Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AF0207
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-09-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verhoging AAW-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Vervolgens, na herbeoordeling op grond van de Wet TBA, intrekking AAW-uitkering op de grond dat betrokkene voor minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Hangende het hoger beroep zijn, daar het maatmaninkomen niet kan worden gehandhaafd, drie nieuwe besluiten getroffen: verhoging uitkering naar 45-55%, vervolgens naar 80-100% en daarna verlaging naar 25-35%. Is het arbeidsurenverlies juist vastgesteld door de arbeidsdeskundige? Moet betrokkene als rozenkweker niet in staat worden geacht (een voldoende aantal van) de voor hem geselecteerde functies te kunnen verrichten gelet op het zeer slechte gezichtsvermogen met zijn linkeroog? De kosten van de geraadpleegde deskundige-arts komen slechts voor vergoeding in aanmerking als schriftelijk verslag is uitgebracht.
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/6598 AAW, 98/6933 AAW, 01/868 AAW, 01/869 AAW en 01/870 AAW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], betrokkene,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder de Raad van bestuur van het Uwv ( hierna: bestuur Uwv) tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger daarvan zijnde in dit geval in de gedingen onder de nummers 98/6598 AAW en 98/6933 AAW het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven.

Bij besluit van 6 februari 1996 (hierna: besluit 1) heeft het bestuur Uwv aan [naam betrokkene] (hierna: betrokkene) medegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) met ingang van 26 juni 1995 wordt verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij besluit van 7 februari 1996 (hierna: besluit 2) heeft het bestuur Uwv aan betrokkene medegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de AAW met ingang 29 februari 1996 wordt ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per voornoemde datum moet worden gesteld op minder dan 25%.

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 23 juli 1998 het beroep tegen besluit 2 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, het bestuur Uwv veroordeeld tot vergoeding aan betrokkene van renteschade en proceskosten, bepaald dat het bestuur Uwv het door betrokkene gestorte griffierecht vergoedt, en het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

Beide partijen (betrokkene bij gemachtigde mr. Y. Reichardt, werkzaam bij SRK rechtsbijstand) zijn van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen op bij aanvullende beroepschriften aangegeven gronden en - wat betreft het bestuur Uwv - onder overlegging van twee bijlagen.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 oktober 1999 is namens betrokkene een op zijn verzoek door registerarbeidsdeskundige Tj. Dijkstra uitgebracht rapport van 2 juli 1999 in het geding gebracht.

Op verzoek van de Raad is door het bestuur Uwv bij brief van 17 januari 2001 op dit rapport een reactie gegeven. Tevens is, onder toezending van een drietal nieuwe besluiten, gesteld dat besluit 2 niet langer stand kan houden en dat het maatmaninkomen eveneens niet kan worden gehandhaafd. Daarbij heeft het bestuur Uwv de Raad verzocht deze besluiten alsnog in de beroepsprocedure te betrekken. Het betreft hier:
-het besluit van het bestuur Uwv van 17 januari 2001 waarbij de uitkering ingevolge de AAW van betrokkene per 29 februari 1996 onveranderd wordt vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% (hierna besluit 3);
-het besluit van het bestuur Uwv van eveneens 17 januari 2001 waarbij de uitkering ingevolge de AAW van betrokkene met ingang van 15 maart 1996 wordt verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% (hierna: besluit 4);
-het besluit van het bestuur Uwv van andermaal 17 januari 2001 waarbij de uitkering ingevolge de AAW van betrokkene met ingang van 1 juni 1996 wordt verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% (hierna: besluit 5).

Op verzoek van de Raad is namens betrokkene bij brief van 25 april 2001 (met bijlage) een reactie gegeven op het commentaar door het bestuur Uwv op het rapport van Dijkstra voornoemd, alsmede op de nadere vaststelling van het maatmaninkomen.

Bij brief van 15 juni 2001 is door het bestuur Uwv, onder toezending van stukken, nog een nadere reactie op het voorgaande gegeven.

