Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AO6230
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-02-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ontbrekend belang bij het hoger beroep. Redelijke termijn geldend voor de behandeling door het uitvoeringsorgaan.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/6432 AAW en 03/644 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 16 juni 1999 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde hetgeen over de perioden van 1 januari 1992 tot 4 april 1992 en van 4 mei 1992 tot 8 augustus 1994 onverschuldigd aan appellant is betaald op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), ten bedrage van f 40.856,39 bruto aan uitkering en f 2.961,65 bruto aan vakantiegeld, derhalve ten bedrage van f 43.818,04 bruto in totaal, van appellant teruggevorderd. Het nettobedrag van de terugvordering inclusief loonheffing heeft gedaagde vastgesteld op f 35.171,45. Tevens heeft gedaagde aangegeven dat hetgeen onverschuldigd op grond van de AAW aan appellant werd betaald over de tijdvakken van 8 augustus 1994 tot 1 oktober 1994 en van 1 oktober 1996 tot 1 november 1996 niet zal worden teruggevorderd, omdat hij daarvoor geen terugvorderingsgronden heeft.

Bij besluit van 21 juli 1999 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde beslist om de vordering van f 35.171,45 te verrekenen door middel van inhouding van een maandelijks bedrag van f 447,50 op appellants AAW-uitkering.

Bij besluit van 26 januari 2001 heeft gedaagde de namens appellant door mr. S. van Andel, advocaat te Amsterdam, gemaakte bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 6 november 2001, reg.nr. AWB 01/272 AAW, het namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 26 januari 2001 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Tevens heeft de rechtbank aanvullend beslist inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Namens appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft gedaagde bij schrijven van 4 februari 2003 nadere stukken ingezonden, waaronder een afschrift van een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nieuw besluit op bezwaar, gedateerd 2 december 2002.

Bij dit besluit van 2 december 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen besluiten 1 en 2 alsnog gegrond verklaard en besloten tot matiging van het terugvorderingsbedrag met 60%, op grond van de overweging dat de afgifteduur van besluit 1 in totaal 4 jaren en 10 maanden heeft bedragen en binnen die periode hoegenaamd geen tijdvakken zijn aan te wijzen die voor rekening van appellant komen. Het netto terugvorderingsbedrag van f 35.171,45 ( 15.960,11) is met genoemd percentage gematigd tot een bedrag van 6.384,04. Voorts heeft gedaagde aangegeven dat over de invordering van dit bedrag nog een nader onderzoek zal dienen plaats te vinden naar appellants inkomen en vaste lasten en dat eerst daarna een (nieuwe) invorderingsbeslissing zal kunnen worden genomen.

Bij brief van 24 september 2003 heeft gedaagde een vraag van de Raad beantwoord.

Namens appellant zijn bij faxbericht van 13 november 2003 nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 november 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Andel, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. F.A.M. Delfgaauw, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming in dit geding gaat de Raad, voor zover van belang, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Nadat in 1994 aan gedaagde was gebleken dat appellant vanaf 1 januari 1992 naast zijn naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende uitkering ingevolge de AAW niet opgegeven inkomsten uit arbeid genoot, heeft gedaagde met terugwerkende kracht - onder meer - bij een besluit op bezwaar van 30 december 1998 kortingen toegepast op appellants uitkering, over de perioden van 1 januari 1992 tot 1 augustus 1993 met toepassing van artikel 34 van de AAW zoals dat artikel toen luidde en over de periode van 1 augustus 1993 tot 1 maart 1997 met toepassing van artikel 33 van de AAW. Tegen dat besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Vervolgens heeft gedaagde de in rubriek I weergegeven besluiten 1 en 2 genomen, respectievelijk strekkende tot terugvordering over de aangegeven perioden van hetgeen onverschuldigd aan appellant werd betaald en invordering daarvan.

De rechtbank heeft vastgesteld dat door of namens appellant geen bezwaar is gemaakt tegen de berekening van het terugvorderingsbedrag als zodanig. Het gaat appellant (uitsluitend) erom dat gedaagde zijn terugvordering niet heeft gematigd in verband met het feit dat er tussen het moment waarop gedaagde wist dat appellant een te hoge uitkering ontving - in 1994 - en het moment waarop uiteindelijk het primaire terugvorderingsbesluit werd gegeven - 16 juni 1999 - een zodanig lange periode is verstreken dat matiging van de terugvordering op zijn plaats is.

