Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AI0140
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-07-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het is aan de bestuursrechter om vast te stellen of er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van de rechterlijke behandeling van een zaak. Onpartijdig gerecht als bedoeld in artikel 6 van het EVRM Voor wat betreft de gevolgen van een dergelijke schending is de burgerlijke rechter bevoegd.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/6061 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven.

Namens appellant heeft mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 oktober 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft mr. Madern nog een stuk in het geding gebracht, waarop gedaagde heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer van de Raad op 28 februari 2003, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Madern, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door E. van Onzen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Na deze zitting is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 23 mei 2003, waar partijen in dezelfde samenstelling als op 28 februari 2003 zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant is werkzaam geweest als medewerker in een rozenkwekerij. Op 8 februari 1991 heeft hij zijn werk wegens hartklachten gestaakt. Gedaagde heeft ingaande 7 februari 1992 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellant toegekend gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij besluit van 22 mei 1996 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde deze uitkeringen ingaande 15 juli 1996 ingetrokken. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag, volgens welke bij appellant sprake is van beperkingen in verband met "status na aortaklepvervanging". Hierop is een arbeidskundige beoordeling gevolgd, volgens welke er met inachtneming van die beperkingen sprake is van geschiktheid tot het verrichten van een aantal functies, leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van ongeveer 13%.

Namens appellant is op 26 juni 1996 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Na ontvangst van de gedingstukken, een verweerschrift en nadere stukken heeft de rechtbank partijen uitgenodigd voor een zitting op 21 januari 1997, welke zitting op verzoek van appellant is verdaagd. De zaak is vervolgens op 24 juni 1997 behandeld ter zitting van de rechtbank, na welke zitting is besloten tot heropening van het onderzoek. In november 1997 heeft de rechtbank een concept vraagstelling aan een deskundige aan partijen gestuurd, waarna in februari 1998 de psychiater J. Rübsaam is verzocht te rapporteren over appellant. Deze psychiater is in zijn rapport van 22 maart 1998 tot de slotsom gekomen dat appellant op en na 15 juli 1996 niet in staat was tot het verrichten van arbeid ten gevolge van een depressieve stoornis, gepaard gaande met sterk initiatiefverlies. Naar aanleiding van de reacties van partijen op zijn rapport heeft Rübsaam zijn conclusies bij brief van 31 juli 1998 nader toegelicht.

De rechtbank heeft de zaak vervolgens opnieuw behandeld ter zitting van 6 november 1998. Na die zitting is het onderzoek wederom heropend. Namens appellant is vervolgens enkele keren aan de rechtbank verzocht het onderzoek voortvarend te hervatten. In mei 1999 heeft de rechtbank de psychiater prof. dr. G.F. Koerselman verzocht te rapporteren. Deze deskundige is in zijn rapport van 27 mei 1999 tot de slotsom gekomen dat er bij appellant op en na 15 juli 1996 sprake was van een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken. Hieruit vloeiden volgens de deskundige beperkingen voort ten aanzien van de psychische belastbaarheid van appellant op de onderdelen tijdsdruk en conflicthantering. Rekening houdend met deze beperkingen achtte de deskundige appellant in staat de hem voorgehouden voorbeeldfuncties in een volledige dagtaak te verrichten, met dien verstande dat hij ten aanzien van twee functies een onvoldoende helder beeld had om met zekerheid te kunnen concluderen dat de werkdruk in die functies binnen redelijke grenzen blijft. Ten slotte adviseerde deze deskundige een nader onderzoek te laten verrichten door een reumatoloog.

