Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AI5657
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-03-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ingangsdatum van de wettelijke rente indien het besluit binnen de daarvoor geldende termijn is genomen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 97/11761 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor het Slagers- en Vleeswarenbedrijf, de Groothandel in Vleeswaren en de Pluimveeslachterijen (de "Samenwerking"). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 27 juni 1995 (hierna: besluit I) heeft gedaagde aan appellant met ingang van 13 juni 1995 uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% en uitkering krachtens de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) geweigerd.

Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 21 mei 1996 (hierna: besluit II), in afwijking van besluit I, aan appellant per 13 juni 1995 uitkeringen ingevolge de AAW en WAO toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De Arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft bij uitspraak van 7 november 1997 het namens appellant ingestelde beroep tegen besluit I gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, zulks met bepalingen over schadevergoeding, griffierecht en proceskosten. Het beroep dat geacht werd te zijn ingesteld tegen besluit II is ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. G.J. Knotter, advocaat te Utrecht, van die uitspraak in hoger beroep gekomen; dat hoger beroep strekt ertoe de aangevallen uitspraak te vernietigen wat betreft het oordeel tegen besluit II en dat besluit te vernietigen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben vervolgens nadere stukken overgelegd.

Op verzoek van de Raad heeft arbeidsdeskundige M.R. Smit-Frieling, op 17 december 1998 van verslag en advies gediend omtrent de geschiktheid voor appellant van de aan hem voorgehouden voorbeeldfuncties.

Vervolgens is namens gedaagde op dit rapport gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 februari 1999, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Knotter, voornoemd. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Kouwenhoven, werkzaam bij Uitvoeringsinstelling GUO B.V.

Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

In antwoord op vragen van de Raad heeft gedaagde de Raad bij brief van 6 augustus 1999 (met bijlagen) medegedeeld dat het door appellant bestreden besluit II geen stand kan houden. Op 9 september 1999 heeft gedaagde doen weten dat is geoordeeld dat appellant alsnog per einde wachttijd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van het geding ter zitting achterwege te laten.




II. MOTIVERING


Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en is het onderzoek gesloten.

Bij zijn in rubriek I vermelde brieven van 6 augustus 1999 en 9 september 1999 heeft gedaagde te kennen gegeven besluit II niet te handhaven en appellant met ingang van 13 juni 1995 80 tot 100% arbeidsongeschikt te beschouwen.

Appellants gemachtigde heeft de Raad verzocht gedaagde te veroordelen tot de gemaakte proceskosten, griffierecht en vergoeding van renteschade die appellant heeft geleden doordat gedaagde zijn uitkering niet tijdig heeft uitbetaald. Gelet daarop heeft appellant - ondanks de omstandigheid dat gedaagde volledig aan zijn vordering is tegemoet gekomen - belang bij een oordeel van de Raad in hoger beroep. Nu gedaagde te kennen heeft gegeven dat appellant per einde wachttijd alsnog 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt beschouwd, ziet de Raad termen aanwezig om besluit II te vernietigen. Daaruit volgt dat ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor zover aangevochten vernietigd dient te worden.

Ten aanzien van het verzoek om gedaagde op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van renteschade, overweegt de Raad dat uit het vorenstaande volgt dat gedaagde nalatig is gebleven vanaf 13 juni 1995 volledige uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO betaalbaar te stellen. Appellants vordering komt dan ook voor toewijzing in aanmerking.
Met betrekking tot de datum met ingang waarvan gedaagde gehouden is tot vergoeding van wettelijke rente als gevolg van het vernietigde besluit II overweegt de Raad het volgende.

Gelet op het bepaalde in artikel 8 van het hier van toepassing zijnde Besluit Beslistermijnen sociale verzekeringswetten (Stb. 1993, 799) bedraagt de termijn waarbinnen gedaagde had moeten beslissen op de aanvraag van appellant dertien weken na de ontvangst van appellants aanvraag. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant zijn aanvraag tijdig, dit wil zeggen binnen negen maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid heeft gedaan. Gegeven dat appellant pas per 13 juni 1995 aanspraak kon maken op uitkeringen krachtens de AAW en de WAO en gedaagde op 25 juni 1995 op appellants aanvraag heeft beslist, is de Raad - mede gelet op de in zijn jurisprudentie neergelegde opvatting over het ontbreken van betalingstermijnen in de AAW en de WAO - van oordeel dat de eerste dag waarover appellant in dit geval over de als gevolg van het vernietigde besluit II ten onrechte niet betaalbaar gestelde uitkeringen aanspraak kan maken op wettelijke rente, moet worden vastgesteld op 1 juli 1995.

De Raad veroordeelt gedaagde derhalve tot betaling van wettelijke rente op voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek te berekenen over het bruto bedrag van de uitkeringen waarop appellant als gevolg van het vernietigde besluit II alsnog vanaf 1 juli 1995 recht heeft verkregen, nadat daarop in mindering is gebracht het bruto bedrag van de uitkering die appellant over gelijke periode is verstrekt uit hoofde van een andere sociale zekerheidswet, indien en voor zover dat bedrag niet reeds is betrokken bij de vaststelling van de aan appellant toekomende vergoeding van wettelijke rente waartoe de rechtbank gedaagde heeft veroordeeld.

De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.775,- voor verleende rechtsbijstand. Tevens veroordeelt de Raad gedaagde in de kosten die appellant heeft gemaakt voor het door hem in hoger beroep overgelegde rapport van arbeidsdeskundige ing. K.W.A. Schouten te weten een bedrag van f 1.583,31,-.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

Beslist wordt dan ook als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep dat geacht wordt te zijn gericht tegen besluit II alsnog gegrond;
Vernietigt besluit II;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van door appellant geleden renteschade als in rubriek II aangegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een totaalbedrag van f 3.358,31-.;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 210,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek in tegenwoordigheid van L. Savas als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2000.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) L. Savas.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x