Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AE8894
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-09-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-uitbetaling AAW/WAO-uitkering over de periode in geding wegens inkomsten uit arbeid en weigering om terug te komen van dit besluit. Terugvordering van onverschuldig betaalde uitkering. Is een faxbericht ten onrechte aangemerkt als een bezwaarschrift? Is uitgegaan van een onjuist maatmaninkomen en is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig genomen? Afwijzing verzoek om vergoeding van geleden inkomens- en andere schade.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/4761 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 8 december 1998 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde, onder toepassing van artikel 33 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en artikel 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de uitbetaling van de aan appellant krachtens die wetten toegekende uitkeringen, die laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 1 januari 1997 op nihil gesteld in verband met de door appellant ingaande laatstgenoemde datum verworven inkomsten uit arbeid.

Bij besluit van 8 februari 1999 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde geweigerd terug te komen van zijn eerder genomen besluit van 8 december 1998.

Bij besluit van 5 maart 1999 (hierna: besluit 3) heeft gedaagde met toepassing van artikel 48 van de AAW en artikel 57 van de WAO van appellant teruggevorderd een bedrag van € 6.868,16 (voorheen f 15.135,43) ter zake van hetgeen op grond van die wetten over de periode van 14 februari 1997 tot en met 1 januari 1998 onverschuldigd aan appellant was betaald.

Bij besluit van 28 oktober 1999 heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen:
besluit 1 ongegrond verklaard onder correctie van de datum met ingang waarvan appellants uitkeringen krachtens de AAW en de WAO niet tot uitbetaling komen (14 februari 1997), alsmede van het in besluit 1 vermelde arbeidsongeschiktheidspercentage, zoals dat ten aanzien van appellant per 14 februari 1997 was vastgesteld (45 tot 55%);
besluit 2 ongegrond verklaard;
besluit 3 ongegrond verklaard.

De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 1 augustus 2000 het beroep tegen dat deel van het bestreden besluit waarbij het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond is verklaard, gegrond verklaard en het bezwaar tegen besluit 1 alsnog niet-ontvankelijk verklaard, en heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft J. van Dalen AA, werkzaam bij Van den Heuvel & Van Dalen, accountants/belastingadviseurs te Amersfoort, bij beroepschrift (met bijlage) van 8 september 2000 tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift d.d. 4 januari 2001 ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 juni 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door J. van Dalen, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.A.L. Nieuwenhuis, werkzaam bij het Uwv, als zijn gemachtigde.




II. MOTIVERING


De Raad ziet aanleiding in de eerste plaats een oordeel te geven over de in de aangevallen uitspraak vervatte beslissing van de rechtbank dat gedaagde ten onrechte het faxbericht van 16 december 1998 heeft aangemerkt als een bezwaarschrift tegen besluit 1, en daarop inhoudelijk heeft beslist. De rechtbank heeft als haar oordeel te kennen gegeven dat pas bij schrijven van 22 maart 1999 door appellant bezwaar is gemaakt tegen besluit 1 en dat dat bezwaar derhalve niet tijdig is ingesteld. Nu naar haar oordeel voorts niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld in verzuim te zijn geweest, had gedaagde het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk dienen te verklaren. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond is verklaard, gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. Onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank vervolgens zelf in de zaak voorzien, in dier voege dat zij het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank zich ten onrechte heeft uitgesproken over de tijdigheid van het tegen besluit 1 gemaakte bezwaar, omdat zowel appellant als gedaagde dat aspect niet in het kader van het beroep bij de rechtbank aan de orde hebben gesteld. Deze grief treft evenwel geen doel, daar de vraag of een bezwaar tijdig is gemaakt en derhalve tot een inhoudelijke beoordeling kan leiden van het besluit waartegen bezwaar is gemaakt, is aan te merken als een kwestie van openbare orde en het tot de taak van de rechter behoort om kwesties van openbare orde - ook zonder dat zo'n kwestie door (één van de) partijen aan hem is voorgelegd - te toetsen aan de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. De rechtbank kan derhalve, voor zover zij uit eigen beweging de vraag heeft opgeworpen of ter zake van besluit 1 wel van een tijdig gemaakt bezwaar sprake was, niet worden geacht buiten de haar toegewezen taak te zijn getreden.

Niettemin is de Raad van oordeel dat de beslissing van de rechtbank, voor zover thans aan de orde, niet in rechte stand kan houden. Hij overweegt daartoe als volgt.

