Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AE8622
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-05-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep omdat het griffierecht niet tijdig is betaald.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 96/10274 AAW/WAO




U I T S P R A A K




met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. INLEIDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Mr. J.A. Schepel, advocaat te Almere, heeft als gemachtigde van appellant hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle op 23 oktober 1996 tussen partijen gegeven uitspraak.




II. MOTIVERING


In artikel 22 van de Beroepswet is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven.

Bij schrijven van 6 december 1996 is de gemachtigde van appellant erop gewezen dat een griffierecht van f 150,00 is verschuldigd, bij voorkeur te voldoen door middel van de aangehechte acceptgirokaart.

Bij aangetekende brief van 30 december 1996 is de gemachtigde van appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort.

Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.

De Raad stelt vast dat het griffierecht niet binnen deze termijn is betaald, doch eerst op 6 februari 1997 op de rekening van de Raad is bijgeschreven.

Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant met betrekking tot het tijdig betalen van het griffierecht niet in verzuim is geweest, acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen in tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 1997.

(get.) J. Janssen.

(get.) B.C. Rog.




Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x