Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AM3307
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-10-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht geoordeeld dat in het kader van de eerstejaarsherbeoordeling niet kon worden gesproken van een verslechtering van de gezondheidstoestand van betrokkene en derhalve evenmin van toegenomen arbeidsbeperkingen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/4677 AAW/WAO, 01/5549 WAO en 03/2552 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 9 juni 1998 (besluit 1) heeft gedaagde met ingang van 13 februari 1997 de uitkering van appellant op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, ingetrokken en de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij besluit van 24 juli 1998 (besluit 2) heeft gedaagde appellant medegedeeld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is vastgesteld op 15 tot 25%.

Bij besluit van 4 augustus 2000 (bestreden besluit I), voorzover hier van belang, heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen deze beide besluiten ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2001 heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van appellant tegen bestreden besluit I gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voorzover daarbij het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond is verklaard en bedoeld beroep voor het overige ongegrond verklaard, met bijkomende beslissingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift van 5 november 2001 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 18 oktober 2001 heeft gedaagde een besluit van diezelfde datum (bestreden besluit II) toegezonden waarbij hij, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank opnieuw beslissende op het bezwaar tegen besluit 2, de uitkeringen van appellant op grond van de AAW en de WAO met ingang van 16 juli 1998 heeft herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Gedaagde heeft vervolgens een verweerschrift (met bijlage) ingediend, gedateerd 28 november 2001.

In verband met een vanwege de Raad gestelde vraag heeft gedaagde bij brief van 27 februari 2003 een besluit van diezelfde datum (besluit III) toegezonden waarbij hij, wederom beslissende op het bezwaar tegen besluit 2, meergenoemde uitkeringen van appellant ingaande 16 juli 1998 heeft herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij brief van 15 april 2003 (met bijlage) heeft gedaagde desgevraagd nog informatie verstrekt.

Bij brief van 21 mei 2003 heeft gedaagde desgevraagd een besluit van 1 mei 2003 (bestreden besluit IV) toegezonden waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van appellant ingaande 15 september 1997 zijn herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij brief van 10 juli 2003 heeft appellant nog een reactie ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 juli 2003, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant is op 30 januari 1995 uitgevallen voor zijn werk als productiemedewerker wegens een beenbreuk ten gevolge van een bedrijfsongeval. In verband hiermede is hem bij besluit van 16 februari 1996 met ingang van 29 januari 1996 een uitkering op grond van de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

In het kader van de eerstejaars herbeoordeling is appellant op 17 oktober 1996 onderzocht door de verzekeringsarts A.J. Colijn die tot de conclusie kwam dat het eerder in oktober 1995 ten aanzien van appellant opgestelde belastbaarheidspatroon nog onverminderd van toepassing was.
Met inachtneming hiervan heeft de arbeidsdeskundige J.W. Roosen een theoretische schatting uitgevoerd die leidde tot het inzicht dat de arbeidsongeschiktheid van appellant op 18,4% diende te worden gesteld. Gelet hierop is appellant bij besluit van 2 januari 1997 medegedeeld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid onveranderd is vastgesteld op 15 tot 25%.

In rapporten van 8 april 1998 en 18 mei 1998 heeft de arbeidsdeskundige Roosen, voornoemd, aangegeven dat bij de eerdere berekeningen van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid ten onrechte een uurloonvergelijking in plaats van een maandloonvergelijking is toegepast. Bij een berekening volgens deze laatste methodiek dient appellant per einde wachttijd (29 januari 1996) als 29% en in het kader van de eerste jaarsherbeoordeling als 24,8% arbeidsongeschikt te worden beschouwd, aldus de arbeidsdeskundige.

Op grond van deze bevindingen heeft gedaagde appellant bij besluit van 8 juni 1998 ingaande 29 januari 1996 alsnog ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.
Voorts heeft gedaagde bij besluit 1 met ingang van 13 februari 1997 de uitkering van appellant krachtens de AAW ingetrokken en diens uitkering krachtens de WAO herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Nadat de uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant wegens langdurig verblijf in het buitenland, waarvoor geen toestemming was verleend, was opgeschort, is appellant op 16 juli 1998 gezien door de verzekeringsarts Colijn, voornoemd. Deze arts kwam tot de conclusie dat er geen relevante wijzigingen in de gezondheidstoestand van appellant waren opgetreden en derhalve ook niet in zijn belastbaarheid.
Op basis hiervan heeft gedaagde besluit 2 genomen waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd is bepaald op 15 tot 25%.

