Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AF7889
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-02-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering AAW-uitkering primair op de grond dat de verzekering een aanvang heeft genomen na het ontstaan van de gezondheidsklachten. Het gestelde onderscheid tussen de AAW en de Franse arbeidsongeschiktheidsuitkering kan geen grond vormen om van de in dit geding relevante bepalingen van Verordening (EEG) 1408/71 af te wijken.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/1517 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is mr. J.F.J.L. Homan, advocaat te Mijdrecht, op bij beroepschrift aangevoerde gronden, in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Utrecht onder dagtekening 10 februari 2000 gewezen uitspraak, waarbij het beroep van appellant tegen het door gedaagde op bezwaar gegeven besluit van 9 maart 1999 ongegrond is verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij ongedateerde brief, ingekomen bij de Raad op 28 augustus 2001, heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 januari 2003, waar voor appellant is verschenen mr. Homan voornoemd en waar namens gedaagde is verschenen mr. A.A.W. Zebregs, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant, geboren op 6 maart 1954 en Nederlander van nationaliteit, is op 3 september 1987 verhuisd naar Frankrijk, teneinde aldaar het melkveebedrijf uit te oefenen. In oktober 1989 heeft appellant last gekregen van zwelling en pijn in zijn linker been. Op 14 september 1990 is appellant aangevallen door een stier, waarbij hij ernstig letsel aan de benen opliep. Tijdens de behandeling daarvan werden bij appellant beiderzijds trombosen en voorts longembolieŽn gediagnostiseerd.
Appellant heeft in 1991 zijn bedrijf verkocht. Als zelfstandig ondernemer in de landbouw was hij, onder meer voor arbeidsongeschiktheid, verplicht verzekerd bij de Mutualitť Sociale Agricole (MSA). Appellant heeft zich niet vrijwillig verzekerd tegen aanvullende risico's, met uitzondering van de ziektekosten.

Appellant is in december 1991 naar Nederland gekomen, waar hij in januari 1992 een AAW-uitkering heeft aangevraagd. Hij is in dat kader op 5 juni 1992 gezien door de verzekeringsarts I.T de Geer-Huisman. Deze concludeert dat appellant vanaf 1 januari 1990 geheel arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts geeft verder aan dat appellant niet verzekerd is voor de AAW.

Appellants aanvraag is vervolgens bij besluit van 21 juli 1994 afgewezen primair op de grond dat appellants verzekering een aanvang heeft genomen na het ontstaan van zijn klachten.

Bij uitspraak van 19 juli 1996 heeft de rechtbank Utrecht het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen:

"In artikel 37 van EG-Verordening 1408/71 (verder te noemen Vo 1408/71), is, onder meer, bepaald dat de zelfstandige die afwisselend aan de wetgevingen van twee lidtaten onderworpen is geweest en die uitsluitend tijdvakken van verzekering heeft vervuld krachtens wetgevingen volgens welke het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen onafhankelijk is van de duur der tijdvakken van verzekering recht heeft op uitkeringen overeenkomstig artikel 39 van Vo 1408/71. In Bijlage IV bij Vo 1408/71 staat Frankrijk vermeld als land waarin de wettelijke regelingen inzake de invaliditeitsverzekering van de zelfstandigen in de landbouw moet worden gerekend tot dit type verzekering.
Voorts bepaalt artikel 39. lid 1, van Vo 1408/71 dat het orgaan van de lidtaat waarvan de wetgeving van toepassing was op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan, overeenkomstig deze wetgeving vaststelt of de betrokkene voldoet aan de gestelde voorwaarden voor het recht op uitkeringen.
Ingevolge het tweede lid van artikel 37 Vo 1408/71 ontvangt de betrokkene die voldoet aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden uitkeringen uitsluitend van bedoeld orgaan, volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving. (...)

  Naar hiervoor is gebleken, was eiser ten tijde van zijn verblijf in Frankrijk verplicht verzekerd tegen invaliditeit op grond van een regeling die wordt genoemd in Bijlage IV bij Vo 1408/71. Vervolgens is eiser in Frankrijk arbeidsongeschikt geworden. Gelet op het bepaalde in artikel 39 Vo 1408/71 valt eiser dus onder de Franse regeling met uitsluiting van elk ander stelsel. (...)

Gelet hierop moet worden geoordeeld dat verweerder onbevoegd was zich een oordeel te vormen omtrent eisers arbeidsongeschiktheid."

Partijen hebben in deze uitspraak berust.

Gedaagde heeft daarop een hoorzitting gehouden. Uit het verslag hiervan, gedateerd 14 mei 1998, blijkt dat het voornaamste bezwaar van appellant is dat de Franse en de Nederlandse regeling niet met elkaar te vergelijken zijn. Zo bedraagt de Franse uitkering slechts fl. 460,- per maand, substantieel minder dan een AAW-uitkering in de situatie van appellant zou bedragen. Het bedrag van fl. 460,- wordt aangevuld tot een totaalbedrag van fl. 1000,-. Bij die aanvullende uitkering is er sprake van een lening. Zodra het eigen vermogen van appellant (of een direct familielid) tot een bedrag boven fl. 84.000,- stijgt dient appellant het aanvullende bedrag van zijn uitkering terug te betalen, aldus de gemachtigde.

Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 9 december 1997 zich onbevoegd verklaard met betrekking tot appellants aanvraag om een AAW-uitkering ingaande 1 januari 1990 een beslissing te nemen. Aan dit besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat appellant ten tijde van de aanvang van de arbeidsongeschiktheid in Frankrijk verbleef en hij, gelet op het bepaalde in artikel 39 van Verordening 1408/71, onder de Franse regeling valt met uitsluiting van elk ander stelsel.

Bij het in de onderhavige procedure bestreden besluit van 9 maart 1999 heeft gedaagde appellants bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Bij de in rubriek I genoemde uitspraak van 10 februari 2000 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellant herhaald dat de Franse regeling die op hem van toepassing is zodanig afwijkt van de Nederlandse regeling terzake van arbeidsongeschiktheid dat gedaagde zich niet in redelijkheid op haar onbevoegdheid mag beroepen.

De Raad oordeelt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil, zoals ook ter zitting is gebleken, dat, gezien het bepaalde in Verordening (EEG) 1408/71, op appellant ten tijde hier in geding de Franse wetgeving van toepassing was. Uit artikel 39, eerste lid van genoemde Verordening, volgt dan dat het Franse orgaan, overeenkomstig de Franse wetgeving, vaststelt of appellant voldoet aan de voorwaarden voor het recht op uitkering. Uit artikel 39, tweede lid, van de Verordening, volgt evenzeer dat appellant, aan wie door het Franse orgaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, de uitkeringen ontvangt uitsluitend van bedoeld orgaan volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving.

Het gestelde onderscheid tussen de AAW en de Franse arbeidsongeschiktheidsuitkering kan geen grond vormen om van de in dit geding relevante bepalingen van Verordening (EEG) 1408/71 af te wijken.

Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. P.G.M. Zwartkruis als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2003.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x