Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AF3876
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-12-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-uitbetaling AAW/WAO-uitkering over de periode in geding wegens inkomsten uit arbeid en vervolgens intrekking en terugvordering van de uitkeringen. Hangende het hoger beroep is de arbeidsongeschiktheid alsnog vastgesteld op basis van een maandloonvergelijking in plaats van een uurloonvergelijking, resulterend in een mate van arbeidsongeschiktheid van 22,28% met ingang van de datum in geding. De grond tot terugvordering is daarmee komen te vervallen. Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/1385 AAW/WAO, 01/2470 AAW/WAO en 02/4898 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Duitsland), appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen.

Gedaagde heeft bij besluit van 7 november 1996 (hierna: besluit 1) de uitbetaling van de uitkeringen van appellant ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wegens inkomsten uit arbeid van 1 januari 1994 tot 1 januari 1995 op nihil gesteld, voorts de AAW-uitkering met ingang van 16 augustus 1995 ingetrokken en de WAO-uitkering vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% en ten slotte de WAO-uitkering ingaande 19 november 1996 ingetrokken.

Bij besluit van 17 maart 1997, (hierna: besluit 2), heeft gedaagde de over de periode van 1 januari 1994 tot 1 januari 1995 ten onrechte betaalde uitkeringen, verhoogd met de loonheffing in totaal een bedrag van f. 26.233,84 (€ 11.904,40), van appellant teruggevorderd.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 28 januari 1999 het beroep tegen besluit 1 voor zover betrekking hebbend op de herziening van de uitkeringen ingaande 16 augustus 1995 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen besluit 1 voor het overige ongegrond verklaard en het beroep tegen besluit 2 gegrond verklaard, met vernietiging van besluit 2 en bepaling dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven, en met bepaling dat gedaagde het griffierecht met betrekking tot besluit 2 vergoedt.

Appellant heeft tegen deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
Gedaagde heeft bij besluit van 15 juli 2002 (hierna: besluit 3) de WAO-uitkering van appellant ingaande 19 november 1996 ongewijzigd bepaald op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 november 2002, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant heeft ingaande 13 augustus 1981 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% wegens psychische klachten. Bij besluit van 14 juli 1995, waartegen appellant geen beroep heeft ingesteld, is ingaande 16 augustus 1995 de uitkering ingevolge de AAW ingetrokken en de uitkering ingevolge de WAO herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Dit besluit berustte op een medische en een arbeidskundige beoordeling, waarbij voor appellant beperkingen werden aangenomen, met inachtneming waarvan hij in staat werd geacht tot vervulling van een reeks functies met een loonwaarde leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 21, 8%.

Op 29 augustus 1996 heeft de opsporingsfunctionaris W.G. Groenenboom over appellant een rapport opgesteld, onder meer inhoudende dat appellant van november 1990 tot augustus 1994 werkzaamheden had verricht, bestaande uit het sleutelen aan exclusieve auto's en het omruilen en verkopen daarvan, zonder daarvan mededeling te doen aan gedaagde. Tevens bevatte dit rapport de vaststelling dat appellant in augustus 1994 een auto had verkocht voor f. 98.000,- (€ 44.470,46). Op basis van dit rapport is arbeidskundig onderzoek verricht, waarbij de inkomsten uit arbeid van appellant over 1994 zijn gesteld op f. 87.813,62 (€ 39.848,08), zijnde het genoemde bedrag van f. 98.000,- verminderd met de zogenoemde AA-premies. Voorts is bij dit onderzoek het maatmaninkomen opnieuw vastgesteld, hetgeen na vergelijking met het bedrag van de eerder vastgestelde en vervolgens geοndexeerde resterende verdiencapaciteit heeft geresulteerd in een mate van arbeidsongeschiktheid van 13,7%.

Hierop is besluit 1 gevolgd. Daarin is in de eerste plaats op grond van de inkomsten uit arbeid ad f. 87.813,62 (€ 39.848,08) de uitbetaling van de uitkeringen met toepassing van artikel 33 van de AAW en 44 van de WAO van 1 januari 1994 tot 1 januari 1995 op nihil gesteld. In de tweede plaats is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ingaande 16 augustus 1995, conform de eerdere vaststelling daarvan, op 15 tot 25% bepaald. In de derde plaats zijn ingaande 19 november 1996 de uitkeringen van appellant ingetrokken wegens het ontbreken van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid.

Nadien heeft gedaagde besluit 2 genomen, waarin van appellant wordt teruggevorderd de ten onrechte betaalde uitkering over de periode van 1 januari 1994 tot 1 januari 1995 en de loonheffing daarover, tezamen in totaal f 26.233,84 (€ 11.904,40).
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen besluit 1 met betrekking tot de daarin opgenomen herziening van de uitkeringen per 16 augustus 1996 niet-ontvankelijk verklaard. De overige onderdelen van besluit 1 heeft de rechtbank in stand gelaten. Besluit 2 heeft de rechtbank vernietigd, doch daarvan heeft de rechtbank de rechtsgevolgen in stand gelaten.

