Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AF8113
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-02-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ongewijzigde voortzetting van de WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Zijn de medische beperkingen onderschat en kan betrokkene de voorgehouden functies niet vervullen? Is betrokkene vanwege zijn longklachten volledig arbeidsongeschikt? Vergoeding van de kosten van het deskundigenrapport.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/1839 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 6 februari 1998 heeft gedaagde besloten appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) niet te wijzigen, aangezien naar het oordeel van gedaagde appellant ongewijzigd voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt in de zin van die wet was.

Namens appellant heeft mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, bij brief van 12 februari 1998 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 oktober 1998, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 2 maart 2000 het namens appellant op 8 december 1998 tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. Van den Brom, voornoemd, bij beroepschrift van 12 april 2000 van die uitspraak in hoger beroep gekomen. De gronden waarop het hoger beroep berust zijn uiteengezet in het aanvullend beroepschrift van 14 augustus 2000.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 3 november 2000 is zijdens appellant een rapport, gedateerd 1 november 2000, van de huisartsgeneeskundige prof. dr. H.J. van Aalderen overgelegd.

Op dit rapport is van de zijde van gedaagde gereageerd bij brief van 19 februari 2001, met als bijlage een rapport van 16 februari 2001 van de bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer.
Desgevraagd is van de zijde van de Raad bij brief van 28 februari 2001 aan gedaagde toestemming verleend een nader onderzoek te entameren.

Vervolgens heeft gedaagde bij schrijven van 2 oktober 2001 een rapportage van 17 mei 2001 van de longarts Th.B. Waworuntu ingezonden, alsmede - in reactie hierop - een rapport van bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer van 20 juni 2001 en van bezwaararbeidsdeskundige R.F. Meere (met bijlagen) van 19 september 2001.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 november 2001, waar voor appellant is verschenen mr. E.M. van den Brom en waar namens gedaagde is verschenen mr. J.B. van der Horst, destijds werkzaam bij Gak Nederland B.V.




II. MOTIVERING


Appellant heeft zijn werkzaamheden als bedieningsman in een bottelarij op 31 december 1988 gestaakt wegens nek- en schouderklachten. In verband hiermee zijn hem na het vervullen van de wachttijd op 31 december 1989 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij beslissing van 17 augustus 1990 zijn die uitkeringen met ingang van 1 oktober 1990 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De voormalige Raad van Beroep te Amsterdam heeft, na raadpleging van de deskundige, orthopedisch chirurg dr. G.E. Rφsing, en van de deskundige, neuroloog dr. P. Fleury, bij uitspraak van 14 mei 1992 het tegen die beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is namens gedaagde ingetrokken. In september 1994 heeft appellant gedaagde verzocht zijn uitkeringen te herzien wegens toegenomen klachten, maar zonder resultaat.

Bij brief van 27 juni 1996 is zijdens appellant aan gedaagde opnieuw medegedeeld dat zijn arbeidsongeschiktheid is toegenomen, ditmaal wegens psychische klachten. Hiertoe is aangevoerd dat appellant in december 1995 onder behandeling is gekomen van psychiater prof. dr. F. Jessurun.

De verzekeringsarts P.W. van Zalinge heeft blijkens haar rapportage van 2 oktober 1997 op basis van eigen onderzoek, de anamnese, de reeds beschikbare informatie en het rapport van de door haar geraadpleegde psychiater M.L. Stek van 20 juni 1997 appellants belastbaarheid vastgesteld. De verzekeringsarts concludeerde dat appellants rug- en schouderklachten ongewijzigd waren ten opzichte van 1989 en 1995, maar dat zijn beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid zijn toegenomen in verband met appellants psychische klachten.
De arbeidsdeskundige R. Gulikers heeft blijkens zijn rapportage van 22 december 1997 appellant in staat geacht om met die door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen passende arbeid te verrichten.
Aansluitend is door gedaagde het primaire besluit van 6 februari 1998 genomen, waarbij appellants arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is vastgesteld op 45 tot 55%.

