Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AE8612
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-03-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering AAW/WAO-uitkering op de grond dat betrokkene op de datum in geding voor minder dan 25 onderscheidenlijk 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Heeft de rechtbank terecht het bestreden besluit vernietigd onder de overweging dat de door de arbeidsdeskundige genoemde combinatie van functies niet voldoet aan de in de jurisprudentie stelde voorwaarden? De aan betrokkene voorgehouden combinatie van functies moet volgens de rechtbank ook feitelijk kunnen worden vervuld.
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/227 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 18 september 1996 heeft appellant geweigerd gedaagde met ingang van 13 september 1996 uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen omdat gedaagde per deze datum minder dan 25 respectievelijk 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 15 december 1998 het beroep van gedaagde tegen dit besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij beroepschrift van 19 januari 1999, waarbij voor de beroepsgronden is verwezen naar een bijgevoegd rapport van 13 januari 1999 van de arbeidsdeskundige J. Duyff, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 24 mei 1999 heeft gedaagde een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 december 1999 (met bijlage) heeft appellant een commentaar op dit verweerschrift toegestuurd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 februari 200 1, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.A.M. Delfgauw, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. Westerveld, advocaat te Amsterdam.




II. MOTIVERING


Gedaagde was werkzaam als medewerker linnenverhuur in een wasserij gedurende 36 uren per week, uit welke functie hij per 23 april 1993 is ontslagen. Aansluitend is hem een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Tevens werkte gedaagde tot 1 februari 1993 en opnieuw vanaf 9 december 1993 gedurende 12,5 uur per week als schoonmaker. op 15 september 1995 heeft hij zich voor dit laatste werk alsmede vanuit de WW ziek gemeld wegens mictieklachten.
In verband met de vraag of gedaagde in aanmerking diende te worden gebracht voor uitkeringen op grond van de AAW en de WAO, is gedaagde op 12 juli 1996 onderzocht door de verzekeringsarts H.B.G. Bominkhof Deze kwam tot de conclusie dat gedaagde medisch in staat geacht moest worden om arbeid te verrichten en dat hij in geringe mate beperkt was ten aanzien van zware fysieke arbeid.
De arbeidsdeskundige J. Duyff heeft zich vervolgens blijkens haar rapport van 1 augustus 1996 op het standpunt gesteld dat gedaagde, gelet op het door genoemde arts opgestelde belastbaarheidspatroon, zijn arbeid als schoenmaker weer kon verrichten. Tevens heeft deze arbeidsdeskundige een aantal voor gedaagde geschikt geachte fulltime en parttime functies geselecteerd. Gezien het mediane loon dat gedaagde in een combinatie van een fulltime met een parttime functie kon verdienen, welk loon het maatmaninkomen te boven ging, was de arbeidsdeskundige van mening dat gedaagde niet in aanmerking kwam voor een uitkering op grond van de AAW of de WAO.
Dit bracht appellant tot het nemen van zijn in geding zijnde besluit van 18 september 1996 waarbij. geweigerd is gedaagde met ingang van 13 september 1996 een uitkering als bedoeld toe te kennen.

De rechtbank heeft als haar oordeel te kennen gegeven dat gedaagde uit medisch oogpunt op en na 13 september 1996 in staat moet worden geacht tot het verrichten van zijn arbeid als schoonmaker en de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
De rechtbank heeft het onderhavige besluit evenwel niet in stand gelaten, waartoe zij het volgende heeft overwogen:
"Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de zaak overweegt de rechtbank dat (...) de door de arbeidsdeskundige genoemde combinatie van functies niet voldoet aan de in de jurisprudentie stelde voorwaarden. Uit onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 september 1997 (RSV 1998/67) blijkt dat de aan betrokkene voorgehouden combinatie van functies ook feitelijk moet kunnen worden vervuld. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk kunnen maken dat dit laatste het geval is. Zowel de geselecteerde fulltime functies als de parttime functies zijn slechts beschikbaar in de voor- en namiddag en zijn derhalve feitelijk niet naast elkaar uitvoerbaar.
Indien er een combinatie gemaakt wordt van de fulltime geduide functies en eisers eigen werk voor 12,5 uur, dan is de rechtbank van oordeel dat de mediane loonwaarde niet juist is berekend, daar in die berekening het loon van de parttime geduide functies is meegenomen en niet het loon van zijn eigen werk. Bovendien heeft verweerder ook bij deze combinatie van de geselecteerde fulltime functies en eisers eigen werk niet onderzocht of deze functies feitelijk naast elkaar uitvoerbaar zijn."

