Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AF3856
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-12-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering AAW-uitkering omdat betrokkene in het jaar voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag geen inkomen uit arbeid heeft ontvangen. Weigering om terug te komen van een in 1991 genomen besluit. Is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist vastgesteld? Betrokkene heeft in de periode in geding wel enig inkomen verworven.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/6237 AAW en 00/6238 AAW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 3 juli 1998 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) (besluit 1).

Bij brief van 14 april 2000 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de AAW (besluit 2).

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 17 oktober 2000 de beroepen ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. A.J. Aldenhoven, advocaat te Oss, op in het beroepschrift vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen voormelde uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 5 november 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Aldenhoven, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.E.G. de Jong, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant, geboren in 1941, is werkzaam als zelfstandig agrariër (rundveebedrijf). Hij heeft op 5 mei 1990 een AAW-uitkering aangevraagd in verband met gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid wegens rugklachten ten gevolge van een bedrijfsongeval in 1978.
De verzekeringsarts heeft appellant op 26 september 1990 onderzocht en inlichtingen ingewonnen bij de behandelend arts. Vastgesteld is dat appellant vanaf 1 januari 1985 beperkingen heeft en aangewezen is op rugsparend werk.
De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant in verband met deze beperkingen een verdienverlies heeft van 21,5%.
Bij besluit van 26 juni 1991 is aan appellant AAW-uitkering geweigerd, omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft ter zake geen beroep ingesteld.

Op 18 december 1992 heeft appellant opnieuw een AAW-uitkering aangevraagd in verband met toename van zijn rugklachten. De verzekeringsarts heeft na onderzoek vastgesteld dat de beperkingen van appellant per 1 januari 1992 zijn toegenomen.
De arbeidsdeskundige heeft berekend dat het verdienverlies van appellant in verband met de beperkingen circa 21% bedraagt.
Bij besluit van 19 mei 1993 is aan appellant meegedeeld dat hem, omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt is, geen AAW-uitkering wordt toegekend.
In het kader van het beroep tegen dit besluit heeft de neuroloog H.J. Mennema als deskundige appellant onderzocht op 4 november 1994 en de beschikbare medische gegevens beoordeeld. Hij heeft vastgesteld dat bij appellant in 1978 sprake is geweest van een compressiefractuur L1. In 1989 is volgens de röntgendiagnostiek sprake van een wigvormige afplatting van L1, zonder dislocatie. De deskundige kan zich verenigen met de door de verzekeringsarts vastgelegde beperkingen.
De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 29 april 1996 ongegrond verklaard.

Appellant heeft op 17 september 1996 een herseninfarct gehad. Hij heeft in verband daarmee op 17 maart 1997 een AAW-uitkering aangevraagd. Hij heeft op het aanvraagformulier vermeld dat hij in de jaren 1994 en 1995, maximaal 20 uur per week in zijn bedrijf werkzaam is geweest. Op het formulier bedrijfsgegevens-AAW is eveneens vermeld dat appellant voor aanvang van de arbeidsongeschiktheid maximaal 20 uur per week werkzaam is geweest in zijn bedrijf.
De verzekeringsarts heeft appellant op 12 september 1997 onderzocht en vastgesteld dat appellant wegens de door het herseninfarct opgelopen stoornissen vanaf 17 september 1996 volledig arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 5 december 1997 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat hij in de tijd voordat hij arbeidsongeschikt werd minder dan 38 uur per week werkzaam is geweest. Daarom dient appellant om voor een AAW-uitkering in aanmerking te komen in het jaar voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag enig inkomen uit arbeid te hebben ontvangen. Appellant voldoet evenwel niet aan deze eis. Daarom wordt de AAW-uitkering geweigerd.
Naar aanleiding van het bezwaar tegen dit besluit heeft de bezwaarverzekeringsarts een onderzoek ingesteld naar de gezondheidsproblematiek van appellant en vastgesteld dat er, gezien de wettelijke regels, geen reden is een eerdere arbeidsongeschiktheidsdag aan te nemen dan 17 september 1996. Bij besluit 1 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 5 december 1997 ongegrond verklaard.

