Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AF3239
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-12-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering AAW-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid ingaande de datum dat betrokkene 18 jaar werd minder dan 25% bedroeg. Is betrokkene ernstiger beperkt dan de verzekeringsarts heeft aangenomen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/3038 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 22 april 1997 is appellante vanwege gedaagde in kennis gesteld van het besluit waarbij afwijzend is beslist op haar verzoek om een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 29 april 1999 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. P.J.H. Vinke, advocaat te Hoofddorp, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en, voor zover mogelijk, te bepalen dat appellante met ingang van 19 augustus 1992 in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de AAW naar een nog nader vast te stellen arbeidsongeschiktheidspercentage.

Bij schrijven van 22 maart 2000, aangevuld bij brief van 31 juli 2000 (met bijlage) heeft gedaagde van verweer gediend.

De beroepsgronden zijn bij schrijven van 31 augustus 2000 (met bijlagen) door appellante nader aangevuld.

Bij brief van 17 oktober 2001 heeft appellante nog enige stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 oktober 2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Vinke, voornoemd, als haar raadsman, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Koning, werkzaam bij het Uwv. Als deskundige, vanwege appellante daartoe opgeroepen, is gehoord drs. J.E. Zeef, arbeids- en functieleerpsycholoog te Amsterdam.

Omdat de Raad van oordeel was dat het onderzoek niet volledig was geweest, is dit heropend.

Op verzoek van de Raad heeft de neuroloog dr. G.K. van Wijngaarden in samenwerking met de neuropsycholoog dr. J.B.K. Lanser bij rapport van 24 mei 2002 van verslag en advies gediend met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen tot het verrichten van arbeid.

Bij brief van 22 juli 2002 is namens appellante verzocht om een onderzoek door deskundige op het gebied van de orthopedie.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad van 24 september 2002, waar partijen zijn verschenen als ter zitting van 30 oktober 2001 en waar opnieuw, daartoe door appellante opgeroepen, als deskundige is gehoord drs. E.J. Zeef, voornoemd.




II. MOTIVERING


Appellante, geboren op [datum] augustus 1974, heeft op 21 mei 1996 een AAW-uitkering aangevraagd, omdat zij zich sedert 9 januari 1991 vanwege nek- en schouderklachten door een ongeval met haar bromfiets arbeidsongeschikt acht. Bij het bestreden besluit is door gedaagde afwijzend beslist op deze aanvraag, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ingaande 19 augustus 1992, de datum dat zij 18 jaar werd, minder dan 25% bedroeg.

Dit besluit steunt op onderzoek door de verzekeringsarts B. van der Kroft. De door deze arts vastgestelde beperkingen bij het verrichten van arbeid zijn neergelegd in het zich onder de gedingstukken bevindende Functie Informatie Systeem vg/ad formulier van 6 september 1996. Nadien heeft de verzekeringsarts W.M. Koek, die appellante eerder had onderzocht in het kader van een aanvraag van een AAW-voorziening en in dat kader omtrent appellantes schouderklachten inlichtingen had ontvangen van de orthopedisch chirurg B.B.A.M. Niers, de bij brief van 10 december 1996 ontvangen inlichtingen van de behandelend neuroloog W.G. Strack van Schijndel-van Hanswijk beoordeeld. Geen aanleiding werd gezien op basis daarvan verdergaande beperkingen aan te nemen dan de verzekeringsarts Van der Kroft al had vastgesteld.
De arbeidsdeskundige C.A. van den Burg is bij rapport van 11 oktober 1996 tot de conclusie gekomen dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen in staat moet worden geacht een aantal voor haar geselecteerde en geschikt bevonden functies te vervullen, waarin zij een zodanig inkomen kan verwerven dat er geen verlies aan verdiencapaciteit bestaat. Daarop is het bestreden besluit genomen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat niet is gebleken dat er meer beperkingen bij appellante bestaan dan door de verzekeringsarts zijn aangenomen en dat de belasting in de door de arbeidsdeskundige voor haar geselecteerde functies haar belastbaarheid niet te boven gaat. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat appellante met de geselecteerde functies een zodanig loon zou kunnen verdienen dat geen sprake zou zijn van enig verlies aan verdiencapaciteit.

