Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AF3241
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-11-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering AAW/WAO-uitkering in verband met door betrokkene gestelde toegenomen arbeidsongeschiktheid welke vanaf 1 december 1995 onafgebroken vier weken zou hebben geduurd. Eerst in 1998 is progressie in betrokkenes longaandoening waargenomen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/6518 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen.

Bij besluit van 30 september 1998 heeft gedaagde geweigerd aan appellante uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen in verband met door appellante gestelde toegenomen arbeidsongeschiktheid welke vanaf 1 december 1995 onafgebroken 4 weken zou hebben geduurd.

Bij besluit van 15 november 1999 heeft gedaagde het door appellante tegen het besluit van 30 september 1998 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Breda heeft het door mr. J.L. van Os, advocaat te Tilburg, namens appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 15 november 1999 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 22 november 2000 ongegrond verklaard.

De gemachtigde van appellante heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden en onder overlegging van een drietal bijlagen tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 oktober 2002, waar appellante niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming in dit geschil van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante, geboren [in] 1960, heeft zich na een eerdere uitval uit haar werk als filiaalleidster van een snoep- en koekwinkel op 22 juni 1987 wegens psychische klachten, welke uitval na ommekomst van de daarvoor geldende wachttijd niet heeft geleid tot toekenning van uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet met ingang van 3 augustus 1989 ziek gemeld wegens borstkanker. Na ook in verband met deze laatste ziekmelding de voorgeschreven wachttijd te hebben doorlopen, heeft gedaagde uiteindelijk bij besluit van 5 mei 1992 aan appellante met ingang van 2 augustus 1990 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, welke werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft voorts bij dit besluit deze uitkeringen met ingang van 1 juni 1992 ingetrokken, welke intrekking in beroep bij uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 juni 1993 en in hoger beroep bij uitspraak van de Raad van 12 maart 1996 in stand is gelaten. Naar aanleiding van een brief van appellante van 23 maart 1996, waarin zij melding maakt van verdenking van longmetastasen in verband met in september 1995 vastgestelde vlekken op beide longen, heeft gedaagde appellante bij besluit van 4 april 1996 onder andere medegedeeld geen aanleiding te zien terug te komen van zijn besluit van 5 mei 1992. Vervolgens heeft appellante bij brief van 13 maart 1998 gedaagde in verband met evenbedoelde metastasen om toepassing van de artikelen 32a van de AAW en 43a van de WAO verzocht. Bij het primaire besluit van 30 september 1998 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen omdat naar zijn oordeel geen sprake was van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak als terzake waarvan eerder uitkeringen werden ontvangen en dat op 1 december 1995 geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid welke sindsdien onafgebroken 4 weken heeft geduurd.

In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts P. Bavelaar in zijn rapport van 28 juni 1999 mede op basis van van de behandelend longarts F.M.L.H.G. Palmen verkregen informatie omtrent door Palmen verricht onderzoek in de periode van 28 augustus 1995 tot en met 6 april 1999 vastgesteld dat zich bij appellante tussen 1 september en 24 november 1998 een recidivering ontwikkelde van de longmetastasen en dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante in verband hiermede, welke Bavelaar in navolging van Palmen aannam, arbitrair werd geacht te zijn ingetreden op 1 oktober 1998 op grond van dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor appellante destijds uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO ontving. In een aanvullend rapport van 20 augustus 1999 gaf Bavelaar voorts als zijn mening dat de resterende benutbare mogelijkheden van appellante in de periode van 5 jaar na de intrekking van de uitkeringen van appellante gelijk zijn gebleven althans niet voor een periode van 4 weken of langer zijn afgenomen, waarna gedaagde bij het bestreden besluit het primaire besluit heeft gehandhaafd. Daarbij heeft gedaagde zich op basis van de bevindingen van Bavelaar op het standpunt gesteld dat in verband met de door appellante gestelde toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van september 1995 noch na 1 december 1995 noch voor 1 juni 1997 sprake is geweest van (toename van) arbeidsongeschiktheid welke onafgebroken 4 weken heeft geduurd.