De bezwaarverzekeringsarts H.J. Schaap heeft zich blijkens zijn rapport van 28 mei 1999 gesteld achter de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts Colijn welke aan de besluiten 1 en 2 ten grondslag liggen.

Op verzoek van de rechtbank heeft gedaagde met het oog op besluit 2 onderzocht of de bij de eerstejaars herbeoordeling voor appellant geselecteerde functies in juli 1998 nog actueel waren. Gedaagde heeft de rechtbank hieromtrent op 14 februari 2001 bericht dat van de desbetreffende functies alleen die van loempiavouwer op 1 juli 1998 niet meer in het Functie Informatie Systeem (FIS) voorkwam. Dientengevolge verschoof de mediane loonwaarde en diende de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant te worden gesteld op 26,2%.

De rechtbank heeft geen grond gezien om de medische beoordeling vanwege gedaagde ten aanzien van de beide bij bestreden besluit I gehandhaafde besluiten 1 en 2 voor onjuist te houden.
Waar het gaat om de handhaving van besluit 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant ook overigens ongegrond geacht. Voorzover bij bestreden besluit I besluit 2 is gehandhaafd, was de rechtbank evenwel van oordeel dat dit besluit geen stand kon houden, nu uit de door gedaagde op 14 februari 2001 verstrekte informatie was gebleken dat de mate van de arbeidsongeschiktheid van appellant in juli 1998 op arbeidskundige gronden was toegenomen naar 25 tot 35%. De rechtbank heeft bestreden besluit I dan ook voor dit deel vernietigd.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft gedaagde bestreden besluit II genomen waarbij appellant met ingang van 16 juli 1998 is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.

Bij besluit III heeft gedaagde zich nader op het standpunt gesteld dat per 16 juli 1998 niet voldoende functies voor appellant konden worden geselecteerd. De belastingen die zijn vastgesteld voor drie van de eerder in aanmerking genomen functies overschrijden de belastbaarheid van appellant terwijl voor één functie een ervaringseis geldt waaraan appellant niet voldoet. Gedaagde heeft appellant bij even genoemd besluit derhalve ingaande 16 juli 1998 alsnog ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.

Naar aanleiding van vervolgens vanwege de Raad bij brief van 20 maart 2003 aan gedaagde voorgelegde vragen, heeft deze bij brief van 15 april 2003 bericht dat de functies monteur koffiezetters en monteuse/assembleerster die aan de eerstejaars herbeoordeling per 13 februari 1997 ten grondslag liggen, niet geschikt zijn voor appellant wegens overschrijding van diens belastbaarheid op aspect 6 (knielen, kruipen, hurken). Aangezien aldus slechts twee functies resteren, kan de schatting per 13 februari 1997 niet gehandhaafd worden en dient appellant ook te dezen als 80 tot 100% arbeidsongeschikt te worden beschouwd. Met betrekking tot de vraag met ingang van welke datum appellant in deze klasse dient te worden ingedeeld, heeft gedaagde als zijn mening gegeven dat die datum op 52 weken na 16 september 1996 moet worden gesteld. Daartoe is opgemerkt dat voormelde functie van monteur koffiezetters op 16 september 1996 in het FIS is geactualiseerd. Voordien was op de verwoording functiebelasting van deze functie vermeld dat knielen, kruipen en hurken niet was vereist doch per deze datum is de verwoording functiebelasting in die zin gewijzigd dat knielen, kruipen en hurken tot een half uur per werkdag vijf minuten aaneengesloten voorkomt. Hierdoor werd de functie ongeschikt voor appellant.
Bij brief van 21 mei 2003 heeft gedaagde in dit verband nader opgemerkt dat in geval van toegenomen arbeidsongeschiktheid op uitsluitend arbeidskundige gronden, zoals hier aan de orde is, als datum van het einde van de wachttijd wordt aangehouden de datum waarop het gesprek met de arbeidsdeskundige plaatsvond, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat de wachttijd eerder dan wel later eindigt. In het onderhavige geval doet zich naar de mening van gedaagde een concrete aanwijzing als hier bedoeld voor. Onder verwijzing naar zijn brief van 15 april 2003 heeft gedaagde aangevoerd dat de wijziging van de functiebelasting per 16 september 1996 een concrete aanwijzing vormt dat de wachttijd van 52 weken op deze datum is aangevangen. Daarenboven heeft gedaagde erop gewezen dat het gesprek met de arbeidsdeskundige met appellant op 26 november 1996 heeft plaatsgevonden; op deze datum was nog geen periode van 52 weken verstreken na 29 januari 1996, zijnde de ingangsdatum van de aan appellant toegekende uitkeringen krachtens de AAW en de WAO. Ook dit levert naar de mening van gedaagde een concrete aanwijzing op in de hiervoor bedoelde zin.