Op verzoek van de Raad heeft de registerarbeidsdeskundige J. Misset van verslag en advies gediend. Deze deskundige heeft op 22 maart 2002 zijn rapport ingezonden.

Bij brief van 13 juni 2002 zijn namens betrokkene nog enkele opmerkingen gemaakt met betrekking tot de gedingen in hoger beroep. Daarbij is gesteld dat voor zover de Raad de besluiten 3 tot en met 5 in zijn oordeel zal betrekken verwezen wordt naar hetgeen door hem op 23 februari 2001 aan het bestuur Uwv naar voren is gebracht, met het verzoek hetgeen daar is gesteld ten aanzien van die besluiten als herhaald en ingelast te beschouwen, en al hetgeen in de beroepsprocedure tegen besluit 2 naar voren is gebracht mede gericht te achten tegen die besluiten. Tevens is mede verzocht om vergoeding van de kosten in verband met het namens betrokkene uitgebrachte rapport door de arbeidsdeskundige Dijkstra.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 26 juni 2002, waar betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Reichardt voornoemd, en waar het bestuur Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.E.G. de Jong, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Betrokkene is een zelfstandig rozenkweker die door de verzekeringsarts als gevolg van rugklachten is aangewezen op de lichtere aspecten in het werk, terwijl door de arbeidsdeskundige is aangenomen dat hij een arbeidsachterstand in het eigen bedrijf heeft van 42,41 % (1022 uren per jaar afgezet tegen een arbeidsbehoefte van 2410 uren per jaar). Op basis hiervan is aan betrokkene met ingang van 28 februari 1990 een uitkering ingevolge de AAW toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Als gevolg van een ongeval op 27 juni 1994 liep betrokkene een beschadiging aan het linkeroog op waardoor visusklachten ontstonden. De arbeidsdeskundige nam hierdoor een toegenomen verlies aan verdiencapaciteit aan, waardoor de totale arbeidsachterstand kwam op 1212 uren per jaar. Als gevolge hiervan is bij besluit 1 de AAW-uitkering van met ingang van 26 juni 1995 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Vervolgens is na een herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet TBA de AAW-uitkering van betrokkene bij besluit 2 met ingang 29 februari 1996 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per voornoemde datum moet worden gesteld op minder dan 25%. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige met inachtneming van de door de verzekeringsgeneeskundige voor betrokkene geldende lichamelijke beperkingen, betrokkene geschikt geacht voor een aantal met name genoemde functies. Met deze functies zou betrokkene een zodanig inkomen kunnen verwerven dat in vergelijking met het voor hem geldende maatgevende loon, geen relevant inkomensverlies resteert.

De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank zich mede heeft gebaseerd op een op verzoek van de rechtbank uitgebracht rapport van de huisarts A.S.J.J. Jenniskens van 20 september 1997, waaruit blijkt dat de deskundige zich kan verenigen met het door de arbeidsdeskundige bepaalde arbeidsurenverlies.

De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 2 gegrond verklaard, waarbij de rechtbank er vanuit is gegaan dat betrokkene op 29 februari 1996 met zijn linkeroog een zeer slecht gezichtsvermogen had, waardoor hij niet in staat moet worden geacht (een voldoende aantal van) de voor hem geselecteerde functies te kunnen verrichten, die voor het overgrote deel zeer nauwkeurige handelingen vereisen waarvoor een goed gezichtsvermogen vereist is.

Beide partijen zijn in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep van het bestuur Uwv ziet op de gegrondverklaring door de rechtbank van het beroep tegen besluit 2 en op de veroordeling van het bestuur Uwv in de kosten van het verslag dat de deskundige-arts J.H.C.M. Fouchier aan de gemachtigde van betrokkene heeft uitgebracht. Het hoger beroep van betrokkene ziet op de ongegrondverklaring door de rechtbank van het beroep tegen besluit 1.

Het bestuur Uwv heeft vervolgens de in rubriek I genoemde besluiten van 17 januari 2001 genomen. Het bestuur Uwv heeft de Raad verzocht deze besluiten met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het hoger beroep te betrekken.