In het kader van de bezwaarschriftprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer blijkens zijn rapportage van 22 september 1998 op basis van de reeds beschikbare gegevens en de nader ingekomen informatie van de behandelend psychotherapeut B.N.V. Hoogeveen van 10 juli 1998 de conclusies van de verzekeringsarts Van Zalinge onderschreven. Gedaagde heeft vervolgens, nadat de bezwaararbeidsdeskundige M. Overduin in zijn rapport van 15 oktober 1998 de conclusies van de arbeidsdeskundige Gulikers heeft onderschreven, het bestreden besluit genomen.

De rechtbank komt in de aangevallen uitspraak tot het oordeel dat haar niet was gebleken dat het opgestelde belastbaarheidsprofiel op onjuiste of onvolledige wijze de medische beperkingen van appellant weerspiegelt. Evenmin is haar gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies appellants belastbaarheid overschrijdt.

Appellant heeft in hoger beroep (opnieuw) doen aanvoeren dat gedaagde zijn medische beperkingen heeft onderschat en dat hij de voorgehouden functies niet kan vervullen. Ter ondersteuning van dit standpunt is van de zijde van appellant een rapport overgelegd van 1 november 2000 van huisartsgeneeskundige prof. dr. Van Aalderen, die tot het oordeel komt dat appellant volledig arbeidsongeschikt is, mede vanwege zijn longklachten.

Gedaagde heeft hierin aanleiding gezien om -met toestemming van de Raad- door longarts Waworuntu een nader onderzoek te laten verrichten naar appellants longklachten. Naar aanleiding van het rapport van 17 mei 2001 van de longarts Waworuntu, die tot de conclusie komt dat appellant - met inachtneming van beperkingen ten aanzien van zware inspanningen - in staat kan worden geacht om werkzaamheden te verrichten, scherpt de bezwaarverzekeringsarts Cramer in zijn rapport van 20 juni 2001 het belastbaarheidspatroon iets aan. De bezwaararbeidsdeskundige R.F. Meere concludeert vervolgens naar aanleiding van dit bijgestelde belastbaarheidspatroon in zijn rapport van 19 september 2001 dat van de zes aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies, de functie van samensteller weliswaar moet komen te vervallen, maar dat de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55% kan worden gehandhaafd.

Het gaat in dit geding om de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit van 30 oktober 1998 - met toepassing van artikel 38 van de WAO - appellants arbeidsongeschiktheid terecht onveranderd heeft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Wat betreft het medisch aspect van de onderhavige beoordeling is de Raad van oordeel dat de belastbaarheid van appellant, met inachtneming van de daarbij door longarts Waworuntu geplaatste kanttekening, juist is vastgesteld door gedaagdes bezwaarverzekeringsarts Cramer.

De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat de zienswijze van deze verzekeringsarts berust op eigen onderzoek van appellant, op informatie die is ingewonnen bij de behandelende sector en op rapportages van de door de verzekeringsarts geraadpleegde psychiater Stek en van de longarts Waworuntu.

De Raad heeft hier voorts bij in aanmerking genomen dat in het belastbaarheidspatroon aanzienlijke beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van appellants rug- en schouderklachten, zijn psychische klachten en, naar aanleiding van de rapportage van longarts Waworuntu, ook nog ten aanzien van zijn longklachten.

De Raad ziet in het rapport van de huisartsgeneeskundige Van Aalderen geen aanknopingspunten voor een ander oordeel, waarbij de Raad in aanmerking heeft genomen dat die arts onvoldoende inzichtelijk maakt waarom appellants gecombineerde aandoeningen hem volledig zouden beletten aan het arbeidsproces deel te nemen.