In oktober 1999 heeft de rechtbank de reumatoloog dr. G.H.C. Schardijn verzocht te rapporteren. In zijn rapport van 27 november 1999 is deze deskundige tot de slotsom gekomen dat er op dat moment onvoldoende argumenten aanwezig waren om appellant ongeschikt te achten de hem voorgehouden functies in een volledige dagtaak te verrichten. Deze deskundige kon zich grotendeels verenigen met de voor appellant vastgestelde beperkingen, zij het dat hij werken in een droge omgeving niet gewenst achtte. Nadat namens appellant in mei 2000 aan de rechtbank was verzocht om spoedig een tijdstip voor een mondelinge behandeling vast te stellen is de zaak op 22 augustus 2000 opnieuw ter zitting behandeld. Bij uitspraak van 25 oktober 2000 heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard, overwegende dat zij geen aanleiding heeft gevonden te twijfelen aan de conclusies van de deskundigen Koerselman en Schardijn. Ten aanzien van het door appellant genoemde verhoogd risico bij verwondingen en de bij de ziekte van Sjögren passende oogklachten heeft de rechtbank overwogen dat de deskundigen hiermee bekend waren en geen aanleiding hebben gevonden meer beperkingen aan te geven.

Namens appellant is op 27 november 2000 op nader aan te voeren gronden hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak, waarna op 22 februari 2001 de gronden van het hoger beroep zijn ingediend. Gedaagde heeft op 6 maart 2001 een verweerschrift ingediend. Naar aanleiding van een namens appellant op 20 maart 2001 ingezonden verklaring van zijn behandelend reumatologe heeft gedaagde nog een reactie gegeven bij brief van 27 maart 2001. Nadat het geschil op 28 februari 2003 ter zitting van een enkelvoudige kamer van de Raad was behandeld, is de zaak verwezen naar een meervoudige kamer van de Raad en is de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 23 mei 2003.

In hoger beroep is namens appellant - kort samengevat - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan het rapport van psychiater Rübsaam en dat onduidelijk is gebleven waarom de rechtbank tweemaal een deskundige van hetzelfde specialisme heeft benoemd. Appellant meent dat geen sprake is geweest van een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onpartijdige rechter als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts is ook in hoger beroep aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de oogproblemen van appellant en met het risico van verwondingen, in verband met de antistollingsmedicijnen die appellant gebruikt, en infecties welke een gevaar voor de kunstklep van appellant opleveren. Ten slotte is aangevoerd dat ten onrechte functies waarvoor een LBO opleiding of gelijkwaardige opleiding is vereist aan hem zijn voorgehouden. Ter zitting van 28 februari 2003 is namens appellant nog aangevoerd dat de duur van de rechterlijke procedure zodanig lang is dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

De Raad ziet - evenals de rechtbank - geen aanleiding te twijfelen aan het oordeel van de deskundigen Koerselman en Schardijn. Uit de rapportages van deze deskundigen blijkt weliswaar dat voor appellant op en na 15 juli 1996 meer en andere beperkingen golden dan gedaagdes verzekeringsarts heeft aangenomen, maar blijkt evenzeer dat appellant ook rekening houdend met die extra beperkingen op en na 15 juli 1996 in staat was te achten de hem voorgehouden functies in een volledige dagtaak te verrichten.

