Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AO0286
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-11-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Uitleg van het begrip dienstbetrekking als bedoeld in artikel 29b van de ZW.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/3898 AAW/WAO en 01/3955 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen.

Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Groningen, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 26 juni 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft gedaagde bij brief van 4 juli 2003 zijn standpunt nader toegelicht en nog enige stukken overgelegd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 september 2003, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer, voornoemd, en waar gedaagde zich - met kennisgeving - niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellante is vanaf 1987 parttime werkzaam geweest als verkoopster op de vleesafdeling in een winkel van Albert Heijn te Delfzijl en vanaf juni 1992 gedurende 32 uur per week in een winkel van Albert Heijn te Groningen. Op 21 september 1992 heeft zij haar werkzaamheden gestaakt wegens knieklachten rechts. Na een operatie aan de knie in november 1992 heeft appellante haar werk op arbeidstherapeutische basis gedeeltelijk hervat. Uiteindelijk is gebleken dat het werk in de slagerij te kniebelastend voor appellante was. Bij de vestiging van Albert Heijn in Groningen bleek slechts de functie van caissičre gedurende 32 uur per week passend te zijn voor appellante.

Bij besluit van 31 januari 1995 heeft gedaagde de aan appellante toegekende uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 16 januari 1995 ingetrokken op de grond dat appellante met ingang van die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag, volgens welke bij appellante sprake is van beperkingen in verband met knieklachten beiderzijds en een status na surmenage. Hierop is een arbeidskundige beoordeling gevolgd, volgens welke er met inachtneming van die beperkingen sprake is van geschiktheid tot het verrichten van een aantal functies en tot het verrichten van passend werk bij de eigen werkgever, beide leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

Appellante is vanaf enig tijdstip in 1994 weer gaan werken bij Albert Heijn als caissičre kennelijk gedurende 32 uur per week. In 1995 is zij langdurig arbeidsongeschikt geweest als gevolg van zwangerschapsklachten, doch na de bevalling in oktober 1995 heeft appellante het werk als caissičre vanaf omstreeks januari 1996 voor 20 uur per week hervat. Op 20 mei 1996 heeft appellante haar werk wegens vermoeidheidsklachten als gevolg van de ziekte van Pfeiffer gestaakt. Nadat appellante ingaande 21 juli 1996 hersteld was verklaard heeft zij zich ingaande 19 augustus 1996 weer ziek gemeld.

Bij besluit van 8 september 1997 heeft gedaagde geweigerd met ingang van 18 augustus 1997 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toe te kennen aan appellante, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. Uit de aan dit besluit ten grondslag liggende stukken blijkt dat bij appellante nog steeds sprake is van beperkingen in verband met knieklachten beiderzijds en dat zij niet geschikt wordt geacht haar werk als caissičre bij Albert Heijn te verrichten, omdat de ruimte achter de kassa onvoldoende is om het been volledig te strekken. Appellante wordt wel geschikt geacht een aantal andere functies te vervullen, leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

Bij beslissing op bezwaar van 29 december 1998 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen het besluit van 8 september 1997 ongegrond verklaard. Daarbij is - onder meer - het beroep van appellante op artikel 43a van de WAO verworpen, omdat sprake zou zijn van een situatie waarin artikel 29b van de Ziektewet toepassing kan vinden, zodat op grond van het vierde lid van artikel 43a van de WAO laatstgenoemd artikel geen toepassing kan vinden. Gedaagde is er in het bestreden besluit vanuit gegaan dat appellante aan de overige voorwaarden voor toepassing van artikel 43a van de WAO voldoet.

De rechtbank heeft het beroep van appellante, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard, overwegende dat zij er niet van overtuigd is geraakt dat de beperkingen voor appellante onjuist zijn vastgesteld en dat gedaagde terecht is uitgegaan van een maatvrouw van 20 uur per week. Voorts heeft de rechtbank het standpunt van gedaagde met betrekking tot de toepassing van artikel 43a van de WAO onderschreven.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat gedaagde ten onrechte als maatvrouw van appellante heeft aangemerkt de 20 uur per week werkende caissičre. Appellante meent dat uitgegaan dient te worden van de 32 uur per week werkende caissičre. Voorts is aangevoerd dat appellante ongeschikt is te achten het merendeel van de haar voorgehouden functies te vervullen. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft gedaagde bij brief van 4 juli 2003 onder meer medegedeeld dat artikel 43a van de WAO geen toepassing kan vinden omdat appellante op 19 augustus 1996 in eerste instantie is uitgevallen met andere klachten dan knieklachten.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad ziet aanleiding eerst in te gaan op de vraag of gedaagde terecht heeft besloten dat artikel 43a van de WAO en - naar de Raad aanneemt ook het gelijksoortige - artikel 32a van de AAW in dit geval niet van toepassing zijn. Deze vraag hangt namelijk nauw samen met de ook namens appellante aangevoerde grief dat gedaagde bij de beoordeling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid ten onrechte als haar maatvrouw heeft aangemerkt de 20 uur per week werkende caissičre, zijnde het werk dat appellante laatstelijk voor haar ziekmelding per 19 augustus 1996 verrichtte. Partijen zijn het er namelijk over eens dat indien voornoemde artikelen van toepassing zijn daaruit voortvloeit dat als maatvrouw van appellante aangemerkt moet worden het oorspronkelijk door haar verrichte werk als verkoopster op de vleesafdeling gedurende 32 uur per week. Verder zou toepassing van deze bepalingen ertoe leiden dat de beoordeling van de aanspraak op uitkering ingevolge de AAW en de WAO dient te geschieden met betrekking tot een veel eerder gelegen tijdstip, te weten vier weken na 19 augustus 1996.

