Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / TW
x
LJN:
x
AI5659
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-09-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ingangsdatum van de wettelijke rente indien de ingangsdatum van de uitkering vele jaren eerder ligt dan het toekenningsbesluit.
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/238 AAW, 98/239 TW, 98/592 AAW en 98/593 TW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats],

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder het Lisv mede verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 10 oktober 1995 heeft het Lisv aan [betrokkene], voornoemd, (hierna: betrokkene) met ingang van 1 februari 1988 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% (hierna: besluit 1).

Bij besluit van eveneens 10 oktober 1995 heeft het Lisv aan betrokkene met ingang van 10 maart 1993 een toeslag op genoemde AAW-uitkering op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend (hierna: besluit 2).

Bij besluit van 11 september 1996 heeft het Lisv besluit 1 in die zin herzien dat aan betrokkene met ingang van 29 december 1983 een uitkering op grond van de AAW, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, werd toegekend (hierna: besluit 3).

Bij besluit van eveneens 11 september 1996 heeft het Lisv voorts besluit 2 in die zin herzien dat aan betrokkene met ingang van 1 juni 1992 een toeslag op grond van de Toeslagenwet werd toegekend (hierna: besluit 4).

De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 19 november 1997 het beroep van betrokkene tegen de besluiten 1 en 2 gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd; het beroep van betrokkene tegen de besluiten 3 en 4 ongegrond verklaard; de vordering van betrokkene tot vergoeding van renteschade toegewezen, zoals onder de motivering van de uitspraak aangegeven, met veroordeling van het Lisv tot vergoeding van die schade, en bepaald dat het Lisv het door betrokkene gestorte griffierecht vergoedt.

Betrokkene heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn bij brieven van 30 juli 1998, 17 juni 1999 en 5 mei 2000 aangevuld.

Het Lisv heeft tegen deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift van 28 september 1998 aangegeven gronden hoger beroep ingesteld.

Betrokkene zowel als het Lisv hebben voorts een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 augustus 2000, waar betrokkene niet is verschenen en waar het Lisv zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.A.L. Nieuwenhuis, werkzaam bij Gak Nederland B.V.




II. MOTIVERING


Voor de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

Betrokkene heeft zich er in hoger beroep vooral over beklaagd dat hem niet ook een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend.

Dienaangaande overweegt de Raad dat de verzekeringsgeneeskundige J.Ch. Kokenberg in zijn rapport van 14 januari 1992 heeft geconcludeerd dat betrokkene vanaf 31 december 1982 als geheel en blijvend arbeidsongeschikt is te beschouwen. De verzekeringsgeneeskundige D.C.P. Sintnicolaas heeft zich in zijn rapport van 3 oktober 1994 met deze conclusie kunnen verenigen. Gesteld noch gebleken is dat de datum 31 december 1982 als datum van intreden van de arbeidsongeschiktheid van betrokkene onjuist is. Deze datum is in feite ook in overeenstemming met hetgeen betrokkene zelf in zijn aanvraag van 29 oktober 1991 om een arbeidsongeschiktheidsuitkering terzake heeft vermeld alsook in zijn verweerschrift van 10 oktober 1998.
Voorts blijkt uit de stukken dat betrokkene laatstelijk voor de aanvang van de arbeidsongeschiktheid per 31 december 1982 sedert 2 september 1982 uitsluitend een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers heeft genoten, zodat hij op 31 december 1982 niet verzekerd was krachtens de WAO en derhalve terzake van die arbeidsongeschiktheid aan die wet geen aanspraak op uitkering kan ontlenen.

Ook overigens heeft betrokkene geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot vernietiging van de aangevallen uitspraak kunnen leiden.

Het Lisv is tegen de uitspraak van de rechtbank opgekomen omdat hij het (ten dele) niet eens is met de veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente.

Het Lisv erkent op zichzelf dat hij wettelijke rente aan betrokkene verschuldigd is, nu de besluiten 1 en 2 onjuist waren; deze besluiten zijn door hem niet langer gehandhaafd en vervangen door de besluiten 3 en 4. Naar zijn mening heeft de rechtbank evenwel als eerste dag waarop deze rente is verschuldigd ten onrechte de datum 1 januari 1984 aangehouden. Aangezien de vernietigde besluiten 1 en 2 beide van 10 oktober 1995 dateren, moet de ingangsdatum voor de renteberekening worden gesteld op 1 november 1995, aldus het Lisv.

De Raad deelt het oordeel van het Lisv. De rechtbank heeft miskend dat de onrechtmatige besluiten van 10 oktober 1995 zien op de toekenning van uitkering en toeslag, die een reactie zijn op de aanvraag van uitkering in november 1991 respectievelijk op de aanvraag van toeslag in maart 1993. De juiste bedragen aan uitkering en toeslag hadden moeten zijn uitgekeerd op de laatste dag van de maand waarin de datum valt van de bekendmaking van de desbetreffende besluiten, zodat de ingangsdatum voor de berekening van de wettelijke rente in dit geval dient te worden gesteld op 1 november 1995.
De Raad voegt hieraan nog toe dat, zo er sprake zou zijn geweest van (te) trage besluitvorming aan de zijde van het Lisv, deze geen voorwerp vormt van de onderhavige procedure en de Raad zich over eventuele daaruit voortvloeiende schade niet kan uitspreken.

De Raad is tenslotte van oordeel dat betrokkene, voor zover hij vergoeding heeft verzocht van andere schade dan die gelegen is in de te late uitbetaling van de uitkering en toeslag, de schade niet heeft geŽxpliciteerd en onderbouwd met bewijsstukken, zodat er reeds daarom geen plaats voor vergoeding is.

Gezien het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak op het laatst besproken onderdeel te worden vernietigd. Voor het overige komt deze uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover het de ingangsdatum voor de berekening van de wettelijke rente betreft;
Bepaalt de ingangsdatum voor de berekening van de wettelijke rente op 1 november 1995;
Bevestigt deze uitspraak voor het overige.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. M.A. Hoogeveen en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 september 2000.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x