Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AE8687
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-11-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Nettoterugvordering van de AAW-uitkering over de perioden in geding op de grond dat het betrokkene redelijkerwijze duidelijk kon zijn dat de uitkeringen onverschuldigd werden betaald. De gedingen in hoger beroep zijn beperkt tot de vraag of de betreffende brieven kunnen worden aangemerkt als rechtens relevante eerste terugvorderingshandelingen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/943 AAW en 98/2301 AAW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 10 december 1996 heeft appellant van gedaagde de over de periode 1 oktober 1993 tot 1 mei 1994 betaalbaar gestelde uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ad f 3.976,85 netto (incl. vakantietoeslag) teruggevorderd, op de grond dat het aan gedaagde redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat dit bedrag aan hem onverschuldigd werd betaald (besluit 1).

Bij besluit van 11 december 1996 heeft appellant van gedaagde de over de periode 1 mei 1994 tot 1 november 1994 betaalbaar gestelde uitkering ingevolge de AAW ad f 3.408,72 netto (incl. vakantietoeslag) teruggevorderd, op de grond dat het aan gedaagde redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat dit bedrag aan hem onverschuldigd werd betaald (besluit 2).

De rechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 30 december 1997, voorzover hier van belang, de beroepen tegen deze besluiten gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en tot vergoeding van het door gedaagde betaalde griffierecht.

Appellant is bij beroepschrift van 3 februari 1998 tegen de hiervoor genoemde onderdelen van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Bij schrijven van 22 april 1998 heeft appellant de gronden van het beroep aangegeven.

Namens gedaagde heeft mr. W. Frankema, werkzaam bij AVM Juristen te Leeuwarden, een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft appellant inlichtingen verstrekt en nadere stukken ingezonden. Hierop is namens gedaagde gereageerd, op welke reactie vervolgens weer door appellant is gerespondeerd.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 20 juni 2000, waar voor appellant is verschenen mr. H. de Jong, werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V. en waar namens gedaagde is verschenen mr. Frankema.

Na de behandeling van de gedingen ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Appellant heeft desgevraagd nadere informatie verstrekt en nadere stukken ingezonden, waarop namens gedaagde is gereageerd.

De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 20 februari 2001, waar partijen - met bericht - niet zijn verschenen.

Na de behandeling van de gedingen ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Bij brieven van 20 juli en 20 augustus 2001 heeft gedaagde zijn standpunt toegelicht. Appellant deed zulks bij brief van 30 juli 2001.

De gedingen zijn wederom ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 2 oktober 2001, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Gedaagde, die is geboren op 15 oktober 1947 en werkzaam is als zelfstandig melkveehouder, heeft op 12 januari 1986 een 'Melding AAW' gedaan. Uit deze melding en de daarop volgende aanvraag blijkt dat gedaagde zich sedert 23 december 1984 gedeeltelijk arbeidsongeschikt acht wegens rugklachten. Aan gedaagde is vervolgens door appellant met ingang van 22 december 1985 een uitkering ingevolge de AAW toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In mei/juni 1995 heeft appellant aan gedaagde het formulier 'Begeleiding en controle AAW/WAO 1995' toegezonden, op welk formulier gedaagde onder meer zijn inkomensgegevens betreffende het jaar 1994 diende in te vullen. Bij brief gedateerd 1 september 1995 is aan gedaagde medegedeeld dat genoemd formulier nog niet was ontvangen en is aan gedaagde verzocht de gevraagde gegevens zo spoedig mogelijk op te sturen in ieder geval vr 1 oktober 1995.

Toen gedaagde in gebreke bleef gevolg te geven aan dit verzoek heeft appellant bij brief gedateerd 27 december 1995 aan gedaagde onder meer het volgende laten weten:

"Genoten inkomsten kunnen invloed hebben op de hoogte van de uitkering. Indien de inkomsten hoger zijn dan hetgeen op grond van het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage wordt gerechtvaardigd, zal (achteraf) een korting van uitkering plaatsvinden. Het teveel betaalde zal dan worden teruggevorderd. (...)
Op dit moment zijn wij dan ook nog niet in staat om te beoordelen of de aan u in 1994 betaalde AAW-uitkering correct ofwel te hoog is geweest. De wettekst van de AAW staat ons niet toe om () teveel betaalde uitkering na meer dan twee jaar terug te vorderen. Om [het verspelen van het recht op terugvordering] te voorkomen heeft de bedrijfsvereniging - bij gebrek aan financile gegevens - geen andere mogelijkheid dan het AAW-recht over 1994 op nihil vast te stellen (formeel heet dit: het buiten aanmerking laten in verband met het niet voldoen aan uw verplichting tot het geven van informatie) en de volledige aan u betaalbaar gestelde uitkering in 1994 van u terug te vorderen. In uw geval betekent dit dat de over de periode 01.10.93 tot 01.05.94 betaalde uitkering ad f 11.447,65 bruto (incl. vakantietoeslag) wordt teruggevorderd."

Gedaagde heeft het formulier 'Begeleiding en controle AAW/WAO 1995' in juli 1996 ingevuld en verzonden, waarna het op 31 juli 1996 bij appellant is ingekomen.

Bij brief gedateerd 26 april 1996 heeft appellant gedaagde laten weten dat de inkomstengegevens met betrekking tot het boekjaar 1994/1995 nog niet zijn ontvangen. Verzocht wordt de gegevens zo spoedig mogelijk op te sturen. Vervolgens wordt de inhoud van de hiervoor reeds geciteerde brief van 27 december 1995 weergegeven, met dit verschil dat als periode waarover wordt teruggevorderd wordt genoemd 1 mei 1994 tot 1 mei 1995, terwijl wordt aangegeven dat over die periode de betaalbaar gestelde uitkering wordt teruggevorderd.

