Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AE8922
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-08-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning AAW-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Heeft de arbeidsdeskundige bij de vaststelling van het ter berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid gebruikte maatgevende inkomen ten onrechte de bedrijfsresultaten over de jaren 1994, 1995 en 1996 in plaats van de jaren 1993, 1994 en 1995 in aanmerking genomen? Voor de gevallen waarin dat praktisch mogelijk is, heeft bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige steeds als uitgangspunt te gelden de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Toewijzing verzoek om renteschadevergoeding.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/3285 AAW en 01/6490 AAW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 25 september 1998 heeft gedaagde appellant met ingang van 30 december 1997 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij brief van 13 oktober 1998 is namens appellant tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 september 1999 heeft gedaagde dat bezwaar ongegrond verklaard.

Namens appellant is bij beroepschrift van 7 oktober 1999 beroep ingesteld tegen het besluit van 17 september 1999 (hierna: het bestreden besluit).

De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 11 mei 2000 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Tevens heeft de rechtbank het namens appellant gedane verzoek om schadevergoeding afgewezen, en gedaagde veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Namens appellant heeft mr. J.B.J. de Bruyn, advocaat te Groenlo, bij beroepschrift van 19 juni 2000, voorzien van bijlagen, hoger beroep ingesteld tegen voornoemde uitspraak. De gronden waarop het hoger beroep rust zijn aangevoerd bij aanvullend beroepschrift van 29 augustus 2000.

Gedaagde heeft bij schrijven van 9 november 2000, met bijlagen, van verweer gediend.

Desgevraagd heeft gedaagde nadere stukken ingezonden, waaronder een afschrift van een nadere beslissing op bezwaar, gedateerd 30 november 2001.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 juni 2002, waar voor appellant is verschenen mr. De Bruyn, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. A.E.G. de Jong, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad, voor zover van belang, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant, sedert december 1991 werkzaam als zelfstandig slager, heeft op 29 december 1997 aan gedaagde verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de AAW, in verband met arbeidsongeschiktheid als gevolg van een hem op 31 december 1996 overkomen verkeersongeval.

Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde bij besluit van 25 september 1998 met ingang van 30 december 1997 aan appellant een zodanige uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Namens appellant is als grief tegen dat besluit naar voren gebracht dat gedaagdes arbeidsdeskundige bij de vaststelling van het ter berekening van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid gebruikte maatgevende inkomen ten onrechte de bedrijfsresultaten over de jaren 1994, 1995 en 1996 in aanmerking heeft genomen. Appellant is de opvatting toegedaan dat, gelet op de dienaangaande in de rechtspraak gegeven regels, als de te dezen maatgevende jaren had dienen te worden uitgegaan van de jaren 1993, 1994 en 1995. Opmerking hierbij verdient dat het bedrijfsresultaat over 1993 aanmerkelijk gunstiger was dan dat over 1996, in verband waarmee, naar van de zijde van appellant is gesteld, berekening van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met inachtneming van het door hem voorgestane maatgevende inkomen, zou resulteren in indeling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 17 september 1999, bij welk besluit gedaagde zijn primaire besluit van 25 september 1998 heeft gehandhaafd, gegrond verklaard. De rechtbank heeft zich enerzijds kunnen verenigen met de zienswijze van gedaagde dat het boekjaar 1996 als afgesloten moet worden beschouwd, zulks gelet op het feit dat appellants arbeidsongeschiktheid is ingetreden op 31 december 1996 na sluitingstijd van appellants bedrijf, in verband waarmee, naar de rechtbank overwoog, geen sprake meer was van onzekere inkomsten en kostenposten na het intreden van appellants arbeidsongeschiktheid die van invloed zouden kunnen zijn op de resultaten van het betreffende boekjaar 1996. De rechtbank heeft in verband hiermee geoordeeld dat gedaagde bij het berekenen van het maatmaninkomen terecht de boekjaren 1994, 1995 en 1996 als uitgangspunt heeft genomen.

Anderzijds heeft de rechtbank, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, overwogen dat appellant ten tijde van het ongeval nog bezig was (een) bestelling(en) rond te brengen en dat gedaagde onvoldoende heeft onderzocht of appellant door het ongeluk concreet bepaalbare inkomsten in verband met de beweerde bestellingen is misgelopen. Indien dat het geval zou zijn, zou naar het oordeel van de rechtbank het resultaat over het boekjaar 1996 nog moeten worden gecorrigeerd met dit concreet vast te stellen bedrag aan misgelopen inkomsten. Derhalve moet, aldus de rechtbank, worden geoordeeld dat het bestreden besluit arbeidskundig onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, zodat dat besluit om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.

Het hoger beroep van appellant is beperkt tot het vorenomschreven oordeel van de rechtbank dat gedaagde bij de bepaling van zijn maatgevende inkomen terecht als refertejaren de jaren 1994, 1995 en 1996 in aanmerking heeft genomen. Appellant houdt in hoger beroep staande dat gedaagde had moeten uitgaan van de jaren 1993, 1994 en 1995. Omdat zulks naar de mening van appellant zou leiden tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%, vordert hij tevens wettelijke rente over het verschil tussen het uitkeringsbedrag op basis van die klasse en het uitkeringsbedrag behorende bij de klasse waarin gedaagde hem bij het bestreden besluit heeft ingedeeld.

