Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AE8596
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-07-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking AAW/WAO-uitkering op de grond dat betrokkene met ingang van de datum in geding voor minder dan 25 onderscheidenlijk 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Zijn de medische beperkingen onderschat? Het bestreden besluit berust op een onvoldoende arbeidskundige grondslag.
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/1933 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 19 november 1996 heeft gedaagde de uitkeringen van appellante op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 12 januari 1997 ingetrokken.

De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 5 februari 1998 het door appellante tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. P. Hanenberg, advocaat te Rotterdam, tegen deze uitspraak op bij beroepschrift van 6 maart 1998, aangevuld bij brief van 23 februari 1999 (met bijlagen), aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft van verweer gediend, welk verweer is aangevuld bij schrijven van 6 juli 1999.

Bij brief van 4 augustus 1999 (met bijlagen) heeft appellantes gemachtigde desgevraagd nog inlichtingen verstrekt en de beroepsgronden verder aangevuld.

Bij brief van 5 augustus 1999 heeft appellante nog een aanvulling van de beroepsgronden toegestuurd.

Bij brief van 25 januari 2000 heeft gedaagde desgevraagd verdere inlichtingen verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 februari 2000, waar appellante in persoon en bijgestaan door mr. Hanenberg voornoemd, is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.H. Landwehr, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.




II. MOTIVERING


Appellante was laatstelijk werkzaam als bedrijfsleidster in een textielwinkel. Op 4 maart 1993 heeft zij zich ziek gemeld wegens (onder andere) gewrichtsklachten.
In verband hiermee zijn haar bij besluit van 8 maart 1994 met ingang van 3 maart 1994 uitkeringen op grond van de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 26 mei 1994 zijn deze uitkeringen met ingang van 8 juni 1994 ingetrokken omdat appellante per deze datum minder dan 25% respectievelijk 15% arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van de AAW respectievelijk de WAO.

Bij uitspraak van 25 april 1996 heeft de rechtbank dit besluit van 26 mei 1994 vernietigd. De rechtbank heeft zich daarbij laten leiden door de bevindingen van de door haar ingeschakelde deskundige W.M. de Beus, reumatoloog, die tot de conclusie was gekomen dat appellante met ingang van 8 juni 1994 nog juist niet in staat was tot het verrichten van de door gedaagde toen aangegeven gangbare arbeid gedurende 38 uren per week.

Appellante is vervolgens (opnieuw) onderzocht door de verzekeringsgeneeskundige K.F. Ku die terzake op 13 augustus 1996 een rapport heeft uitgebracht.
Voorts heeft de arbeidsdeskundige D. van der Valk op 31 oktober 1996 een rapport opgesteld waarin hij concludeert dat appellante 8,9% arbeidsongeschikt moet worden geacht.
Op basis van deze rapporten heeft gedaagde zijn bestreden besluit genomen waarbij hij de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van appellante per 12 januari 1997 heeft ingetrokken.

Appellante stelt zich op het standpunt dat gedaagde haar medische beperkingen heeft onderschat.

Dienaangaande overweegt de Raad dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de door haar eerder geraadpleegde deskundige De Beus, voornoemd, appellante al in de tweede helft van 1994 geschikt achtte voor de haar in 1994 door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies. Deze deskundige was van mening dat extreme lichamelijke en psychische belasting diende te worden vermeden en dat geen sprake was van echte beperkingen.
De verzekeringsgeneeskundige heeft in zijn voormelde rapport van 13 augustus 1996 gesteld dat er sedert 1994 geen grote veranderingen waren opgetreden. Aangezien appellante in die tussentijd echter weinig activiteiten had ontplooid, heeft hij wegens mogelijke teruggang van het uithoudingsvermogen iets grotere beperkingen dan in 1994 aangenomen. Bovendien heeft hij rekening gehouden met een bij appellante inmiddels geconstateerde metaalallergie.
Appellante heeft geen gegevens overgelegd waardoor twijfel zou kunnen rijzen of de door de verzekeringsgeneeskundige thans aangenomen beperkingen wel als juist kunnen worden aanvaard.
Het in de door appellante toegestuurde brief van 23 juni 1999 van de internist-immunoloog prof. dr. L. Kater neergelegde advies om ten aanzien van werk rekening te houden met de overgevoeligheid voor licht van de ogen van appellante (beeldscherm) rechtvaardigt geen ander oordeel. Dit spreekt te meer nu in de voorgehouden functies, zoals de arbeidsdeskundige D. van der Valk in een notitie van 6 maart 1997 heeft aangegeven, geen dan wel nauwelijks beeldschermwerk voorkomt.

Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft blijkt uit de stukken dat de arbeidsdeskundige vijf (voor een deel geclusterde) functies voor appellante geschikt heeft geacht, te weten de functies verkooptelefoniste (fb-code 4817), receptioniste/telefoniste (fb-code 3941), monteuse koffiezetters (fb-code 8539), administratief medewerkster (fb-code 3991) en verkooptelefoniste (fb-code 4722).
De functie van administratief medewerkster vertegenwoordigt evenwel slechts vijf arbeidsplaatsen en derhalve minder dan zeven zoals volgens vaste jurisprudentie ten minste vereist om de desbetreffende functie aan een schatting ten grondslag te kunnen leggen. Deze functie dient derhalve te vervallen.
Ten aanzien van een van beide onder fb-code 3941 opgenomen functies van receptioniste geldt als opleidingseis onder meer het basisdiploma beveiliging. Appellante beschikt niet over dit diploma zodat deze functie, naar gedaagde in zijn brief van 25 januari 2000 heeft erkend, niet geschikt is voor appellante. De overblijvende functie onder laatstgenoemde fb-code staat voor slechts twee arbeidsplaatsen en kan derhalve niet aan de schatting ten grondslag worden gelegd.
Gelet hierop resteren ten hoogste drie in dit geval acceptabel te achten functies. Daarbij gaat het onder meer om twee onder de fb-code 4817 vallende functies van verkooptelefoniste, welke acht respectievelijk twee arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Voor het vervullen van de functie met acht arbeidsplaatsen is blijkens de - uit van het functie-informatiesysteem (FIS) afkomstige gegevens samengestelde - arbeidsmogelijkhedenlijst een MAVO-diploma vereist. Vaststaat dat appellante niet de beschikking heeft over een zodanig diploma.
Gedaagde is evenwel van mening dat het gevolgd hebben van ten minste drie jaren HAVO, zoals bij appellante het geval is, gelijkgesteld moet worden met het bezit van een MAVO-diploma. Daartoe is aangevoerd dat beide in de FIS-methodiek een opleidingsniveau 3 betekenen alsook dat beide maatschappelijk gezien gelijk kunnen worden gesteld.

De Raad stelt voorop dat indien vanwege gedaagde eenmaal de opleidingseisen voor een bepaalde functie in het FIS zijn vastgelegd, zowel de verzekerde als in voorkomende gevallen ook toetsende instanties ervan uit kunnen gaan dat die aldus vastgelegde eisen overeenkomen met de werkelijk geldende opleidingseisen, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze onjuist zijn. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van heden in de zaak 98/604 AAW/WAO.

De in het FIS neergelegde opleidingseisen houden in dat de verzekerde een bepaald opleidingsniveau moet hebben dan wel dat hij in het bezit moet zijn van het diploma van een met name genoemde opleiding. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak, gepubliceerd in RSV 1999/81, moeten de hier bedoelde niveaueisen niet worden opgevat als strikte diploma-eisen. Anders ligt dit indien voor het vervullen van een bepaalde functie een diploma-eis wordt gesteld. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, onder andere in zijn uitspraak, gepubliceerd in USZ 1999/90 en RSV 1999/108, kan een dergelijke functie niet aan een verzekerde worden opgedragen indien die verzekerde niet beschikt over het vereiste (of een daarmee ten minste gelijk te stellen) diploma. De Raad heeft daarbij overwogen dat een strikte diploma-eis niet kan worden gecompenseerd door een (andere) opleiding al dan niet aangevuld met een door de betrokken arbeidsdeskundige van belang geacht praktische ervaring.

De Raad voegt hieraan thans toe dat onder omstandigheden aan een diploma-eis kan worden voldaan indien de verzekerde een opleiding heeft gevolgd die in het verlengde ligt van de opleiding waarvan een diploma wordt verlangd, en die opleiding weliswaar niet met een diploma heeft afgesloten, maar daarin wel geacht kan worden een zodanige kennis te hebben opgedaan dat de opleiding met de gestelde diploma-eis gelijk kan worden gesteld. Tot een dergelijke gelijkstelling zal niet lichtvaardig kunnen worden geconcludeerd. Daarbij speelt een rol dat een diploma slechts wordt behaald nadat aan een algemeen geldende toets wordt voldaan, hetgeen niet geldt voor een voortijdig afgebroken opleiding. Het dient dan ook in onderwijskundig opzicht te zijn aangetoond en daarmee boven twijfel verheven te zijn dat de opgedane kennis ten minste gelijk is aan die welke benodigd is voor het behalen van het voor de functie vereiste diploma.

Het vorenstaande vervolgens toespitsend op het voorliggende geschil, overweegt de Raad dat appellante is overgegaan van de derde naar de vierde klas van de HAVO doch vanuit deze laatste klas niet is toegelaten tot de vijfde klas van de HAVO. Appellante is toen overgestapt op een beroepsopleiding. Vastgesteld moet derhalve worden dat appellante op de HAVO (niet meer dan) drie klassen met succes heeft doorlopen. Naar het oordeel van de Raad wordt hiermee niet voldaan aan de hierboven omschreven eis dat in onderwijskundig opzicht is aangetoond en daarmee boven twijfel verheven is dat de opgedane kennis gelijk te stellen is met het voor de functie vereiste diploma. Weliswaar ligt de HAVO in het verlengde van de MAVO, nu deze opleidingen beide op het terrein van het algemeen vormend onderwijs liggen, maar voor de Raad is onvoldoende komen vast te staan dat de in drie leerjaren HAVO opgedane kennis, resulterend in een overgang naar het vierde leerjaar, op een lijn kan worden gesteld met de kennis die is vereist voor het behalen van het MAVO-diploma.

Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde ook de functie van verkooptelefonist (fb-code 4817) met acht arbeidsplaatsen niet voor de schatting van appellante mocht gebruiken. Dit betekent dat het bestreden besluit op een onvoldoende arbeidskundige grondslag berust.
Het bestreden besluit moet dan ook wegens strijd met de artikelen 5 van de AAW en 18 van de WAO worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit ten onrechte in stand is gelaten.

De Raad acht in beginsel termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.
Van proceskosten in beroep is evenwel niet gebleken.
De proceskosten in hoger beroep worden begroot op f 1.775,- voor verleende rechtsbijstand en f 1.000,- voor door een deskundige uitgebracht verslag.

Gelet op het hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellante zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede het bestreden besluit;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot f 2.775,-;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 210,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.W.A. van Geloven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2000.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) P.W.A. van Geloven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x