Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AF8466
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-04-2003
Soort procedure: verzet
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering om terug te komen van vier eerdere, in rechte onaantastbaar geworden WAO-besluiten. Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen een uitspraak op verzet. Is er in het onderhavige geval sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die ertoe nopen het appelverbod doorbroken te achten? Dient een aan de rechtbank ingezonden brief te worden opgevat als een tegen het bestreden besluit gericht beroepschrift? Terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.
 
 
 

 

 
Uitspraak 97/12245 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit gevat het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid.

Bij besluit van 25 november 1996 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde geweigerd terug te komen van vier eerdere beslissingen inzake het recht van appellant op uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

De rechtbank Rotterdam heeft op 5 juni 1997 bij uitspraak ingevolge artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het namens appellant door mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, ingestelde beroep tegen het besluit van 25 november 1996 niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft op 11 november 1997 bij uitspraak ingevolge artikel 8:55 van de Awb het namens appellant ingestelde verzet tegen de uitspraak van 5 juni 1997 ongegrond verklaard.

Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 11 november 1997.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft het hoger beroep bij uitspraak van 7 augustus 1998, gedaan met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van de Awb, niet-ontvankelijk verklaard.

Namens appellant is vetzet ingesteld tegen de uitspraak van 7 augustus 1998, welk verzet is behandeld ter zitting van de Raad op 24 april 2001, waar voor appellant is verschenen mr. Van Zundert, voornoemd, terwijl gedaagde met voorafgaand bericht niet is verschenen.

De Raad heeft bij uitspraak van 17 juli 2001, gedaan met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Awb, het verzet gegrond verklaard, als gevolg waarvan de uitspraak van 7 augustus 1998 is vervallen en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 maart 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Zundert, en waar namens gedaagde is verschenen mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Het onderhavige hoger beroep van appellant is gezicht tegen de door de rechtbank met toepassing van artikel 8:55 van de Awb gewezen uitspraak van 11 november 1997.

De Raad stelt voorop dat ingevolge artikel 18, tweede lid, onder b, van de Beroepswet geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb en dat derhalve het tegen een dergelijke uitspraak ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen, wil de Raad echter niet uitsluiten dat er zeer bijzondere omstandigheden kunnen zijn die een tegen een dergelijke uitspraak ingesteld hoger beroep niettemin ontvankelijk doen zijn.

Ter beantwoording ligt de vraag voor of in het onderhavige geval sprake is van zeer bijzondere omstandigheden als evenbedoeld, die ertoe nopen het vorenomschreven appelverbod doorbroken te achten. De Raad neemt de volgende feiten en omstandigheden tot uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde geweigerd om terug te komen van een aantal eerder door hem genomen beslissingen betreffende de aanspraak van appellant op uitkering ingevolge de WAO. In dat besluit was vermeld dat appellant, indien hij zich er niet mee zou kunnen verenigen, binnen zes weken na dagtekening ervan in beroep kon gaan bij de rechtbank Rotterdam.

Appellants gemachtigde heeft zich bij brief van 24 december 1996 tot gedaagde gewend, in welke brief hij aangaf dat appellant bezwaren van zowel formele als materiŽle aard had tegen het bestreden besluit. Het formele bezwaar bestond hierin dat appellant van mening was dat ten onrechte de rechtbank Rotterdam werd vermeld als beroepsinstantie. Naar de opvatting van appellant diende, alvorens de weg naar de rechtbank openstond, eerst gedaagde in bezwaar het bestreden besluit in heroverweging te nemen. In afwachting van een standpuntbepaling van gedaagde inzake dit formele bezwaar, heeft appellant er op dat moment van afgezien materiŽle grieven te formuleren.

Appellants gemachtigde heeft, niettegenstaande evenvermelde formele opvatting, de brief van 25 november 1996 ook in afschrift aan de rechtbank doen toekomen. Dit afschrift is op 30 december 1996 door de rechtbank ontvangen.

Voorts heeft ook gedaagde, die zich met evenvemmelde formele opvatting van appellant niet kon verenigen en van oordeel was dat de brief diende te worden aangemerkt als een beroepschrift, de brief met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden aan de rechtbank. De rechtbank heeft de brief op 7 januari 1997 ontvangen.