In beroep heeft de gemachtigde van appellante een brief van de behandelend internist dr. C. van der Heul van 8 februari 2000 overgelegd. Uit deze brief, waarin sprake is van aanwijzingen van longmetastasen in 1995, heeft de gemachtigde in zijn brief van 15 februari 2000 aan de rechtbank afgeleid dat Bavelaar ten onrechte heeft vastgesteld dat tussen december 1995 en juni 1997 geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid welke 4 weken onafgebroken heeft geduurd.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft daartoe in de aangevallen uitspraak overwogen dat het standpunt van Bavelaar steun vindt in de medische informatie van Palmen van 25 september en 13 december 1995, 7 februari, 20 mei en 29 november 1996, alsmede 6 maart 1997, waarin is aangegeven dat het goed ging met appellante en dat zij geen klachten had en dat de van Van der Heul ontvangen informatie niet in een andere richting wijst. De rechtbank wees voorts op het rapport van Bavelaar van 10 april 2000, waarin is gesteld dat niet wordt bestreden dat - achteraf gezien - ook in 1995 longmetastasen aanwezig waren maar dat appellante aanvankelijk goed reageerde op de ingestelde therapie, dat pas in 1998 progressie werd waargenomen en toen het klinisch beeld ook verslechterde en dat het in dit geval gaat om de vraag of het klinisch beeld voor 1 juni 1997 al dan niet verenigbaar was met arbeid, welke vraag volgens Bavelaar bevestigend dient te worden beantwoord.

De rechtbank overwoog ten slotte dat, nu de door haar aangezochte deskundige longarts zijn benoeming niet aannam omdat nader onderzoek niet kan leiden tot beantwoording van de vraag of er in de periode van 1 december 1995 tot 1 juni 1997 in vergelijking met de medische situatie van appellante op 1 juni 1992 sprake is geweest van een in het kader van de toepassing van de artikelen 32a van de AAW en 43a van de WAO van belang zijnde toename van de medische beperkingen, in dit geding dient te worden afgegaan op de van de behandelend artsen verkregen informatie.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante in verband met dit laatste gesteld dat aan haar het voordeel van de twijfel zou moeten worden gegeven en heeft hij voor het overige het in beroep voorgedragen standpunt gehandhaafd.

De Raad overweegt dat in zijn uitspraak van 5 februari 2002 (USZ 2002,73) ten aanzien van de inwerkingtreding van de artikelen 32a van de AAW en 43a van de WAO met ingang van 29 december 1995 het door de eerste rechter in dat geding gegeven oordeel is onderschreven. Dit oordeel hield in dat het ontbreken van overgangsrecht medebrengt dat op grond van deze artikelen met ingang van 29 december 1995 recht hebben op heropening van de (ingetrokken) uitkering degenen wier uitkering minder dan vijf jaar daarvoor was ingetrokken én die vanwege dezelfde ziekteoorzaak weer uitvallen én die op dat moment de wachttijd van 4 weken reeds hadden doorlopen.
Ter voorkoming van misverstanden voegt de Raad aan zijn in evenvermelde uitspraak neergelegde overwegingen en oordeel van thans ter aanvulling toe dat in het geval dat de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in de periode van vijf jaar voor 29 december 1995 en voor die datum ook daadwerkelijk de wachttijd van 4 weken is doorlopen, die arbeidsongeschiktheid ook nog dient te bestaan op 29 december 1995 dan wel, indien die arbeidsongeschiktheid na het doorlopen van die wachttijd op enig moment voor 29 december 1995 weer is geëindigd, op 29 december 1995 wederom onafgebroken 4 weken moet hebben bestaan.

De aldus aangevulde toetsingscriteria voor de toepassing van de artikelen 32a van de AAW en 43a van de WAO toepassend op het geval van appellante, overweegt de Raad dat uit de beschikbare medische informatie van de behandelend sector - waaronder in het bijzonder de brieven van Palmen van 25 september en 13 december 1995, alsmede 7 februari 1996 - valt af te leiden dat, zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat met de verdenking van metastasen naar aanleiding van onderzoek in september 1995 toen een periode van (toegenomen) arbeidsongeschiktheid is aangevangen, deze periode in elk geval niet langer doorliep dan tot in november 1995 en dat op 29 december 1995 geen sprake was van een (toegenomen) arbeidsongeschiktheid welke gedurende een periode van 4 weken onafgebroken heeft bestaan. Met Bavelaar is de Raad voorts van oordeel dat zich, afgaande op die medische informatie, in de periode van 29 december 1995 tot 1 juni 1997, zijnde de datum met ingang van welke in verband met de intrekking van de uitkeringen van appellante met ingang van 1 juni 1992 de artikelen 32a van de AAW en 43a van de WAO ten aanzien van haar nog toepassing konden vinden, geen (toegenomen) arbeidsongeschiktheid is opgetreden welke langer dan 4 weken onafgebroken heeft voortgeduurd. De enkele omstandigheid dat de door de rechtbank aangezochte deskundige zijn benoeming niet heeft aanvaard, leidt de Raad met de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Met inachtneming van de hiervoor gegeven aanvulling van de toetsingscriteria voor de toepassing van de meergenoemde artikelen komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 november 2002.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x