De Raad stelt vast dat met besluit 3 besluit 2 is gewijzigd, en dat daarmee niet volledig is tegemoetgekomen aan het beroep van betrokkene tegen besluit 2 zodat dit beroep geacht kan worden mede gericht te zijn tegen besluit 3. Met besluit 4 is geheel tegemoet gekomen aan evenbedoeld beroep, zodat artikel 6:19 van de Awb zich verzet tegen het in geding betrekken van besluit 4. Besluit 5, dat niet is genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, valt eveneens binnen de grondslag en de reikwijdte van besluit 2 en maakt deel uit van een samenhangend stelsel van besluiten. Mede gelet op doel en strekking van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb acht de Raad derhalve in dit geval termen aanwezig om overeenkomstig artikel 6:24, eerste lid in samenhang met artikel 6:19, eerste lid van de Awb het hoger beroep mede gericht te achten tegen besluit 5.

Gelet op het vorenstaande worden partijen verdeeld gehouden door het antwoord op de volgende vragen:
1. Is het urenverlies in het eigen werk van betrokkene per 26 juni 1995 en 29 februari 1996 door het bestuur Uwv terecht gesteld op 50%, en is in de periode van 26 juni 1995 tot 15 maart 1996 de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene terecht gesteld op 45 tot 55 %;
2. Moet betrokkene met zijn beperkingen vanaf 1 juni 1996 geschikt worden geacht de hem voorgehouden functies te verrichten, waarmee hij een zodanig inkomen zou kunnen verwerven dat hij in vergelijking met het voor hem geldende maatgevende loon vanaf die datum moet worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidklasse van 25 tot 35%;
3. Heeft de rechtbank het bestuur Uwv terecht veroordeeld in de kosten van het verslag dat de deskundige-arts J.H.C.M. Fouchier aan de gemachtigde van betrokkene heeft uitgebracht.
De Raad overweegt het volgende.



De medische beoordeling

Het standpunt van het bestuur Uwv was, wat het medisch aspect betreft, aanvankelijk gebaseerd op de bevindingen van de verzekeringsgeneeskundige J.I. Noordsij, die van mening was dat betrokkene geschikt moet worden geacht voor rugsparend werk, rekening houdend met een zeer slechte visus van het linker oog. Op verzoek van de rechtbank is betrokkene onderzocht door huisarts A.S.J.J. Jenniskens te Oss. Deze deskundige heeft op 20 september 1997 rapport uitgebracht, naar aanleiding waarvan de verzekeringsgeneeskundige L. Moraca het ten aanzien van betrokkene opgestelde belastbaarheidspatroon op een aantal onderdelen zoals staan, knielen, gebogen werken en tillen, heeft bijgesteld, welke beperkingen zijn neergelegd in de "verwoording belastbaarheid belanghebbende" van 7 november 1997.

In hetgeen namens betrokkene ter zake in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de deskundige ten aanzien van het medische aspect, en het naar aanleiding daarvan bijgestelde belastbaarheidspatroon, te minder daar betrokkene zijn stellingen wat betreft met name de visus niet nader heeft onderbouwd met feitelijke gegevens van medische aard.

Het urenverlies in het eigen werk van betrokkene per 26 juni 1995 en 29 februari 1996

Het standpunt van het bestuur Uwv dat betrokkene met zijn beperkingen nog in staat is tot het verrichten van 50% van zijn werkzaamheden als rozenkweker is gebaseerd op een door de arbeidsdeskundige C. de Visser in zijn rapport van 20 november 1995 gemaakte uren- en deeltakenanalyse, waarbij werd vastgesteld dat als gevolg van oogklachten er sprake was van een toegenomen verlies aan verdiencapaciteit, waardoor betrokkene een verlies van 1212 uren had ten opzichte van zijn normale arbeidsomvang van 2410 uren per jaar, hetgeen een berekende mate van arbeidsongeschiktheid van 50% opleverde.

