Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AF1993
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-08-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening AAW/WAO-uitkering en nadere vaststelling naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Is de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid juist? Werken op zaterdag en in de avonduren. Zeker van degene die werkzaam is geweest in een omvang welke de normale arbeidstijd overstijgt, hetgeen impliceert dat ook buiten de gebruikelijke arbeidstijden is gewerkt, mag worden verwacht dat hij van zijn vroegere arbeidspatroon afwijkt om verlies aan verdiencapaciteit te voorkomen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/1908 AAW/WAO en 02/100 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 20 augustus 1997 heeft gedaagde ingaande 8 oktober 1997 appellants uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit op bezwaar van 8 juli 1998 heeft gedaagde de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 oktober 1997 nader vastgesteld op 25 tot 35%.

De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 3 maart 2000 (de aangevallen uitspraak) het tegen het besluit van 8 juli 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. C.J. van der Waarde, advocaat te Dordrecht, op daartoe aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Bij schrijven van 15 augustus 2000 heeft gedaagde van verweer gediend.
Naar aanleiding van een bij brief van 17 september 2001 namens de Raad gestelde vraag heeft gedaagde bij besluit van 10 december 2001 de ingangsdatum van de herziening van de uitkering gewijzigd in 6 april 1998. Onder dagtekening 24 januari 2002 is namens appellant op het nadere besluit van gedaagde gereageerd.

Bij brief van 22 januari 2002 is namens de Raad aan gedaagde om een toelichting op zijn nadere besluit gevraagd, waarop gedaagde bij schrijven van 15 maart 2002 heeft geantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 juli 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Waarde, voornoemd, en waar gedaagde zich - met voorafgaand bericht - niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat gedaagde door het nadere besluit van 10 december 2001 het besluit van 8 juli 1998 heeft ingetrokken, zodat het nadere besluit is te beschouwen als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dat besluit niet geheel aan het beroep van appellant is tegemoet gekomen, volgt uit artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24 van de Awb dat het hoger beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 10 december 2001. Aangezien het nadere besluit geheel in de plaats is gekomen van het besluit van 8 juli 1998 is in beginsel het belang van appellant bij beoordeling van dat besluit komen te vervallen. In aanmerking genomen voorts dat appellant in deze procedure geen schadevergoeding heeft gevorderd dient het hoger beroep ten aanzien van het besluit van 8 juli 1998 niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Omtrent het besluit van 10 december 2001 overweegt de Raad als volgt.

Appellant had tot zijn uitval als kraanmachinist in november 1987 een gemiddelde werkweek van 55 uur. Aan de in geding zijnde vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 25 tot 35% ligt ten grondslag het medisch en arbeidskundig oordeel dat appellant ten tijde in geding in staat was om gedurende datzelfde aantal uren per week te werken in een combinatie van voltijdse en deeltijdfuncties. Aangezien de geselecteerde voltijdse functies een werktijd van 38 of 39 uur per week kennen, is wat betreft de in aanmerking genomen deeltijdfuncties uitgegaan van een arbeidsduur van 17 uur per week, zodat de totale arbeidstijd spoort met de omvang van de maatmanfunctie.

De namens appellant aangevoerde grieven betreffen uitsluitend het arbeidskundige aspect van de schatting van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid. Zijnerzijds bestaat er bezwaar tegen dat deeltijdfuncties zijn gebruikt die volgens de daartoe gehanteerde omschrijving een werktijd van 19 of meer uren per week kennen. Ook acht hij het onjuist dat functies in aanmerking zijn genomen waarin op zaterdag moet worden gewerkt, terwijl hij dat nooit heeft gedaan. Ten slotte trekt hij de realiteitswaarde van de onderwerpelijke schatting in twijfel, omdat er geen rekening zou zijn gehouden met de voor het combineren van functies benodigde reistijd.

Naar het oordeel van de Raad kunnen voormelde grieven niet tot het door appellant beoogde doel leiden.

In de eerste plaats wijst de Raad erop dat ingevolge de jurisprudentie van de Raad, nu voor appellant niet op medische gronden een urenbeperking van toepassing is, niet de eis geldt dat de voorgehouden deeltijdfuncties (in combinatie met voltijdse functies) exact dezelfde arbeidsduur hebben als de maatmanfunctie. De Raad voegt daaraan toe dat de voorhanden functieomschrijvingen de mogelijkheid van nadere afspraken tussen werkgever en werknemer over de precieze arbeidsuur niet uitsluiten.

Wat betreft het werken op zaterdag overweegt de Raad dat zeker van degene die werkzaam is geweest in een omvang welke de normale arbeidstijd overstijgt, hetgeen impliceert dat ook buiten de gebruikelijke arbeidstijden is gewerkt, verwacht mag worden dat hij van zijn vroegere arbeidspatroon afwijkt om verlies aan verdiencapaciteit te voorkomen. Daarbij kan nog worden aangetekend dat alle geselecteerde functies waarbij zaterdag als werkdag is vermeld ook de mogelijkheid van werken in de avonduren kennen, zodat ervan uitgegaan kan worden dat ook op dit punt nadere afspraken tussen werkgever en werknemer mogelijk zijn.

Ten aanzien van de realiteitswaarde van het combineren van de geselecteerde voltijdse en deeltijdfuncties in verband met de daaraan verbonden reistijd verwijst de Raad naar de uiteenzetting van gedaagde in het verweerschrift van 15 augustus 2000, waarmee de Raad zich kan verenigen. De Raad is dan ook van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de benodigde reistijd het combineren van de betrokken functies onuitvoerbaar maakt dan wel een zodanig tijdsbeslag legt dat zulks in redelijkheid niet is te vergen.

De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het beroep dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 10 december 2001 voor ongegrondverklaring in aanmerking komt.

In verband met de intrekking van het besluit van 8 juli 1998 acht de Raad termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beide instanties. Deze kosten worden zowel voor het beroep als het hoger beroep begroot op 644,-- aan kosten van rechtsbijstand.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht van 102,12 (voorheen f 55,-- en f 170,--, totaal f 225,--) door het Uwv dient te worden vergoed.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voor zover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 10 december 2001 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag eveneens groot 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 102,12 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2002.

(get.) J. Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x