Voorts is de Raad van oordeel dat de rechtbank aan de rapportage van de deskundige Rübsaam terecht geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend, nu de bevindingen van deze deskundige afwijken van die van zijn collega Koerselman, hij niet heeft aangegeven welke beperkingen voor appellant gelden vanaf 15 juli 1996 en op welke gronden hij appellant niet in staat heeft geacht de opgesomde functies te verrichten. Daarbij merkt de Raad nog op dat de rechtbank in beginsel vrij is een andere deskundige van hetzelfde specialisme in te schakelen wanneer zij niet overtuigd is geraakt door de bevindingen van een eerder ingeschakelde deskundige, zoals in deze procedure kennelijk het geval was ten aanzien van het rapport van de psychiater Rübsaam. De Raad is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat in zoverre in eerste aanleg geen sprake is geweest van een eerlijke behandeling bij een onpartijdig gerecht als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Ten aanzien van het door appellant ook in hoger beroep genoemde verhoogde risico bij verwondingen, merkt de Raad allereerst op dat in het belastbaarheidspatroon van appellant rekening is gehouden met het verhoogd risico bij verwondingen en dat in geen van de aan appellant voorgehouden functies sprake is van een verhoogd persoonlijk risico. Verder heeft de deskundige Schardijn met betrekking tot de oogproblemen van appellant alleen een nadere beperking noodzakelijk geacht met betrekking tot een niet te droge werkomgeving, aan welke voorwaarde alle aan appellant voorgehouden functies voldoen.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat appellant op en na 15 juli 1996 in staat was te achten de hem voorgehouden functies in een volledige dagtaak te verrichten. Voorts is de Raad van oordeel dat deze functies in redelijkheid aan appellant voorgehouden konden worden gelet op zijn opleiding en werkervaring in Nederland. Daarbij merkt de Raad, onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie hieromtrent, op dat het bij enkele van de functies genoemde opleidingsniveau LBO niet opgevat moet worden als een strikte diploma-eis.

Ten aanzien van de grief van appellant met betrekking tot de duur van de procedure stelt de Raad vast dat deze grief zich uitsluitend richt tegen het aandeel van de bestuursrechter(s) in deze procedure. De Raad heeft zich in het verleden op het standpunt gesteld dat in het geval van een beweerdelijke schending van artikel 6 van het EVRM op dit punt de belanghebbende zich ter zake van de vaststelling van die schending en de daaraan te verbinden gevolgen dient te wenden tot de burgerlijke rechter; in dat verband verwijst de Raad onder meer naar de uitspraken gepubliceerd in RSV 1998/101 en RSV 1999/232. Daarbij heeft de Raad tot uitdrukking gebracht dat een overschrijding van een redelijk te achten behandelingsduur door de bestuursrechter in beginsel niet kan leiden tot het ontstaan of toekennen van aanspraken die niet in overeenstemming zijn met die wettelijke regeling. Tevens moet in dat verband van belang geacht worden dat het bestuursprocesrecht ingevolge de Awb zich bezwaarlijk leent voor een uitspraak in zake een veroordeling tot schadevergoeding of een andere vorm van genoegdoening ter zake van een rechterlijk tekortschieten ten laste van de Staat, die geen partij is in een dergelijke bestuursrechtelijke procedure.

Mede in het licht van de ontwikkeling van de betekenis die aan artikel 13 van het EVRM in de jurisprudentie van het EHRM toekomt (zie onder meer EHRM 26 oktober 2000, Kudla v. Polen, gepubliceerd in USZ 2001/37), is de Raad thans in afwijking van zijn hierboven vermelde rechtspraak van oordeel dat de bestuursrechter dient vast te stellen of sprake is van een schending van artikel 6 van het EVRM ter zake van een gestelde overschrijding van een redelijke termijn van rechterlijke behandeling van een zaak. De Raad houdt in zoverre vast aan zijn gevormde rechtspraak dat voor de vaststelling van de gevolgen die moeten worden verbonden aan een dergelijke schending, een belanghebbende zich tot de burgerlijke rechter dient te wenden. Op deze wijze wordt buiten twijfel gesteld dat in het Nederlandse bestuursrecht een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het EVRM voorhanden is om vast te stellen of een redelijke behandelingstermijn door de bestuursrechter is overschreden. Bij gebreke aan een wettelijke voorziening ter zake komt echter in het Nederlandse rechtssysteem het oordeel over de beweerdelijk geleden - en door de Staat te vergoeden - schade toe aan de burgerlijke rechter.

De Raad is, gelet op de totale duur van het rechterlijk aandeel in deze procedure - vanaf 26 juni 1996 tot heden - en op de perioden waarin de behandeling van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep zonder duidelijke oorzaak heeft stilgelegen, mede gelet op de aard van de procedure en de proceshouding van appellant, van oordeel dat sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2003.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x