Gedaagde heeft in de uitspraak van de rechtbank berust en heeft een nader onderzoek ingesteld naar de door appellant als gevolg van het verkeersongeval op oudejaarsavond misgelopen verdiensten, als bedoeld door de rechtbank. Gedaagde heeft vastgesteld dat de betreffende verdiensten moeten worden gesteld op een bedrag van f 327,30. Gedaagde heeft, na eerst nog het maatmaninkomen te hebben herberekend met toepassing van de CBS-cijfers, geconcludeerd dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid ongewijzigd dient te worden bepaald op 35 tot 45%. Gedaagde heeft dit standpunt vervolgens neergelegd in de in rubriek I vermelde nadere beslissing op bezwaar van 30 november 2001.
De Raad overweegt in de eerste plaats dat laatstgenoemd besluit, nu dit door gedaagde is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak en nu daarmee niet aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen, met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de onderhavige procedure dient te worden betrokken.

Met betrekking tot het partijen verdeeld houdende materiële geschilpunt overweegt de Raad als volgt.

In zijn uitspraak van 17 augustus 1993, gepubliceerd in RSV 1993/298, heeft de Raad blijk gegeven van zijn opvatting dat voor de gevallen waarin dat praktisch mogelijk is, bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige steeds als uitgangspunt heeft te gelden de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Daarmee worden, aldus de Raad in genoemde uitspraak, vaak achteraf gevoerde discussies over de min of meer arbitraire vraag of in een bepaald geval de nettowinst over een, twee, drie of vier jaren voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid tot uitgangspunt moet worden genomen, in het vervolg vermeden. Vorenomschreven opvatting is sedertdien in vaste jurisprudentie gehandhaafd.

In gevallen als het onderhavige, waarin de boekjaren samenvallen met de kalenderjaren, komt vorenomschreven regel erop neer dat ter bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige de resultaten in beschouwing dienen te worden genomen van de drie jaren voorafgaande aan het jaar waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.

De Raad moet vaststellen dat gedaagde met de door hem in het onderhavige geval gevolgde benadering bij de bepaling van appellants maatmaninkomen is afgeweken van deze regel, nu daarbij immers door gedaagde de resultaten zijn betrokken van het jaar (1996) waarin appellants arbeidsongeschiktheid is ingetreden. Nu aldus in strijd met de jurisprudentie het maatgevende inkomen mede is gebaseerd op de resultaten van het ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid nog niet afgesloten boekjaar 1996, moet het in geschil zijnde besluit als rechtens onjuist worden gekwalificeerd.

De Raad merkt daarbij op dat de door gedaagde bij de keuze van zijn benadering - en door de rechtbank bij sanctionering van die keuze - in aanmerking genomen omstandigheid dat in verband met het tijdstip van het intreden van appellants arbeidsongeschiktheid geen sprake meer was van onzekere inkomsten en kostenposten na het intreden van appellants arbeidsongeschiktheid, een voor afwijking van de in de rechtspraak ontwikkelde regel ontoereikende rechtvaardiging vormt, in het bijzonder tegen de achtergrond van de bedoeling van die regel om discussies te vermijden over de min of meer arbitraire vraag hoeveel - en welke - jaren in een voorkomend geval als maatgevend in aanmerking moeten worden genomen. De door gedaagde voorgestane benadering waarbij, afhankelijk van de vraag op welk moment in een bepaald jaar de arbeidsongeschiktheid is ingetreden en van de daarmee samenhangende vraag of de ingetreden arbeidsongeschiktheid in een relevante mate van invloed is geweest op de bedrijfsresultaten over dat jaar, bezien wordt of de resultaten in het jaar van uitval - het nog lopende boekjaar - als zijnde het dichtst tegen de datum van uitval gelegen jaar in de berekening van het maatgevende inkomen kunnen worden betrokken, draagt het gevaar in zich van een herintroductie van bedoelde arbitraire elementen in de oordeel- en besluitvorming en van de daarover achteraf gevoerde discussies, welke de hiervoor weergegeven rechtspraak nu juist beoogde en beoogt te elimineren. De Raad ziet hierin aanleiding om - zulks wordt op zich door de Raad onderkend - ook in een bijzonder geval als het onderhavige, strikt de hand te houden aan de te dezen geldende vaste jurisprudentiële regel.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de Raad met appellant van oordeel is dat gedaagde ten onrechte in het onderhavige geval het maatmaninkomen van appellant heeft bepaald aan de hand van de bedrijfsresultaten over de jaren 1994, 1995 en 1996, in plaats van de jaren 1993, 1994 en 1995.

De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd. Tevens dient het beroep, voor zover dat moet worden geacht mede te zijn gericht tegen de nadere beslissing op bezwaar van 30 november 2001, gegrond te worden verklaard, onder vernietiging van dat besluit.

Het verzoek van appellant tot vergoeding van wettelijke rente op grond van artikel 8:73 van de Awb, acht de Raad toewijsbaar. Wat betreft de wijze waarop gedaagde de wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, volstaat de Raad te verwijzen naar zijn uitspraak, gepubliceerd in JB 1995/314.

De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644, - voor verleende rechtsbijstand.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht door het Uwv dient te worden vergoed.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep, voor zover dat moet worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 30 november 2001 gegrond, en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nader besluit zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644, -, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 77,14 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. H.J. Simon en prof.mr. L.F.M. Verhey als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2002.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.D. Streefkerk.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x