De rechtbank heeft bij haar in rubriek I vermelde uitspraak van 5 juni 1997 het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan lag, in samenvatting weergegeven, het oordeel ten grondslag dat, nu het beroepsdrift op 7 januari 1997 door de rechtbank was ontvangen, de remrijn voor het instellen van het beroep was overschreden en op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kon worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim was geweest.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak van 11 november 1997 het verzet tegen de uitspraak van 5 juni 1997 ongegrond verklaard. De rechtbank achtte de in laatstvermelde uitspraak uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring juist, evenwel op andere gronden dan daarin neergelegd. De rechtbank erkende, voor zover hier van belang, thans op zich dat het namens appellant toegezonden afschrift van de brief van 24 december 1996 op 30 december 1996 bij haar was binnengekomen, maar overwoog tevens dat die brief naar haar oordeel, een aan gedaagde gericht bezwaarschrift is, dat adressering en inhoud daarop wijzen en dat zelfs een welwillende uitleg niet in een andere richting wijst.

De Raad overweegt als volgt.

In de eerste plaats stelt de Raad vast dat, naar ook door de rechtbank in de aangevallen uitspraak tot uitgangspunt is genomen en overigens tussen partijen niet in geschil is, de brief van 24 december 1996 door de rechtbank op 30 december 1996 - in afschrift - is ontvangen en daarmee tijdig, want binnen de beroepstermijn van zes weken, bij de rechtbank is ingediend.

Doorslaggevend voor de beantwoording van de voorliggende rechtsvraag is uitsluitend of bedoelde brief van 24 december 1996 dient te worden aangemerkt als een tegen het bestreden besluit ingediend beroepschrift.

Anders dan de rechtbank is de Raad - met appellant en gedaagde - van oordeel dat zulks het geval is.

De Raad acht hierbij doorslaggevend dat ten tijde hier van belang, gelet op artikel 1V van de overgangs- en slotbepalingen van de (eerste en tweede tranche van de) Awb, waarin, voor zover hier van belang, is bepaald dat gedurende drie jaren na de datum van inwerkingtreding van de Awb afdeling 7.1 van die wet geen toepassing vindt ten aanzien van geschillen - anders dan betrekking hebbend op het verzekerd zijn of de verschuldigde premie - op grond van de WAO, de bezwaarschriftprocedure nog niet gold voor het bestreden besluit en derhalve ingevolge het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van de Awb tegen dat besluit diende te worden opgekomen dom het instellen van een rechtstreeks beroep bij de rechtbank. Door appellants gemachtigde wordt dit thans ook erkend, daarbij aangevende dat het formele standpunt als vervat in de brief van 24 december 1996 berustte op een foutieve interpretatie zijnerzijds van het overgangsrecht.

In het licht van het vorenomschreven hier van toepassing zijnde wettelijke regime inzake de tegen het bestreden besluit te volgen beroepsgang, had de rechtbank de door haar in afschrift ontvangen brief van 24 december 1996, in weerwil van - en dus met voorbijzien aan - het feit dat deze was gericht aan gedaagde en nog geen inhoudelijk bezwaar bevatte tegen het bestreden besluit, dienen aan te merken als - en in behandeling dienen te nemen als - een tegen het bestreden besluit gericht en tijdig ingediend (inleidend) beroepschrift. Op zich bleek immers uit die brief volstrekt duidelijk dat appellant, zij het op nog nader aan te geven inhoudelijke gronden, zich met het bestreden besluit niet kon verenigen en daartegen wenste op te komen.

Door de brief van 24 december 1996 als een bezwaarschrift aan te merken, terug te zenden aan appellant; gemachtigde en niet in behandeling te nemen als een (tijdig ontvangen) beroepschrift, is de rechtbank in strijd gekomen met de hiervoor vermelde voorschriften van de Awb.

Tengevolge van het niet in acht nemen van die voorschriften heeft de rechtbank gehandeld in strijd met het mede in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en rechtsbeginsel dat de rechter een beslissing dient te geven inzake een bij hem aanhangig beroep tegen een besluit als hier aan de orde.

Gelet op het vorenoverwogene dient het in artikel 18, tweede lid, onder b, van de Beroepswet neergelegde appelverbod buiten toepassing te worden gelaten en is het hoger beroep ontvankelijk.

De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking en de zaak zal met toepassing van artikel 26, eerste lid, onder b, van de Beroepswet voor nader onderzoek worden teruggewezen naar de rechtbank.

Met betrekking tot de in het onderhavige hoger beroep door appellant gemaakte proceskosten overweegt de Raad dat de rechtbank - afhankelijk van de uitkomst van het bij haar voort te zetten geding - die kosten in een eventuele proceskostenveroordeling dient te betrekken. Deze kosten worden begroot op Ä 966, - voor verleende rechtsbijstand.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde griffierecht van Ä 72,60 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr, J. W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 april 2003.

(get.) M.S. Spaas.

(get.) B.C. Rog.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x