De arbeidsdeskundige heeft zich daarbij onder andere gebaseerd op de beschrijving van de werkzaamheden van betrokkene van 2 oktober 1990, opgesteld door de arbeidsdeskundige H.H.G.M. Göppel, die in verband daarmee het bedrijf van betrokkene heeft bezocht en bij die beschrijving is uitgegaan van de door laatstgenoemde aangeleverde gegevens. Verder is uit een gesprek tussen arbeidsdeskundige De Visser en betrokkene op 31 oktober 1995 gebleken dat ten opzichte van de op 2 oktober 1990 beschreven situatie er geen wezenlijke wijzigingen zijn ontstaan.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het door de arbeidsdeskundige De Visser berekende arbeidsurenverlies niet te volgen, waarbij mede van belang is geacht dat de door haar geraadpleegde deskundige Jenniskens zich kon verenigen met het door die arbeidsdeskundige bepaalde arbeidsurenverlies, en heeft op basis daarvan vastgesteld dat het arbeidsurenverlies van betrokkene moet worden bepaald op 1212 uren per jaar, hetgeen leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidklasse van 45 tot 55%.

Namens betrokkene is op zijn verzoek door registerarbeidsdeskundige Tj. Dijkstra een rapport uitgebracht van 2 juli 1999. Op basis van een door deze deskundige gemaakte uren- en deeltakenanalyse aan de hand van een onderzoek waarbij het bedrijf van betrokkene werd bezocht, kwam hij op een arbeidsachterstand van 1627,2 uren, waarmee de berekende mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene uitkomt op 67,8%, hetgeen zou moeten leiden tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%.

Door het bestuur Uwv is bij schrijven van 17 januari 2001 hiertegen onder andere aangevoerd dat Dijkstra, voornoemd, is uitgegaan van een andere omschrijving van de maatgevende arbeid met daaraan toegerekende uren dan hetgeen terzake in 1990 is vastgesteld, waarvoor naar het oordeel van het bestuur Uwv geen aanleiding is, aangezien betrokkene de omschrijving van het maatgevende werk destijds niet in twijfel heeft getrokken, noch daartegen beroep heeft ingesteld. Verder is daarbij aangetekend dat de managementtaak van betrokkene eerder in de richting van 250 uur per jaar gaat dan de 48 uur zoals vermeldt in het rapport van Dijkstra.

Namens betrokkene is, onder verwijzing naar een aanvullend rapport van Dijkstra van 18 april 2001, daartegen aangevoerd dat het werk van betrokkene door het bestuur Uwv teveel theoretisch en schematisch is benaderd, zonder voldoende aansluiting te zoeken bij de realiteit, en dat onvoldoende rekening is gehouden met de taakurenanalyse van het specifieke bedrijf van betrokkene.

Door het bestuur Uwv is deze kritiek weersproken onder verwijzing naar een rapport van de arbeidsdeskundige Th. M.M. Doedé van 5 juni 2001, die daarin stelt dat de rapportage van de arbeidsdeskundige Visser is gebaseerd op de rapportage van arbeidsdeskundige Göppel, die het bedrijf van betrokkene destijds heeft bezocht, en dat bij de omschrijving van de werkzaamheden is uitgegaan van de gegevens van betrokkene.

Vervolgens is op verzoek van de Raad door de registerarbeidsdeskundige J. Misset op 22 maart 2002 een rapport ingezonden.

Deze deskundige komt op basis van een uren- en deeltakenanalyse op een arbeidsachterstand van betrokkene op jaarbasis van 1736 uren, hetgeen leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%.