Op 28 oktober 1998 heeft appellant gedaagde verzocht het besluit van 26 juni 1991 te heroverwegen. Hij heeft daarbij een rapport ingezonden d.d. 26 juni 1998 van de orthopedisch chirurg dr. A.J.G. Nollen, die appellant met het oog op een particuliere ongevallenverzekering bij Interpolis op 8 juni 1998 heeft onderzocht.
Nollen constateert dat de rugklachten van appellant voor een belangrijk deel het gevolg zijn van het ongeval in 1978 en dat de belastbaarheid van de rug sedertdien beperkt is.
De verzekeringsarts H.M.C. Wijers heeft de bevindingen van Nollen beoordeeld en geconcludeerd dat er geen reden is de in 1990 door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen onjuist te achten.
Bij besluit van 23 december 1998 heeft gedaagde geweigerd terug te komen van het besluit van 26 juni 1991.
In het kader van het bezwaar tegen het besluit van 23 december 1998 heeft appellant nadere stukken overgelegd, waaronder een brief van Interpolis d.d. 18 november 1998, waarin aan appellant wordt meegedeeld dat hij ingevolge de particuliere ongevallenrenteverzekering bij Interpolis wegens de rugklachten vanaf 1978 gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt geacht en dat aan hem daarom over de tijd vanaf 1978 een uitkering wordt betaald met vergoeding van wettelijke rente, in totaal f 84.908,46. Vanaf 1 december 1998 heeft hij vervolgens recht op een maandelijkse uitkering tot aan de datum van zijn overlijden.
Appellant heeft bij brief van 29 september 1999 nog een rapport ingezonden van de orthopedisch chirurg P.W. Pavlov d.d. 22 september 1999. Deze arts concludeert dat onder meer sprake is van een resttoestand na een compressiefractuur L1, opgelopen bij het ongeval in 1978. Hij acht in verband met de rugklachten beperkingen aanwezig.
De bezwaarverzekeringsarts J.P.J. Gielen heeft in rapporten van 24 januari 2000 en 3 april 2000 geconcludeerd dat de in de rapporten van Nollen en Pavlov vermelde afwijkingen al in de jaren 1990 en volgende bekend waren en dat er geen reden is de toen vastgestelde beperkingen en belastbaarheid onjuist te achten.
Bij besluit 2 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 23 december 1998 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep in beide gedingen ongegrond verklaard.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank omtrent besluit 2 en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

De Raad stelt vervolgens vast dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 17 september 1996 is. Appellant is per die datum op medische gronden volledig arbeidsongeschikt geacht.
De Raad stelt tevens vast dat niet is betwist dat appellant in de drie jaren voorafgaande aan het jaar 1996, waarin de eerste arbeidsongeschiktheidsdag valt, met zijn bedrijf verlies heeft geleden en derhalve op die grond niet voldoet aan de inkomenseis van de AAW. De Raad verenigt zich ook met het oordeel van de rechtbank dat op grond van de inlichtingen van appellant er van moet worden uitgegaan dat hij in het te dezen relevante jaar 1995 maximaal 20 uur per week heeft gewerkt. Appellant heeft de desbetreffende mededeling gedaan op het aanvraagformulier-AAW d.d. 17 maart 1997 en op het formulier-bedrijfsgegevens van die datum.
Deze opgave ligt ook in de lijn van alle eerdere inlichtingen van appellant vanaf 1990 omtrent zijn arbeidsuren per week. Nu appellant in 1995 niet gedurende ten minste zes maanden 38 uur per week heeft gewerkt, wordt krachtens de van toepassing zijnde regelgeving appellant niet geacht fictief een inkomen uit zijn bedrijf te hebben genoten.
Appellant heeft evenwel blijkens de brief d.d. 18 november 1998 van de particuliere verzekeraar Interpolis in 1998 een over de jaren 1978-1998 nabetaalde ongevallenrente ontvangen. Deze ongevallenrente betreft een periodieke uitkering ingevolge een particuliere ongevallenverzekering als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van het Inkomensbesluit-AAW. Deze uitkering is weliswaar verworven in 1998, maar moet, gelet op artikel 8 van het Inkomensbesluit-AAW, worden toegerekend aan onder meer het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag: 17 september 1996.
Dit gegeven leidt de Raad tot de conclusie dat appellant in het jaar van 17 september 1995 tot 17 september 1996 enig inkomen heeft verworven als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AAW en derhalve recht heeft op toekenning van een AAW-uitkering.

Deze conclusie brengt mee dat de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op besluit 1, alsmede dat besluit moeten worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 322,- aan kosten voor rechtsbijstand bij de rechtbank en € 644,- aan kosten voor rechtsbijstand bij de Raad, in totaal € 966,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op besluit 1;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre gegrond;
Vernietigt besluit 1;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het recht ad € 129,35 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2002.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x