Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AE8618
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-08-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking, na herbeoordeling op grond van de Wet TBA, van de AAW-uitkering op de grond dat betrokkene met ingang van de datum in geding voor minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Met de door de CRvB ingeschakelde deskundigen is de CRvB van oordeel dat betrokkene op de datum in geding de aan haar voorgehouden functies niet kon vervullen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 97/7292 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 11 januari 1996 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 13 januari 1996 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 25% was.

De rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 18 juli 1997 het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.

Namens appellante is J.H. Bosveld, als sociaal raadsvrouw werkzaam bij het Adviespunt Handicap en Recht te Amersfoort, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarin wordt verwezen naar het bijgevoegde commentaar van de verzekeringsarts Kruiswijk.

Desgevraagd heeft de internist J. Heyster onder dagtekening 12 januari 1999 van verslag en advies gediend.

Appellantes gemachtigde heeft de gronden van het beroep nader aangevuld en nadere stukken overgelegd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 mei 1999, waar appellante is verschenen bij gemachtigden J.H. Bosveld en E. Gerritsen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr S.I. Zwanenburg, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.

Bij brief van 1 juni 1999 heeft de Raad aan partijen laten weten dat het onderzoek niet volledig is geweest en dat in verband daarmee het onderzoek wordt heropend.

Gedaagde heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Desgevraagd heeft de psychiater J. van Borssum Waalkes onder dagtekening 20 maart 2000 van verslag en advies gediend.

Gedaagde heeft daarop gereageerd.

Bij brief gedateerd 8 juni 2000 heeft het Adviespunt Handicap en Recht aan de Raad laten weten dat M.G. van der Linde-de Jager, als sociaal raadsvrouw werkzaam bij genoemd Adviespunt, als opvolgend gemachtigde van appellante is aangetreden.

Bij brief van 29 juni 2000 is namens appellante op het verslag van Van Borssum Waalkes, en de reactie daarop van gedaagde, gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 11 juli 2000, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door M.G. van der Linde-de Jager en E. Gerritsen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr F. Gerritsma, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.




II. MOTIVERING


Appellante, geboren [in] 1957, heeft in maart 1980 een melding AAW gedaan wegens in maart 1979 ingetreden arbeidsongeschiktheid. In het aanvraagformulier AAW geeft zij als klachten aan een enorme slaapbehoefte, gebrek aan concentratievermogen, vergeetachtigheid, vermoeidheid, black-outs en hyperventilatie. Aan appellante is vervolgens per 15 maart 1979 een AAW-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van de toepassing van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen heeft gedaagde appellantes mate van arbeidsongeschiktheid aan een herbeoordeling onderworpen. De verzekeringsarts Kruiswijk stelt in zijn rapportage gedateerd 17 februari 1995 als diagnose 'vermoeidheidssyndroom e causa ignota'. Kruiswijk acht appellante geschikt voor licht lichamelijk werk dat psychisch niet al te stresserend is en waarvan het tempo niet al te hoog ligt. De arbeidsdeskundige Rötscheid selecteert op grondslag van het door de verzekeringsgeneeskundige opgestelde belastbaarheidspatroon geschikt te achten functies, waarna, na afzetting van de mediane loonwaarde van de drie hoogst beloonde functies tegen het maatmaninkomen van appellante, een arbeidsongeschiktheidspercentage van 0 resulteert.

Vervolgens heeft gedaagde het in rubriek I genoemde besluit van 11 januari 1996 genomen, waarbij de AAW-uitkering van appellante is ingetrokken.

Bij haar in rubriek I genoemde uitspraak van 18 juli 1997 heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het besluit van 11 januari 1996 in rechte stand kan houden.

Teneinde de medische grondslag van het bestreden besluit beter te kunnen beoordelen heeft de Raad verslag en advies ingewonnen van de internist J. Heyster en de psychiater J. van Borssum Waalkes.

Heyster vindt geen lichamelijke afwijkingen bij appellante. Op de grondslag van de anamnese, de informatie ingewonnen bij de behandelende sector en het dossier van appellante oordeelt Heyster dat er bij appellante op de datum in geding duidelijk sprake was van beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid. Heyster acht appellante maximaal voor 30 tot 50% belastbaar. Hij acht appellante niet geschikt om hele dagen de geselecteerde functies te vervullen. Van de voorgehouden functies acht hij er slechts twee, onder de genoemde duurbeperking, passend voor appellante.

De psychiater Van Borssum Waalkes stelt in zijn uitvoerige rapportage dat het beeld van appellante, chronische vermoeidheid, doet denken aan neurasthene decompensatie. Qua classificatie is het onder te brengen bij de groep somatoforme stoornissen, maar door de jaren heen is het ook gezien als een vorm van depressiviteit. Hij concludeert dat appellante, wat er ook zij van de oorzaak (somatisch of psychisch), dermate ernstig ziek is dat een deelname aan reguliere arbeid gedoemd is tot mislukken. Volgens Van Borssum Waalkes is er bij appellante, (ook) op de datum in geding, geen sprake van benutbare arbeidsmogelijkheden.

In reactie op deze rapportage heeft gedaagde naar voren gebracht dat in de rapportage van Van Borssum Waalkes geen enkele afwijking wordt beschreven. Er is, aldus gedaagde, hooguit sprake van kenmerken in haar persoonlijkheid. Dit is, aldus gedaagde, onvoldoende om de conclusie 'ziekte' als onderbouwd te beschouwen, en in ruimere zin 'ziekte of gebrek' aannemelijk te maken.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad kent doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de door hem ingeschakelde deskundigen Heyster en Van Borssum Waalkes. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundigen hun oordeel hebben gebaseerd op eigen onderzoek van appellante, de in het dossier aanwezige op appellante betrekking hebbende stukken, informatie van de behandelende sector en de anamnese van appellante. Met deze deskundigen is de Raad van oordeel dat appellante op de datum in geding de aan haar voorgehouden functies niet kon vervullen. Daarbij tekent de Raad aan dat het advies van genoemde deskundigen niet louter is gebaseerd op de klachten van appellante, maar door de deskundigen afdoende medisch is geobjectiveerd. Het enkele feit dat de aard van de ziekte of het gebrek niet eenduidig kan worden aangewezen staat aan deze conclusie niet in de weg.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand en f 19,- aan reiskosten voor de procedure in eerste aanleg en f 2.130,- en f 79,25 aan reiskosten voor de procedure in hoger beroep, in totaal f 3.648,25.

Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellante zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.439,- en in hoger beroep tot een bedrag groot f 2.209,25 ;
Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 210,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van A. Bach Kolling als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2000.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A. Bach Kolling.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x