Aangaande de ter zitting van de Raad nog nader toegelichte grief dat met appellants oogklachten ten onrechte geen rekening is gehouden merkt de Raad nog op dat blijkens het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Meere van 23 april 1999 wel degelijk een beoordeling van appellants oogklachten heeft plaatsgevonden, maar dat deze beoordeling niet tot het stellen van verdergaande beperkingen van zijn belastbaarheid heeft geleid.

De Raad heeft dan ook geen aanleiding gevonden om een medisch onderzoek te gelasten, zoals zijdens appellant is verzocht. In het algemeen gaat de Raad slechts daartoe over indien de gedingstukken dan wel de door of namens betrokkene aangedragen gegevens reden geven voor twijfel aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat een zodanige situatie hier niet aan de orde is.

Wat betreft het arbeidskundig aspect overweegt de Raad dat hij de vijf resterende functies met uitzondering van die van inpakker koekjes (vooralsnog) voor appellant geschikt acht. Voor wat betreft deze laatste functie overweegt de Raad dat de door gedaagde in de stukken gegeven toelichting op de overschrijding van appellants belastbaarheid ten aanzien van het aspect reiken, neerkomt op een - impliciete - wijziging van de waardering van appellants belastbaarheid, hetgeen naar het oordeel van de Raad zonder een toereikende motivering, welke in casu ontbreekt, ontoelaatbaar is.

De Raad constateert vervolgens dat noch uit het primaire besluit van 6 februari 1998, noch uit het bestreden besluit van 30 oktober 1998 blijkt op welke datum het besluit ziet. Op grond van de gedingstukken -in het bijzonder het rapport van arbeidsdeskundige R. Gulikers van 22 december 1997- en het verhandelde ter zitting houdt de Raad het ervoor dat de voor dit geding relevante datum 28 december 1995 is.

Uitgaande van deze datum in geding is naar het oordeel van de Raad niet voldaan aan de uit 's Raads rechtspraak in een geval als het onderhavige voortvloeiende eis dat de voor appellant geschikt geachte functies - met alle daaraan verbonden specifieke aspecten inzake belasting, beloning, opleidingseisen, arbeidsplaatsen e.d.- ook op de datum in geding, 28 december 1995, op de arbeidsmarkt voorkwamen. Uit de overgelegde arbeidsmogelijkhedenlijsten van respectievelijk 13 oktober 1997 en van 6 februari 1998 blijkt immers dat de actualiteitsdata van die functies ver na de datum in geding gelegen zijn, te weten in 1996, 1997 en 1998.

De Raad acht het bestreden besluit daarom in strijd met artikel 18 van de WAO, zodat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gebleven, niet in stand kunnen blijven.

De Raad zal gedaagde opdragen, met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak, een nader besluit te nemen omtrent de aanspraken van appellant op uitkeringen ingevolge de AAW de WAO met ingang van 28 december 1995.

Het namens appellant gedane verzoek tot vergoeding van wettelijke rente komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu op grond van het vorenoverwogene nog niet vaststaat hoe het nadere besluit zal dienen te luiden. Gedaagde zal bij het nemen van een nader besluit tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade, als verzocht, te vergoeden.

De Raad acht wel termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg, op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 17,97 (f 39,60) voor kosten van de huisarts die aan appellants gemachtigde verslag heeft uitgebracht.

Met betrekking tot de vordering van de kosten van het uitgebrachte rapport van de huisartsdeskundige prof. dr. Van Aalderen is de Raad van oordeel dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b van het Besluit proceskosten bestuursrecht komt appellant bij een bestede tijd van 4 uur een forfaitaire vergoeding toe van € 324,91 (f 716,--). Dit is gebaseerd op het voor een dergelijk rapport in artikel 1, eerste lid, onder IV van het van toepassing verklaarde Besluit tarieven in strafzaken vastgestelde maximale uurtarief van f 179,-- (€ 81,23).

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nader besluit zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 986,88, in totaal € 1.630,88, te betalen aan de griffier van de Raad;
Verstaat dat gedaagde het gestorte recht van € 102,10 aan appellant vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2002.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x