De Raad stelt vast dat de registerarbeidsdeskundige Misset zijn uren- en deeltakenanalyse kennelijk in hoofdzaak heeft gebaseerd op de omschrijving van de werkzaamheden door Dijkstra, zonder zelf het bedrijf van betrokkene te bezoeken. Nu die omschrijving door het bestuur Uwv is bestreden, en naar het oordeel van de Raad zoals hierna zal blijken niet geheel ten onrechte, kan de Raad de conclusie van registerarbeidsdeskundige Misset niet volledig onderschrijven. Immers, Dijkstra heeft geen afdoende verklaring kunnen geven waarom hij is uitgegaan van een andere omschrijving van de maatgevende arbeid van betrokkene met daaraan toegerekende uren, dan de omschrijving waarvan De Visser is uitgegaan, terwijl beide rapporten zijn gebaseerd op een bedrijfsbezoek en op gegevens afkomstig van betrokkene. Verder merkt de Raad op dat Misset in navolging van Dijkstra uitgegaan is van een managementtaak van 48 uren per jaar. De Raad acht dit gelet op de omvang van het bedrijf van betrokkene onvoldoende aannemelijk, en is van oordeel dat het door de arbeidsdeskundige Doedé aan de managementtaak toegerekend aantal uren van 125 op jaarbasis, een reëlere schatting biedt.
Wat de werkomschrijving van betrokkene door het bestuur Uwv betreft is de Raad van oordeel dat de kritiek die namens betrokkene op die werkomschrijving is gegeven door dat bestuur genoegzaam is weerlegd. De Raad kan niet inzien dat het bestuur Uwv van een (te) theoretische omschrijving van de werkzaamheden van het werk van betrokkene is uitgegaan. De Raad verwijst in dit verband naar het commentaar van de arbeidsdeskundige Doedé.

Anderzijds is de Raad van oordeel dat, gelet op de rapporten van Dijkstra en Misset, door het bestuur Uwv onvoldoende is aangetoond dat betrokkene als gevolg van de toename van de visusklachten aan het linkeroog, ten tijde in geding uitsluitend meer beperkt is bij het zogenoemde oculeren. De Raad acht het gelet op die rapporten niet onaannemelijk dat betrokkene ook bij andere werkzaamheden dan oculeren verdergaande beperkingen ondervindt dan voorheen.

Mede gelet op deze vaststellingen ten aanzien van het rapport van arbeidsdeskundige De Visser enerzijds en de rapporten van de arbeidsdeskundigen Dijkstra en Misset anderzijds en in aanmerking genomen dat door het grote tijdsverloop het exacte verlies aan arbeidsuren van betrokkene thans niet of nauwelijks meer is vast te stellen, kan niet worden uitgesloten dat de omvang van het verlies aan arbeidsuren groter is dan arbeidsdeskundige De Visser heeft berekend en tegelijkertijd toch lager moet worden gesteld dan Dijkstra en Misset in hun rapporten hebben aangegeven.

De Raad ziet gelet op het vorenstaande, alsmede gelet op de door beide partijen geuite wens het geschil thans definitief te beslechten, aanleiding het arbeidsurenverlies van betrokkene en de daaruit voortvloeiende indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse zelf vast te stellen, waarbij de Raad van oordeel is dat betrokkene met de vaststelling van een verlies op jaarbasis van ongeveer 1420 arbeidsuren en een daaruit voortvloeiende indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65% niet tekort wordt gedaan.
De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de aanspraak van betrokkene op uitkering krachtens de AAW over de periode 26 juni 1995 tot 15 maart 1996 vast te stellen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

De gestelde geschiktheid van betrokkene om met zijn beperkingen vanaf 1 juni 1996 de hem voorgehouden functies te kunnen verrichten

Aan de schatting per 1 juni 1996 ligt het standpunt ten grondslag dat betrokkene met zijn beperkingen zoals neergelegd in het bijgestelde belastbaarheidspatroon van 7 november 1997 in staat moet worden geacht een 7-tal functies te kunnen verrichten. Met die functies kan betrokkene blijkens een intern memo van 13 oktober 2000 een zodanig inkomen verdienen dat in vergelijking met het voor hem geldende maatgevende loon, hij vanaf die datum moet worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidklasse van 25 tot 35%;

De rechtbank heeft zich op het standpunt gesteld dat, uitgaande van de veronderstelling dat voor het merendeel van de geduide functies een goed gezichtsvermogen vereist is, en onvoldoende gebleken is dat betrokkene ten tijde in geding daarover beschikte, betrokkene niet in staat moet worden geacht een voldoende aantal van de aan hem voorgehouden functies te vervullen.