De Raad stelt ten aanzien van dit geschilpunt voorop dat, nu de eerder aan appellante toegekende uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO per 16 januari 1995 zijn ingetrokken, uit de uitspraak van de Raad van 5 februari 2002 (RSV 02/103) voortvloeit dat appellante in beginsel aanspraak kan ontlenen aan deze artikelen. Gedaagde heeft in het bestreden besluit overwogen dat artikel 43a van de WAO (waarmee tevens is bedoeld te overwegen artikel 32a van de AAW) geen toepassing kan vinden, indien - wat hier het geval is - artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is. Ingevolge laatstgenoemde bepaling, zoals die luidde in augustus 1996, heeft de werknemer die in de drie jaren voorafgaand aan zijn dienstbetrekking recht had op een uitkering ingevolge de AAW of de WAO, recht op ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die zijn gelegen in de drie jaren na aanvang van de dienstbetrekking. De Raad is van oordeel dat onder de term "dienstbetrekking" in deze bepaling verstaan dient te worden een nieuw dienstverband bij een nieuwe werkgever, aangevangen nadat betrokkene arbeidsongeschikt is geworden, en dat daarvan niet kan worden gesproken als - zoals in dit geval - een nieuwe functie wordt vervuld bij dezelfde werkgever. Voor dit standpunt vindt de Raad ook steun in het door gedaagde gehanteerde beleid bij de toepassing van artikel 29b van de Ziektewet, zoals verwoord in de Lisv-Mededeling M 99.027 van 9 april 1999.

Gedaagde heeft een en ander kennelijk - naar aanleiding van een door de Raad gestelde vraag, waarop overigens geen antwoord is gegeven - onderkend en heeft bij brief van 4 juli 2003 nader aangevoerd dat de artikelen 43a van de WAO en 32a van de AAW in dit geval geen toepassing kunnen vinden, omdat de ziekmelding op 19 augustus 1996 geen betrekking had op dezelfde ziekteoorzaak, te weten knieklachten, als die terzake waarvan tot 16 januari 1995 uitkering ingevolge die wetten werd ontvangen. Daargelaten nog de vraag hoe dit gewijzigde standpunt zich verhoudt tot de goede procesorde, is de Raad van oordeel dat op grond van de thans bekende gegevens niet als vaststaand aangenomen kan worden dat de ziekmelding per 19 augustus 1996 geen verband hield met de knieklachten van appellante. Daarbij acht de Raad allereerst van belang dat gedaagdes verzekeringsarts in september 1998 desgevraagd heeft medegedeeld dat sprake is van toeneming van de klachten van appellante door dezelfde ziekteoorzaak, welk standpunt (impliciet) ook in het bestreden besluit is verwoord. Voorts wordt in een door gedaagde in hoger beroep overgelegd reďntegratieplan van 22 augustus 1996 weliswaar als diagnose vermeld "M. Pfeiffer" en als aard van de beperkingen "algehele malaise", doch in dit plan is niet vermeld op welk ziektegeval het betrekking heeft. Gelet op een bijgevoegde telefoonnotitie lijkt dit reďntegratieplan betrekking te hebben op de ziekmelding van appellante per 20 mei 1996. Verder wijst de Raad erop dat ook een reďntegratieplan is overgelegd dat betrekking heeft op het ziektegeval per 19 augustus 1996, waarin alleen klachten worden genoemd welke verband houden met de knieklachten van appellante.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. Gedaagde dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Namens appellante is verzocht om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten aanzien van de wettelijke rente. Nu gedaagde blijkens het hiervoor overwogene nog nader dient te beslissen omtrent de aanspraak van appellante op uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO kunnen het bestaan en de omvang van de, (eventuele) schade nog niet worden vastgesteld. De Raad wijst daarom het verzoek om schadevergoeding af.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 483,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,- in hoger beroep, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.127,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht in hoger beroep van € 77,14 dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 november 2003.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x