Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AF1607
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-10-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning wettelijke rente over de periode in geding wegens nabetaalde AAW-uitkering. Is de periode juist vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/2458 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de erven van [naam overledene], wonende te [woonplaats], appellanten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 12 mei 1998 heeft gedaagde over de periode van 2 december 1997 tot 13 maart 1998 wettelijke rente toegekend ter zake van een op laatstgenoemde datum gedane betaling van een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) over de periode van 1 januari 1985 tot 1 januari 1986.

Namens appellanten heeft mr. S.J. Cats, advocaat te Emmen, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 november 1998, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en wettelijke rente toegekend over de periode van 2 (lees: 1) december 1996 tot 13 maart 1998.

De rechtbank Assen heeft bij uitspraak van 21 maart 2000 het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellanten is mr. Cats, voornoemd, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 april 2002, waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, en waar namens gedaagde is verschenen mr. F.A.M. Delfgaauw, werkzaam bij het Uwv.

De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend. Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend uitspraak te doen zonder nadere behandeling van de zaak ter zitting.




II. MOTIVERING


Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Naar aanleiding van een aanvraag van [[naam overledene] van 5 juni 1989 heeft gedaagde bij besluit van 27 maart 1990 geweigerd haar een uitkering ingevolge de AAW toe te kennen. Bij uitspraak van 22 september 1992 heeft de rechtbank Groningen het beroep van [naam overledene] tegen dit besluit gegrond verklaard. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 27 november 1996 alsnog met ingang van 1 januari 1986 aan de inmiddels overleden [naam overledene] een uitkering ingevolge de AAW toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij uitspraak van 19 november 1997 heeft de rechtbank Assen laatstgenoemd besluit vernietigd voor zover daarin de ingangsdatum van de AAW-uitkering is gesteld op 1 januari 1986. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van evenbedoeld besluit, hetgeen blijkens de overwegingen van die uitspraak inhoudt dat de ingangsdatum wordt gesteld op 1 januari 1985. Met betrekking tot de door appellanten gevorderde schadevergoeding heeft de rechtbank als volgt overwogen:

"Voor zover zij hebben verzocht om veroordeling van verweerder in tot betaling van de wettelijke rente over de te laat uitbetaalde uitkeringsbedragen, ziet de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb, aanleiding om deze vordering toe te wijzen.

De wettelijke rente moet worden berekend over het brutobedrag dat, gerekend per uitkeringsperiode, aan eiseressen als erfgenamen van mevrouw [naam echtgenote] als uitkering in de zin van de AAW alsnog toekomt, nadat daarop in mindering is gebracht het brutobedrag van de uitkering die mevrouw [naam echtgenote] over gelijke periode is verstrekt uit hoofde van een andere sociale zekerheidswet. Gerekend moet worden vanaf de data waarop de uitkering rechtens had moeten worden uitbetaald tot aan de dag der voldoening. Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 1 november 1995, RSV 96/182 moet de uiterste dag waarop betaling behoorde plaats te vinden worden gesteld op de laatste dag van de maand waarin de datum valt met ingang waarvan de uitkering ten onrechte is ingetrokken of naar een te lage arbeidsongeschiktheidsklasse is herzien. De eerste dag waarop rente verschuldigd is, is de daarop volgende dag. De ingangsdatum van de rentevergoeding over de volgende termijnen dient telkens te worden gesteld op de eerste dag na afloop van de betreffende termijn.
Daarbij dient telkens na afloop van een jaar het bedrag, waarover wettelijke rente verschuldigd is, te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente, voor zover de schade niet volledig vergoed is."

Partijen hebben in voormelde uitspraak berust. Gedaagde heeft vervolgens de in rubriek 1 genoemde besluiten genomen en wettelijke rente toegekend vanaf 1 december 1996. Appellanten zijn van mening dat uit bovenstaand citaat uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat gedaagde wettelijke rente verschuldigd is vanaf 1 februari 1985.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de onderhavige zaak uitsluitend aan de orde is de vraag in hoeverre gedaagde gehouden is tot vergoeding van de door appellanten geleden schade ten gevolge van het, als schadeveroorzakende aan te merken, vernietigde gedeelte van het besluit van 27 november 1996.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 3 november 1998, gepubliceerd in RSV 1999/20, is de vergoeding van wettelijke rente, in het geval alsnog een uitkering met terugwerkende kracht wordt toegekend, beperkt tot het tijdvak dat aanvangt op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de datum van het onrechtmatig gebleken toekenningsbesluit is gelegen en eindigt op de dag waarop de achterstallige uitkering alsnog geheel is nabetaald. In het onderhavige geval betekent dit, dat gedaagde terecht de wettelijke rente heeft toegekend vanaf 1 december 1996.

Met betrekking tot hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 19 november 1997 heeft overwogen ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente merkt de Raad het volgende op. De rechtbank is klaarblijkelijk uitgegaan van een onjuiste feitelijke grondslag door de periode waarover wettelijke rente verschuldigd is in verband te brengen met de datum met ingang waarvan de uitkering ten onrechte is ingetrokken of naar een te lage arbeidsongeschiktheidsklasse is herzien. In het onderhavige geval is immers geen sprake van een besluit tot intrekking of verlaging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, doch van een toekenningsbesluit.

Partijen hebben evenwel berust in voormelde, kennelijk op een onjuiste feitelijke grondslag gebaseerde, uitspraak van de rechtbank. De Raad stelt voorop dat berusting in een uitspraak in beginsel met zich meebrengt dat aan die uitspraak uitvoering dient te worden gegeven, ook als die uitspraak onjuist mocht zijn. In het onderhavige geval leidt dit echter niet tot de door appellanten voorgestane toekenning van wettelijke rente per eerdere datum dan 1 december 1996, aangezien de tenuitvoerlegging van de betreffende uitspraak van de rechtbank van 19 november 1997 voor de bepaling van de wettelijke rente van de AAW-uitkering geen enkele ingangsdatum oplevert, zodat die tenuitvoerlegging in dit opzicht geen betekenis heeft. De Raad wijst er op dat in de betreffende uitspraak geen concrete datum wordt vermeld met ingang waarvan gedaagde wettelijke rente verschuldigd zou zijn voor de aan wijlen [naam overledene] op grond van die uitspraak alsnog met ingang van 1 januari 1985 toegekende AAW-uitkering. Ook de in de uitspraak aangegeven - op een kennelijke misslag gebaseerde - formule voor de vaststelling van een ingangsdatum leidt in het onderhavige geval niet tot een concrete datum, nu die formule uitgaat van een - in casu niet bestaande - datum van intrekking of verlaging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen zodat als volgt moet worden beslist.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2002.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x