Zoals uit de medische beoordeling blijkt heeft de Raad geen grond gevonden om het medisch oordeel van meergenoemde deskundige Jenniskens, en het naar aanleiding daarvan bijgestelde belastbaarheidspatroon voor onjuist te houden. De deskundige Jenniskens heeft een viertal van de aan betrokkene voorgehouden functies voor hem geschikt geacht, namelijk samensteller hang/sluitwerk, monteur koffiezetters, monteur communicatie apparatuur en lederbewerker. Ook op basis van die functies, die een voldoende aantal arbeidsplaatsen vertegenwoordigen, kan betrokkene een zodanig inkomen verdienen dat vergeleken met zijn maatmaninkomen, een verlies aan verdiencapaciteit resteert van 25 tot 35%.

De Raad verenigt zich dan ook met het oordeel van het bestuur Uwv en maakt dit tot het zijne. De Raad is met het bestuur Uwv van mening dat de voor betrokkene geselecteerde functies qua belasting in overeenstemming zijn met zijn belastbaarheid en ook overigens voor hem passend zijn te achten.

In hoger beroep is namens betrokkene nog naar voren gebracht dat bij de berekening van het maatmaninkomen is uitgegaan van onjuiste winstcijfers, dat voor enkele functies in vergelijking met het opleidingsniveau van betrokkene een te hoog functieniveau vereist is, en dat in de functie monteur communicatieapparatuur ook 's avonds en op zaterdag gewerkt wordt, hetgeen in strijd zou zijn met het destijds geldende Schattingsbesluit.

Naar aanleiding hiervan merkt de Raad op dat niet valt in te zien dat uitgegaan is van onjuiste winstcijfers gelet op hetgeen de arbeidsdeskundige Doedé in zijn rapportage van 25 juli 2000 hieromtrent heeft verklaard. Ook overigens is de berekening van het maatmaninkomen in overeenstemming met de geldende jurisprudentie. Evenmin valt in te zien dat bij het duiden van de functie monteur communicatie apparatuur van een te hoog opleidingsniveau is uitgegaan. Blijkens de rapportage van de arbeidsdeskundige Göppel van 2 oktober 1990 dient het arbi-nivo van betrokkene te worden ingeschat op 4, zodat betrokkene ruimschoots over het niveau beschikt om de functie monteur communicatieapparatuur te verrichten. Tenslotte merkt de Raad met betrekking tot de derde grief op dat blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst van 9 november 1995 bij de functie monteur communicatieapparatuur geen sprake is van een wisselende dienst, terwijl evenmin is gebleken dat het een functie betreft met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden. Derhalve kan reeds op die grond niet gesteld worden dat de functie van monteur communicatieapparatuur in strijd met het toen geldende Schattingsbesluit aan betrokkene is voorgehouden.

De veroordeling door de rechtbank van het bestuur Uwv in de kosten van het verslag dat de deskundige-arts J.H.C.M. Fouchier aan de gemachtigde van betrokkene heeft uitgebracht.

De rechtbank heeft ter zake van die veroordeling overwogen dat van het uitbrengen van het verslag van de deskundige-arts Fouchier aan de gemachtigde van betrokkene voldoende is gebleken door de medische inhoud van de aan de rechtbank gerichte brieven van die gemachtigde van 10 december 1997 en 15 mei 1998.

Van de kant van het bestuur Uwv is in hoger beroep gesteld dat onvoldoende gebleken is dat door de deskundige-arts Fouchier verslag is uitgebracht als bedoeld in artikel 1, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Er zijn, aldus het bestuur Uwv, door de deskundige zelf geen medische stukken overgelegd.