Tijdens de behandeling van het geding in hoger beroep heeft gedaagde de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 19 november 1996 alsnog vastgesteld op basis van een maandloonvergelijking in plaats van een uurloonvergelijking, resulterend in een mate van arbeidsongeschiktheid van 22,28%. Dit heeft geleid tot besluit 3, waarin de intrekking van de WAO-uitkering per 19 november 1996 ongedaan wordt gemaakt en de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum ongewijzigd wordt vastgesteld op 15 tot 25%.

De Raad oordeelt als volgt.

Voorop dient te worden gesteld dat het beroep tegen besluit 1, zoals kennelijk ook door de rechtbank is aangenomen, tijdig is ingesteld, nu besluit 1 door gedaagde aanvankelijk naar het oude adres van appellant was verzonden, ondanks het feit dat van de zijde van appellant in hoger beroep onweersproken is gesteld dat hij zijn verhuizing naar Duitsland aan gedaagde had doorgegeven, en de Raad niet gebleken is dat de stelling van appellant, dat hij, zodra hij kennis nam van besluit 1, beroep heeft ingesteld, onjuist is.

Wat het onderdeel van besluit 1 betreft dat betrekking heeft op de toepassing van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO is de Raad met gedaagde van oordeel dat appellant uit zijn activiteiten met betrekking tot het opknappen en verkopen van auto's in het jaar 1994 inkomsten heeft genoten. De Raad kan evenwel niet zonder nadere motivering aanvaarden dat het bedrag van deze inkomsten, zoals in casu is geschied, moet worden gesteld op het bruto bedrag van de verkoop van een auto, dus zonder enige aftrek van kosten. Weliswaar heeft appellant geen boekhouding bijgehouden en heeft hij over zijn bedrijfsresultaten geen verifieerbare gegevens verstrekt, zodat hij zal hebben te aanvaarden dat zijn inkomsten schattenderwijs worden vastgesteld, doch deze schatting kan naar 's Raads oordeel niet geschieden zonder enige verdiscontering van kosten, nu aannemelijk is dat er kosten door appellant zijn gemaakt, onder meer op het punt van de huur van de bedrijfsruimte en de inkoop van onderdelen. Het besluit zal derhalve voor dit onderdeel dienen te worden vernietigd, waarbij het gedaagde vrij staat een nieuw, zorgvuldiger voorbereid, besluit te nemen.

Ten aanzien van het onderdeel van besluit 1 dat betrekking heeft op de herziening van de uitkeringen ingaande 16 augustus 1995 oordeelt de Raad dat dit niet op rechtsgevolg gericht is, nu over deze herziening reeds was beslist bij besluit van 15 juli 1995. De beslissing van de rechtbank dat het beroep tegen dit onderdeel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard moet derhalve worden gevolgd, waarbij de Raad daarlaat wat er zij van de op dit punt door de rechtbank gebezigde gronden.

Het onderdeel van besluit 1 inhoudende de intrekking van de uitkeringen per 19 november 1996 heeft gedaagde in hoger beroep niet gehandhaafd. Nu appellant geen belang heeft bij vernietiging van dit besluit zal de Raad het hoger beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren.

Aan besluit 2, betreffende de terugvordering, ontvalt de grond nu het het onderdeel van besluit 1 dat betrekking heeft op de toepassing van artikel 33 van de AAW en 44 van de WAO over 1994 niet in stand blijft. De beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van besluit 2 in stand te laten dient daarom te worden vernietigd.

Ten aanzien van besluit 3 stelt de Raad vast dat ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht het oorspronkelijke beroep van appellant geacht moet worden mede te zijn gericht tegen dit besluit. De Raad heeft in de gedingstukken en in hetgeen door appellant is aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om besluit 3, inhoudende de ongewijzigde vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 15 tot 25% per 19 november 1996, voor onjuist te houden. De Raad wijst er in dit verband op dat de door appellant overgelegde medische gegevens met betrekking tot rug- en beenklachten dateren van geruime tijd na de datum in geding.

Het vorenstaande leidt er toe dat wordt beslist als hieronder in rubriek III wordt aangegeven.

Dit brengt mee dat gedaagde dient te worden veroordeeld in de proceskosten van appellant, bestaande uit € 966,- aan kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg, en € 322,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, tezamen € 1.288, te betalen door het Uwv. Voorts dient het Uwv het griffierecht ten aanzien van besluit 1 ad € 22,69 (f. 50,-) in eerste aanleg en ad € 77,14 in hoger beroep, tezamen € 99,83 aan appellant te vergoeden.

Voor een veroordeling van gedaagde tot vergoeding aan appellant van niet nader aangegeven schade, ziet de Raad, gelet op zijn beslissing, evenwel geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de instandlating van de rechtsgevolgen van besluit 2;
Bevestigt die uitspraak voor het overige;
Verklaart het beroep tegen besluit 3 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht ad € 99,83 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.J. Simon als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 december 2002.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x