In hoger beroep heeft appellante dit oordeel bestreden. Steun voor haar opvatting dat zij ernstiger beperkt is dan de verzekeringsarts heeft aangenomen, heeft appellante ontleend aan een rapport van 4 januari 1999 (lees: 4 januari 2000) van het Instituut voor Arbeidsintegratie en Scholing, Heliomare. Gedaagde heeft een reactie hierop van de verzekeringsarts Koek ingezonden. Deze is in haar rapport van 6 juli 2000 tot de conclusie gekomen dat het belastbaarheidsprofiel van appellante grotendeels ligt binnen de door Heliomare aangegeven grenzen en dat, waar sprake is van enige overschrijding, geldt dat de belasting in de geselecteerde functies op die punten binnen die grenzen ligt. Daarbij is nog vermeld dat de door Heliomare aangenomen beperkingen niet zijn onderbouwd door lichamelijk onderzoek dan wel gevonden afwijkingen.
Voorts heeft appellante in hoger beroep een omtrent haar uitgebracht rapport van 25 april 2000 van drs. E.J. Zeef, verbonden aan de afdeling Psychonomie van de Universiteit van Amsterdam, ingezonden. Dit rapport behelst het verslag van een bij appellante uitgevoerd mentaal belastbaarheids- en persoonlijkheidsonderzoek. Op grond van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat sprake is van een verminderde mentale duurbelastbaarheid en wordt geadviseerd het aantal werkuren tot vijf uur per dag te beperken en zoveel mogelijk specialistisch werk te verrichten, waarbij niet alleen op expertise wordt gevaren, maar ook zo weinig mogelijk dubbeltaken worden uitgevoerd. Een en ander heeft drs. Zeef bij brief van 24 juli 2000 nader uiteengezet. Voorts is een brief van 1 augustus 2000 ingezonden van de behandelend revalidatiearts C.A. Stuurman, inhoudende dat hem de inschatting van appellante dat zij in staat is drie dagen per week aangepast werk te verrichten, een redelijke inschatting lijkt.
Mede naar aanleiding van hetgeen drs. Zeef in haar verklaring ter zitting van de Raad heeft gesteld, te weten dat een geavanceerd onderzoek naar de hersenstam zou moeten plaatsvinden door een neuroloog, zo mogelijk in samenhang met onderzoek door een neuropsycholoog, heeft de Raad neuroloog dr. G.K. van Wijngaarden verzocht als deskundige van verslag en advies te dienen. In zijn rapport van 24 mei 2002, waarin de uitkomsten zijn betrokken van onderzoek door de neuropsycholoog dr. J.B.K. Lanser is de deskundige van Wijngaarden tot de volgende conclusie gekomen:
"Dit alles wijst er op dat er in neurologisch opzicht geen sprake kan zijn van een beschadiging of aandoening van het centrale of perifere zenuwstelsel dan wel de directe omhullingen daarvan, terwijl er op grond van de door mij verzamelde gegevens uit de behandelende en beoordelende sector ook geen redenen zijn aan te nemen dat er daarvoor in het verleden aanwijzingen zijn geweest. Wat de betekenis is van de door de psycholoog Zeef vastgestelde stoornissen in het cognitieve functioneren kan ik niet beoordelen. Ik kan slechts vaststellen dat deze niet passen bij een doorgemaakte lichte commotio cerebri en dat zij niet konden worden bevestigd bij het op mijn verzoek verrichte neuropsychologisch onderzoek. Dit alles betekent dat ik op neurologisch vakgebied geen reden zie voor beperkingen in het functioneren door ziekte of gebrek."

De deskundige van Wijngaarden heeft in zijn rapport voorts geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante niet was overschat en dat appellante per 19 augustus 1992 in staat was de werkzaamheden te verrichten, behorend bij de voor haar geselecteerde functies. Ten slotte heeft de deskundige een nader deskundigenonderzoek aangewezen geacht op het gebied van de orthopedie in verband met een voor SRK Rechtsbijstand uitgebracht rapport waarin wordt gesteld dat er invaliditeit en beperkingen bestaan door een aandoening van het rechterschoudergewricht.