Van de kant van betrokkene is gesteld dat een verslag als hier bedoeld ook mondeling kan worden uitgebracht, en dat de verrichtingen van de deskundige gelet op de hiervoor genoemde brieven genoegzaam duidelijk zijn.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking hebben op de kosten van een getuige of deskundige die door een partij is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Hoewel deze tekst niet dwingt tot een eis dat het verslag van de deskundige schriftelijk moet zijn uitgebracht, is de Raad van oordeel dat het uit een oogpunt van inzichtelijkheid en controleerbaarheid is aangewezen dat eerst een voldoende grondslag voor een veroordeling van een partij in de kosten van een door een andere partij geraadpleegde deskundige bestaat, wanneer het oordeel van die deskundige in een schriftelijk stuk van hemzelf is neergelegd. Nu daarvan niet is gebleken, hetgeen niet in geschil is, komen de kosten van het verslag van de in beroep geraadpleegde deskundige-arts Fouchier niet voor vergoeding in aanmerking. Het hoger beroep van het bestuur Uwv op dit punt slaagt derhalve.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat besluit 1 voor vernietiging in aanmerking komt alsmede de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten, met uitzondering van de veroordeling van het bestuur Uwv tot vergoeding aan betrokkene van proceskosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en van het door hem betaalde griffierecht. De aangevallen uitspraak komt eveneens voor vernietiging in aanmerking voor zover het bestuur Uwv daarbij is veroordeeld tot vergoeding van de kosten van het verslag dat de deskundige-arts Fouchier aan betrokkenes gemachtigde heeft uitgebracht. Het hoger beroep van het bestuur Uwv tegen de aangevallen uitspraak voor zover dat betrekking heeft op besluit 2 dient wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voorts dient het beroep tegen besluit 3 gegrond te worden verklaard en dit besluit te worden vernietigd. Tenslotte dient het beroep tegen besluit 5 ongegrond te worden verklaard.

Hiermee is de onrechtmatigheid van de besluiten 1 en 3 komen vast te staan. Ten aanzien van de namens betrokkene gevorderde schade ziet de Raad aanleiding om, onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie in gevallen als het onderhavige (onder meer de uitspraak gepubliceerd in JB 1995/314), het bestuur Uwv met toepassing van het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente op voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek. Die rente moet worden berekend over het brutobedrag aan uitkering bestaande uit het verschil tussen de uitkering die betrokkene heeft genoten en die hij had behoren te genieten over de periode van 26 juni 1995 tot 15 maart 1996, zulks ten aanzien van de eerste uitkeringstermijn met ingang van 26 juni 1995 en vervolgens ten aanzien van de nadien verschijnende termijnen telkens met ingang van een maand later, tot aan de dag der voldoening toe.

In het voorgaande ziet de Raad voorts voldoende aanleiding om het bestuur Uwv te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 644,-- aan kosten wegens aan betrokkene in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en € 26,44 aan gemaakte reiskosten verbonden aan het op verzoek van de rechtbank verrichte onderzoek door de huisarts Jenniskens en voor het bijwonen van de zitting, alsmede een bedrag groot € 1.127,-- aan kosten wegens aan betrokkene in hoger beroep verleende rechtsbijstand, € 21,55 aan reiskosten in hoger beroep en € 1.335,23 aan gemaakte kosten voor het in hoger beroep uitgebrachte rapport van de arbeidsdeskundige Tj. Dijkstra.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de veroordeling van het bestuur Uwv tot vergoeding aan betrokkene van proceskosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en van het door hem betaalde griffierecht;
Verklaart het inleidend beroep van betrokkene tegen het besluit 1 en het beroep dat betrokkene geacht wordt mede te hebben ingesteld tegen besluit 3 gegrond;
Vernietigt de besluiten 1 en 3;
Verklaart het hoger beroep van het bestuur Uwv met betrekking tot besluit 2 niet-ontvankelijk;
Bepaalt de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene in het kader van de AAW over de periode van 26 juni 1995 tot 15 maart 1996 op 55 tot 65%;
Verklaart het beroep dat betrokkene geacht wordt mede te hebben ingesteld tegen besluit 5 ongegrond;
Veroordeelt het bestuur Uwv tot vergoeding van de door betrokkene geleden schade als aangegeven in rubriek II;
Veroordeelt het bestuur Uwv in de proceskosten van betrokkene in eerste aanleg tot een bedrag groot € 670,44 en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2483,78;
Bepaalt dat van het bestuur Uwv een griffierecht van € 327,-- wordt geheven, en het bestuur Uwv aan betrokkene het door hem betaalde griffierecht in hoger beroep van € 72,60 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x