Gedaagde heeft het faxbericht van 16 december 1998 uiteindelijk aangemerkt als bezwaarschrift en heeft ter zake van dat bezwaar een inhoudelijk oordeel gegeven. Het is in eerste instantie aan een bestuursorgaan, als dit wordt geconfronteerd met de opvatting van een belanghebbende waaruit blijkt dat die zich niet kan vinden in een ten aanzien van hem genomen besluit, om te oordelen of van een bezwaarschrift kan worden gesproken of niet. Daarbij dient het bestuursorgaan met name acht te slaan op de bedoelingen, voor zover kenbaar, van de belanghebbende. Voor het indienen van een bezwaarschrift (of een beroepschrift) gelden weliswaar formele vereisten, maar als uit een schriftelijk stuk kenbaar is dat een belanghebbende bezwaar wenst te maken tegen een bepaald besluit, dient die belanghebbende, als het door hem ingediende geschrift niet aan die formele vereisten voldoet, alsnog in de gelegenheid te worden gesteld de verzuimen te herstellen, althans in het geval het bestuursorgaan overweegt het bezwaar wegens die verzuimen niet-ontvankelijk te verklaren. Tegen deze achtergrond, alsmede gelet op het feit dat door gedaagde niet wordt betwist dat appellant in een telefonisch onderhoud kenbaar heeft gemaakt bezwaren te hebben tegen besluit 1, waarna appellant vervolgens het faxbericht van 16 december 1998 heeft toegezonden aan gedaagde, is de Raad van oordeel dat gedaagde dat bericht in redelijkheid heeft kunnen aanmerken als een tijdig ingediend bezwaarschrift tegen besluit 1. De aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond verklaard, dient derhalve te worden vernietigd.

De Raad ziet, gelet op artikel 27 in samenhang met artikel 26, eerste lid, van de Beroepswet, aanleiding de zaak, voor zover betrekking hebbende op besluit 1, niet terug te wijzen maar zelf af te doen. Naar zijn oordeel behoeft, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank, waarbij hij er op wijst dat ter zitting partijen te kennen hebben gegeven in te stemmen met het afdoen van de zaak door de Raad.

Het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond is verklaard

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de toepassing van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO, als neergelegd in besluit 1, is uitgegaan van een onjuist maatmaninkomen, alsmede dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is genomen en jegens hem onredelijk uitwerkt.

Gedaagde heeft bij het nemen van het bestreden besluit, voor zover het betreft het in aanmerking te nemen maatmaninkomen, toepassing gegeven aan het uit de jurisprudentie van de Raad (zie zijn uitspraken van 17 augustus 1993, gepubliceerd in RSV 1993/298 en AB 1994/119, en 21 november 1995, gepubliceerd in AB 1996/83) voortvloeiende systeem van vaststelling van het maatmaninkomen van een zelfstandige. De omstandigheid dat appellant, als directeur/eigenaar van een verfhandel, tevens was toegelaten tot de vrijwillige verzekering krachtens de WAO maakt niet dat bedoeld systeem niet kan of dient te worden gehanteerd. Gelet op de voorhanden zijnde gegevens, waarvan met name het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige G. Huisman van 15 september 1999, ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat gedaagde bij zijn besluitvorming van een onjuist maatmaninkomen is uitgegaan. Voorts ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover thans aan de orde, niet voldoende zorgvuldig is genomen, waarbij hij er op wijst dat bij de voorbereiding van het bestreden besluit, wat betreft het daarbij in aanmerking genomen maatmaninkomen, uiteindelijk is uitgegaan van de door de fiscus gecorrigeerde cijfers, in casu het cijfer over het jaar 1995. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat de Raad zich niet kan stellen achter het betoog van appellant dat het maatmaninkomen op het in het kader van de vrijwillige verzekering krachtens de WAO afgesproken dagloon dient te worden vastgesteld. De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid - in welk kader het maatmaninkomen een rol speelt - staat, zo overweegt de Raad, immers los van de vaststelling van de hoogte van het krachtens de WAO uit te betalen bedrag van de uitkering, in welk kader het dagloon als uitgangspunt geldt.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellant, voor zover gericht tegen het thans aan de orde zijnde onderdeel van het bestreden besluit, geen doel treft.

Het bestreden besluit, voor zover daarbij de bezwaren tegen de besluiten 2 en 3 ongegrond zijn verklaard.

Appellant heeft tegen deze onderdelen van het bestreden besluit geen zelfstandige bezwaren aangevoerd, maar zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit 1 is ongegrond verklaard, niet in rechte stand kan houden, hetgeen meebrengt dat tevens het bestreden besluit, voor zover daarbij de bezwaren tegen de besluiten 2 en 3 ongegrond zijn verklaard, geen stand kan houden. Onder verwijzing naar zijn hierboven gegeven overwegingen, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbende op de besluiten 2 en 3, wel in rechte stand kan houden en hij stelt zich daarbij achter de daartoe door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak gegeven overwegingen.

Nu de Raad van oordeel is dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden, ziet hij geen aanleiding tot toewijzing over te gaan van het verzoek van appellant om veroordeling van gedaagde in de door appellant geleden inkomens- en andere schade.

De Raad acht in verband met het hierboven overwogene termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de kosten van appellant in hoger beroep, welke zijn begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand. Voor zover appellant heeft verzocht om vergoeding van door zijn gemachtigde gemaakte kosten voor advies, is de Raad van oordeel dat die kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen in het kader van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Ten slotte stelt de Raad vast dat het door appellant betaalde griffierecht in hoger beroep door gedaagde dient te worden vergoed.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard;
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Verklaart het inleidende beroep tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit 1 is ongegrond verklaard, alsnog ongegrond;
Wijst het verzoek om veroordeling van gedaagde tot vergoeding van schade af;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 77,14 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 september 2002.

Deze uitspraak is getekend door mr. J.Th. Wolleswinkel bij verhindering van mr. H. Bolt.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x