Appellant heeft in hoger beroep erkend dat de schatting die mede berustte op geselecteerde parttime functies achterwege had moeten blijven. Daarentegen is appellant wel van mening dat vaststelling van de resterende verdiencapaciteit van gedaagde had kunnen geschieden door de inkomsten in het eigen werk als schoonmaker op te tellen bij het mediane loon van de geselecteerde fulltime functies. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat deze laatste functies alle overdag dienen te worden uitgevoerd terwijl het eigen werk in de avonduren werd verricht; een combinatie is te dezen dan ook mogelijk. De op vorenstaande wijze berekende resterende verdiencapaciteit van gedaagde ligt hoger dan het maatmaninkomen, zodat gedaagde terecht uitkering is geweigerd, aldus appellant.

Gedaagde heeft gesteld dat onder meer de precieze werktijden van de onderhavige fulltime functies niet bekend zijn zodat, nu het eigen werk als schoonmaker al om 17.30 uur begint, niet duidelijk is of dit werk en de fulltime functies naast elkaar uitvoerbaar zijn.
Appellant heeft er dienaangaande ter zitting op gewezen dat de arbeidsdeskundige op basis van de hem ter beschikking staande gegevens te kennen heeft gegeven dat een combinatie van bedoelde werkzaamheden mogelijk is.

Met betrekking tot de grief van gedaagde dat appellant in hoger beroep een andere schattingsmethodiek aan zijn onderhavige besluit ten.grondslag heeft gelegd dan die welke bij het voorbereiden en nemen van dit besluit is gebezigd, merkt de Raad op dat de uit deze grief blijkende zienswijze in beginsel juist is. Daaraan voegt de Raad echter aanstonds toe dat in voornoemd arbeidskundig rapport van 1 augustus 1996 reeds het standpunt is neergelegd dat gedaagde in staat is om zowel zijn eigen werk als schoonmaker als een aantal nader genoemde fulltime functies uit te oefenen. Bij brief van 1 augustus 1996 is dit standpunt aan gedaagde bekend gemaakt. De verdiensten in dat eigen werk en in die functies heeft appellant thans - in hoger beroep - gebruikt bij de berekening van de resterende verdiencapaciteit van gedaagde op de datum in geding. Er bestaat geen grond om zulks ontoelaatbaar te oordelen, te minder nu hierdoor het verkrijgen van een rechterlijk eindoordeel in deze aangelegenheid op geen enkele wijze is vertraagd doch veeleer bespoedigd.

De Raad kan zich verenigen met de door appellant thans gehanteerde schattingsmethode. Ook de resultaten waartoe appellant langs deze weg is gekomen, kan de Raad onderschrijven. Daarbij merkt de Raad op dat voldoende grond aanwezig is om aan te nemen dat de geselecteerde fulltime functies, althans op één na, zijn te combineren met het eigen werk van gedaagde als schoonmaker, nu die functies, op één na, uitsluitend in dagdienst worden vervuld, welke dagdienst, gezien de aard van de functies, vroegtijdig zal beginnen en derhalve ook tijdig zal eindigen. Tenslotte wijst de Raad erop dat, ook als de geselecteerde fulltime functie van inpakker - in welke functie zowel overdag als in de avonduren wordt gewerkt - buiten beschouwing zou worden gelaten, de conclusie geen andere kan zijn dan dat gedaagde met ingang van 13 september 1996 minder dan 15% arbeidsongeschikt is te achten.

Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep slaagt zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Homan als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2001.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.J. Homan.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x