Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AI5642
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-11-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Kan een verzoek om schadevergoeding worden gehonoreerd als de schade voortvloeit uit een gebrek dat nog in geding is?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 98/5379 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe IndustriŽle bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 12 november 1996 heeft appellant de uitkeringen van gedaagde ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 6 januari 1997 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De Arrondissementsrechtbank te Den Haag heeft bij uitspraak van 1 juli 1998 het beroep tegen dat besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant veroordeeld tot vergoeding van de door gedaagde gemaakte proceskosten.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 oktober 2000, waar gedaagde niet is verschenen, terwijl appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door C.E.B. Haazen, werkzaam bij Gak Nederland B.V.




II. MOTIVERING


De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 12 november 1996 op een ondeugdelijke medische grondslag berust, waarna zij het beroep gegrond heeft verklaard en dat besluit heeft vernietigd. Tevens heeft de rechtbank aanleiding gezien om appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag groot f 1.775,- voor verleende rechtsbijstand.

Appellant is tegen deze door de rechtbank uitgesproken veroordeling in de proceskosten in hoger beroep gekomen. Appellant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht de in de procedure verrichte proceshandelingen voor vergoeding in aanmerking heeft laten komen aangezien gedaagde zelf de procedure heeft gevoerd en zich niet heeft laten bijstaan door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend.

Gedaagde kan zich met vorengenoemd standpunt van appellant niet verenigen en is van oordeel dat de door hem in het kader van de procedure gemaakte kosten in aanmerking dienen te komen voor een vergoeding. Bovendien verzoekt gedaagde appellant te veroordelen in vergoeding van de wettelijke rente over het bedrag aan uitkering dat als gevolg van het besluit van 13 november 1996 niet aan hem is uitbetaald.

Met betrekking tot de door de rechtbank uitgesproken veroordeling van appellant in de proceskosten van gedaagde overweegt de Raad als volgt.

Het betreft hier de in artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde kosten die een partij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank. Krachtens dat artikellid worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld. Zodanige regels betreffende de kosten waarop een veroordeling - uitsluitend - betrekking kan hebben, zijn neergelegd in het eerdergenoemde Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763). In het in dit kader relevante artikel 1, aanhef, onderdeel a, van dit Besluit staat vermeld dat een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking heeft op een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In het onderhavige geval heeft gedaagde zelf de procedure gevoerd en heeft zich niet doen bijstaan door rechtshulpverlener, zoals hier is bedoeld. De Raad kan appellant, gelet op het vorenstaande, in zijn standpunt volgen dat de rechtbank ten onrechte hem heeft veroordeeld tot vergoeding van de door gedaagde gemaakte proceskosten, zodat het hoger beroep slaagt.

Met betrekking tot gedaagdes verzoek om appellant te veroordelen tot vergoeding van de schade in de vorm van wettelijke rente, hetgeen een verzoek inhoudt om toepassing te geven aan het artikel 8:73 van de Awb, overweegt de Raad als volgt.

In eerste aanleg heeft gedaagde niet om toepassing van het juist vermelde artikel verzocht en de aangevallen uitspraak bevat daaromtrent geen beslissing van de rechtbank. Voorts heeft appellant in hoger beroep het geding beperkt tot de vraag of de rechtbank terecht appellant heeft veroordeeld in de proceskosten. De door de rechtbank uitgesproken vernietiging van het bestreden besluit en de daaruit voortvloeiende gegrondverklaring van het beroep wordt door appellant niet betwist.

Aangezien de door gedaagde gevorderde schade niet voortvloeit uit de vernietiging van de rechtbank van het bestreden besluit wegens het in hoger beroep nog in geding zijnde gebrek, komt gedaagdes verzoek appellant krachtens artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot betaling van vergoeding van die schade reeds om die reden niet voor toewijzing in aanmerking.

De Raad wenst in dit kader nog wel op te merken dat de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad kenbaar heeft gemaakt dat het in het verweerschrift van gedaagde weergegeven verzoek om schadevergoeding door hem in behandeling zal worden genomen, waarvan het resultaat in een besluit zal worden neergelegd.

Uit het vorenstaande volgt dat moet worden beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van mr. B. Fijnheer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 november 2000.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) B. Fijnheer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x