordeeld dat de schatting, als berustend op een ondeugdelijke arbeidskundige grondslag, in rechte geen stand kan houden.

Van de zijde van appellant is voorts bezwaar gemaakt tegen het door de rechtbank in het kader van de door haar uitgesproken proceskostenveroordeling gegeven oordeel dat het gewicht van de zaak als licht moet worden aangemerkt, in verband waarmee de rechtbank ter vaststelling van de voor verleende rechtsbijstand te vergoeden kosten een wegingsfactor van 0,5 heeft toegepast.

De Raad onderschrijft de opvatting van appellant dat de rechtbank daarmee geen juiste toepassing heeft gegeven aan het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). De Raad is van oordeel dat de zaak in eerste aanleg, gelet op de aard van de procedure, als van gemiddeld gewicht is te beschouwen, zodat het bedrag aan kosten voor rechtsbijstand had moeten worden vastgesteld met toepassing van wegingsfactor 1.

Nu voorts uit het hiervoor overwogene volgt dat het bestreden besluit, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, zonder meer, dat wil zeggen zonder instandlating van de rechtsgevolgen daarvan, voor vernietiging in aanmerking komt, komt de Raad niet toe aan de grief van appellant dat de rechtbank onvoldoende aanleiding had om de kosten van rechtsbijstand met toepassing van artikel 2, tweede lid, van het Besluit tot de helft te matigen op grond van de overweging dat appellant slechts gedeeltelijk in het gelijk is gesteld.

De Raad stelt aldus de door gedaagde ter zake van in beroep verleende rechtsbijstand aan appellant te vergoeden kosten alsnog vast op een bedrag van f 1.065,-.

Uit het bovenoverwogene volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. Gelet op het hiervoor door de Raad uitgesproken oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen acht de Raad het aangewezen tot algehele vernietiging van de aangevallen uitspraak over te gaan.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Hiervoor is reeds aangegeven dat deze kosten in beroep worden begroot op een bedrag van f 1.065,- voor verleende rechtsbijstand. Daarnaast komt appellant in aanmerking voor de reiskosten verbonden aan het bezoeken van de deskundige Van Dreumel, ten bedrage van f 29,75.

In hoger beroep bedragen de kosten van rechtsbijstand f 710,-. Tevens komt appellant in aanmerking voor vergoeding van de kosten verbonden aan het uitbrengen van de rapporten d.dis 12 september 1997, 16 februari 1998 en 29 september 1998 door de arbeidsdeskundige R. Kuiper.

Gelet op artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit, in samenhang met artikel 1, eerste lid, onder IV, van het Besluit tarieven in strafzaken, ziet de Raad daarbij aanleiding niet uit te gaan van het door genoemde arbeidsdeskundige aangegeven totaalbedrag van de ingediende declaraties, nu die declaraties niet op enige urenspecificatie berusten. De Raad stelt het aantal uren, gemoeid met het uitbrengen van genoemde rapporten arbitrair vast op 12, in verband waarmee terzake een bedrag van f 1.643,82 (12 x f 116,60 + 17.5% BTW) voor vergoeding in aanmerking komt.

Gezien het vorenstaande stelt de Raad tenslotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.094,75 en in hoger beroep tot een bedrag groot f 2.353,82, in totaal derhalve tot een bedrag groot f 3.448,57;
Bepaalt dat gedaagde het door appellant betaalde griffierecht te bedrage van f 210,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Scheepers-van Die als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 november 2000.

(get.) J. Janssen.

(get.) H.E. Scheepers-van Die.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x