Appellante heeft ter zitting opnieuw drs. Zeef als deskundige doen horen. Deze heeft op het uitgebrachte rapport van de deskundige van Wijngaarden en het uitgevoerde neuropsychologisch onderzoek kritiek geuit en in het bijzonder aangegeven dat hier geen sprake is geweest van het door haar geadviseerde geavanceerde onderzoek. Voorts heeft appellante verzocht haar in de gelegenheid te stellen alsnog de deskundigen van Wijngaarden en Lanser ter zitting te horen en de resultaten af te wachten van een op haar initiatief te verrichten medisch onderzoek.

Gedaagde heeft zich geschaard achter de bevindingen en conclusies van de deskundige Van Wijngaarden en voorts opgemerkt dat de omstandigheid dat deze deskundige geen MRI-scan heeft laten verrichten, als door drs. Zeef geadviseerd, aan zijn conclusies niet afdoet, omdat in het verleden verschillende scans zijn gemaakt, die geen van alle (noemenswaardige) afwijkingen hebben aangetoond.

De Raad overweegt als volgt.

Centraal in dit geding staat de vraag of appellante met ingang van 19 augustus 1992 aanspraak heeft op een uitkering ingevolge de AAW. Daarvoor is vereist dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op dat tijdstip 25% of meer bedroeg. In hoger beroep heeft het geschil tussen partijen zich in het bijzonder toegespitst op de vraag of appellante als gevolg van het haar overkomen ongeval met haar bromfiets een hersenstambeschadiging heeft opgelopen waardoor haar mentale belastbaarheid zodanig is beperkt dat zij niet voltijds werkzaam kan zijn en aangewezen is op het verrichten van daarop aangepaste arbeid.

Die vraag moet gelet op de conclusie van de deskundige Van Wijngaarden, als hiervoor al weergegeven, ontkennend worden beantwoord. De Raad stelt vast dat de deskundige de vraag of sprake is gewest van een hersenstambeschadiging onder ogen heeft gezien en vanuit zijn deskundigheid op het gebied van de neurologie ontkennend heeft beantwoord. Aan hetgeen de psycholoog Zeef vanuit haar vakgebied omtrent het onderzoek van de deskundige van Wijngaarden ter zitting heeft opgemerkt kan de Raad niet die betekenis toekennen die appellante daaraan gehecht wil zien. De door de deskundige van Wijngaarden te beantwoorden vraag betrof zijn vakgebied en de deskundige heeft vanuit zijn specifieke kennis deze vraag beantwoord. De Raad heeft mede gelet op de uitvoerigheid en gedegenheid van het door de deskundige uitgebrachte rapport geen aanwijzingen voor de veronderstelling dat zijn onderzoek niet aan de daarvoor geldende kwaliteitseisen voldoet. Ten aanzien van het neuropsychologisch onderzoek volstaat de Raad met de vaststelling dat daarvan de conclusie is dat dit geen specifieke afwijkingen laat zien en dat de deskundige van Wijngaarden met de bevindingen en conclusie uit dat onderzoek heeft rekening gehouden.

In het hiervoor overwogene ligt reeds besloten dat de Raad zich thans omtrent de voor dit geding van belang zijnde medische aspecten voldoende voorgelicht acht en geen termen aanwezig acht om appellante in de gelegenheid te stellen de resultaten van nog te verrichten medisch onderzoek in het geding te brengen en/of de deskundigen Van Wijngaarden en Lanser ter zitting te doen horen. Daarbij overweegt de Raad daartoe te minder aanleiding te hebben, nu niet valt in te zien waarom appellante niet gebruik heeft gemaakt van de in artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven mogelijkheid om schriftelijk haar zienswijze met betrekking tot het verslag van de deskundige(n) kenbaar te maken.

Ten slotte overweegt de Raad dat hij geen aanleiding ziet voor een nader onderzoek door een orthopedisch chirurg naar de schouderklachten van appellante, als door de deskundige Van Wijngaarden is geadviseerd. Naar hiervoor reeds is weergegeven was de verzekeringsarts Koek bekend met de uitkomsten van het onderzoek door de behandelend orthopedisch chirurg Niers en is bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellante met beperkingen als gevolg van deze schouderklachten ook rekening gehouden.

Met inachtneming van de voor appellante geldende medische beperkingen is de Raad van oordeel dat appellante in staat moet worden geacht ten tijde hier in geding met de voor haar geselecteerde functies een zodanig inkomen, te verwerven dat geen verlies aan verdienvermogen bestaat.

Het hiervoor overwogene leidt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2002.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x