In overeenstemming met het vorenstaande heeft gedaagde op 1 mei 2003 bestreden besluit IV genomen, waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van appellant ingaande 15 september 1997 zijn herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De Raad overweegt dat het hoger beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 6:24, eerste lid, van die wet geacht wordt mede te zijn gericht tegen de bestreden besluiten II en IV, welke in de plaats zijn gesteld van bestreden besluit I. Dit zelfde geldt niet voor besluit III nu bij dit besluit geheel aan de bezwaren van appellant ter zake van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per juli 1998 is tegemoetgekomen.
Het vorenstaande brengt mee dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling en vernietiging van de aangevallen uitspraak zodat het hoger beroep in zoverre voor niet-ontvankelijkverklaring in aanmerking komt. Aangezien besluit III in de plaats is gekomen van bestreden besluit II heeft appellant ook geen belang meer bij vernietiging van dit laatste besluit zodat het beroep, voorzover dit geacht moet worden tegen dit besluit te zijn gericht, eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Ten aanzien van bestreden besluit IV, waarbij appellants arbeidsongeschiktheidsuitkeringen alsnog met ingang van 15 september 1997 zijn herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, is voor appellant nog wel sprake van belang bij vernietiging, te weten waar het gaat om die ingangsdatum.

Gelet op de in artikel 29a van de AAW en artikel 39a van de WAO vermelde wachttijd van vier weken, dient de Raad in dit verband ook het medisch aspect van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in beschouwing te nemen.

Wat voormeld medisch aspect betreft, is de Raad van oordeel dat de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten opleveren voor de opvatting dat gedaagde zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in het kader van de eerstejaars herbeoordeling niet kon worden gesproken van een verslechtering van de gezondheidstoestand van appellant en derhalve evenmin van toegenomen arbeidsbeperkingen. Appellant heeft van zijn kant ook geen van bevoegde medische zijde afkomstige stukken aangedragen die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Dit brengt mee dat een wachttijd van vier weken in casu niet aan de orde is.

De Raad overweegt vervolgens dat hij in zijn uitspraak van 28 november 2000, gepubliceerd in USZ 2001/25, als zijn oordeel heeft gegeven dat een als vast beleid toepassen van artikel 26, tweede lid, van de AAW en artikel 36, tweede lid, van de WAO op een wijze die ertoe leidt dat de datum van een gesprek met een functionaris van een uitvoeringsinstelling - als datum van het einde van de wachttijd - beslissend is voor de bepaling van de datum waarop een herziening van de uitkering plaatsvindt in een geval waarin de medische belastbaarheid van de betrokkene niet is gewijzigd en de arbeidsongeschiktheid binnen het herbeoordelingsjaar uitsluitend op arbeidskundige gronden is toegenomen, niet onaanvaardbaar is.
Toepassing van dit beleid zou in het onderhavige geval evenwel, zoals gedaagde terecht heeft aangegeven, als consequentie hebben dat de wachttijd aanvangt in een periode waarin de (eerste) wachttijd na de ziekmelding op 30 januari 1995 nog liep. Nu het hier gaat om een toename van arbeidsongeschiktheid op louter arbeidskundige gronden, is dit een consequentie die zich niet verdraagt met inhoud en strekking van de AAW en de WAO. In het onderhavige geval, waarin het - anders dan in voormelde uitspraak van 28 november 2000 - gaat om een wachttijd van 52 weken, kan voor de vaststelling van de datum van aanvang van de wachttijd bijgevolg niet worden aangeknoopt bij de datum waarop het gesprek met de arbeidsdeskundige heeft plaatsgevonden. De Raad acht het alleszins aanvaardbaar om in het onderhavige geval de wachttijd te laten aanvangen op de datum waarop de wijziging van de functiebelasting in het FIS is ingevoerd.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep voorzover dat geacht wordt te zijn gericht tegen bestreden besluit IV ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen bestreden besluit II niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen bestreden besluit IV ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 77,14 (f 170,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2003.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) A.C.W. van Huussen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x