Gedaagde heeft het formulier 'Begeleiding en controle AAW/WAO 1996' in juli 1996 ingevuld en verzonden, waarna het op 31 juli 1996 bij appellant is ingekomen.

Appellants arbeidsdeskundige G.A.A. Leune heeft vervolgens een onderzoek ingesteld in verband met gedaagdes inkomsten uit bedrijf in de periode 1 augustus 1993 tot 1 mei 1995. Leune concludeert dat gedaagde in deze periode onveranderd volledig arbeidsongeschikt is, maar, gezien zijn inkomsten uit arbeid, fictief dient te worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 55-65%.

Bij brief van 6 december 1996 heeft appellant vervolgens aangekondigd dat hij, onder toepassing van artikel 33 van de AAW, gedaagde in de periodes 1 augustus 1993 tot 1 mei 1994, 1 mei 1994 tot 1 mei 1995 en 1 mei 1995 tot 1 mei 1996, gezien zijn inkomsten uit arbeid in die periodes, fictief zal indelen in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%. In deze brief is aangegeven dat het over de perioden 1 oktober 1993 tot 1 mei 1994 en 1 mei 1994 tot 1 november 1994 teveel betaalde (per 1 november 1994 was de uitbetaling van gedaagdes uitkering geschorst) zal worden teruggevorderd. De daarop gevolgde kortingsbesluiten zijn gedateerd respectievelijk 6, 9 en 10 december 1996.

Vervolgens heeft appellant de in rubriek I genoemde terugvorderingsbesluiten van 10 en 11 december 1996 genomen.

Gedaagde is zowel tegen de kortingsbesluiten als de terugvorderingsbesluiten in beroep gekomen. De beroepen tegen de kortingsbesluiten zijn door de rechtbank ongegrond verklaard. Ten aanzien van de terugvorderingsbesluiten heeft de rechtbank overwogen dat nu de beroepen tegen de kortingsbesluiten ongegrond zullen worden verklaard, vast is komen te staan dat aan gedaagde over de periode 1 augustus 1993 tot 31 oktober 1994 onverschuldigd AAW-uitkering is betaald. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het gedaagde in het licht van de jurisprudentie van de Raad redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij in de betreffende periode teveel uitkering ontving.
De rechtbank heeft appellant desondanks niet tot terugvordering over de in geding zijnde periode bevoegd geacht. Zij heeft daartoe overwogen dat, daargelaten het antwoord op de vraag of de in de brieven van 27 december 1995 en 26 april 1996 vervatte mededelingen vallen aan te merken als eerste terugvorderingshandelingen met een ondubbelzinnig karakter zoals in de jurisprudentie van de Raad voorgeschreven, de rechtbank uit de inhoud van de genoemde brieven afleidt dat op dat moment nog geen onderzoek was gedaan naar eventuele inkomsten van gedaagde in de relevante periodes. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat de genoemde brieven, voorzover daarin al een eerste terugvorderingshandeling is te lezen, geen feitelijke grondslag hebben.
Nu appellant eerst bij brief van 6 december 1996 de terugvordering op ondubbelzinnige wijze aan gedaagde heeft medegedeeld, was appellant, aldus de rechtbank, niet bevoegd om tot terugvordering over te gaan over perioden gelegen vr 6 december 1994. De beroepen tegen de terugvorderingsbesluiten zijn op die grond door de rechtbank gegrond verklaard.

De gedingen in hoger beroep zijn beperkt tot de vraag of de brieven van 27 december 1995 en 26 april 1996 kunnen worden aangemerkt als rechtens relevante eerste terugvorderingshandelingen.

Met appellant is de Raad van oordeel dat genoemde brieven van 27 december 1995 en 26 april 1996 als eerste terugvorderinghandelingen dienen te worden beschouwd, nu in deze brieven op ondubbelzinnige wijze tot uitdrukking is gebracht dat door appellant over de periode van 1 oktober 1993 tot 1 november 1994 betaalde uitkering van gedaagde wordt teruggevorderd.

De door gedaagde naar voren gebrachte omstandigheid dat thans het onverschuldigde karakter van de gedane betalingen niet langer gegrond is op het buiten aanmerking laten van de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 16 van de AAW (zoals destijds luidend), maar op het onder toepassing van artikel 33 van de AAW niet tot uitbetaling brengen van de uitkering, kan aan het vorenstaande geen afbreuk doen. Deze wijziging van de grondslag van de verplichting tot terugbetaling laat immers onverlet dat gedaagde na ontvangst van genoemde brieven op de hoogte was van gedaagdes besluiten tot terugvordering. De Raad heeft reeds eerder een dergelijk oordeel gegeven, voor het eerst in zijn uitspraak van 13 juni 2001, 98/2679 AAW.

Hetgeen gedaagde in zijn brieven van 20 juli en 20 augustus 2001 nog heeft aangevoerd over de toepassing van de bepalingen in titel 11 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) inzake de verjaring van rechtsvorderingen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Daartoe overweegt de Raad dat op de onderhavige terugvorderingen ten aanzien van de termijnen waarbinnen terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de AAW plaats kon vinden, een apart, van de bovenbedoelde regeling in het BW afwijkend, wettelijk en jurisprudentieel regime van kracht was. Reeds hierom kan deze grief van gedaagde niet slagen.

Het hiervoor overwogene betekent dat het hoger beroep van appellant slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op de bestreden besluiten en de veroordeling tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht, dient te worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht in het onderhavige geval geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij de bestreden besluiten van 10 december en 11 december 1996 zijn vernietigd en een proceskostenveroordeling en een veroordeling tot vergoeding van griffierecht is uitgesproken;
Verklaart het inleidend beroep tegen die besluiten alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 november 2001.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x