De rechtbank heeft dit bezwaar gehonoreerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze lange behandelingsduur in strijd is met het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat, mede in het licht van de ter zake gevormde jurisprudentie, op grond hiervan een noodzaak tot matiging van de terugvordering dient te worden aangenomen.

De rechtbank heeft in dit verband voorts overwogen dat, voor zover al gedaagdes beslissing om niet over te gaan tot terugvordering over de tijdvakken van 8 augustus 1994 tot 1 oktober 1994 en de maand oktober 1996 zou moeten worden gezien als een vorm van matiging - hetgeen onduidelijk is gebleven - door gedaagde in elk geval onvoldoende consequenties zijn verbonden aan de grote mate van schending van artikel 6 EVRM, in verband waarmee het bestreden besluit, voor zover betreffende (de hoogte van) de terugvordering, dient te worden vernietigd.

De rechtbank heeft geen grondslag gezien om, als van de zijde van appellant verzocht, zelf in de zaak te voorzien, nu het hier om een discretionaire bevoegdheid van gedaagde gaat. Wel heeft de rechtbank ten overvloede op voorhand aangegeven dat de door gedaagde alsnog toe te passen matiging niet zover hoeft te gaan dat terugvordering volledig achterwege wordt gelaten, zoals van de zijde van appellant was bepleit.

Voorts heeft het feit dat gedaagde, naar door deze ter zitting was toegegeven, niet alle relevante stukken heeft ingezonden de rechtbank geen aanleiding gegeven voor toepassing van artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat ook zonder de toegevoegde waarde van de desbetreffende - door appellants gemachtigde alsnog ingezonden - stukken duidelijk was dat gedaagde in ernstige mate nalatig is geweest, en aldus geen sprake is van de situatie dat het oordeel van de rechtbank zonder de kennis van meergenoemde stukken anders zou zijn uitgevallen dan thans het geval is.

Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat het invorderinsgbesluit evenmin in rechte stand kan houden, in de eerste plaats in verband met het gegeven oordeel over het terugvorderingsbesluit en in de tweede plaats om reden dat gedaagde naar het oordeel van de rechtbank bij zijn beslissing om gebruik te maken van de volledige aflossingscapaciteit van appellant kennelijk - en zulks ten onrechte - in het geheel niet heeft stilgestaan bij de vraag of dit een bijzondere hardheid opleverde als bedoeld in het in de aangevallen uitspraak vermelde Besluit van het Tica, zoals nadien gewijzigd bij Besluit van het Lisv.

Gedaagde heeft in de uitspraak van de rechtbank berust en, zoals vermeld in rubriek I, ter uitvoering daarvan een nadere beslissing op bezwaar van 2 december 2002 genomen, strekkende tot het alsnog matigen van de terugvordering met 60%. De Raad betrekt dit nadere besluit - waarmee, gegeven hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd, niet volledig aan diens bezwaren is tegemoet gekomen - met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24, eerste lid, van de Awb in zijn oordeelsvorming.

Gelet op hetgeen namens appellant bij beroepschrift is aangevoerd en mede in aanmerking genomen het verhandelde ter zitting, stelt de Raad vast dat appellant thans in hoger beroep nog bezwaar blijft houden tegen - en door de Raad beoordeeld wil zien - hetgeen de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld met betrekking tot het verzuim van gedaagde om alle gedingstukken in te zenden en de toepassing in verband daarmee van artikel 8:31 van de Awb. Appellant houdt staande dat gedaagde een fundamenteel beginsel van behoorlijke procesorde heeft geschonden, waaraan consequenties zouden dienen te worden verbonden.

Daarnaast houdt appellant staande dat de rechtbank ten onrechte - in een overweging ten overvloede - heeft aangegeven dat er geen grond bestaat voor een matiging van de terugvordering tot nihil. De rechtbank had volgens appellant juist dienen aan te geven dat gedaagde, gelet op de zeer lange behandelingsduur, volledig zou dienen af te zien van terugvordering.

Ten slotte is desgevraagd namens appellant expliciet aangegeven dat de kwestie van invordering in hoger beroep niet meer aan de orde is.

De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank niet-ontvankelijk is. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat het beroep tegen gedaagdes besluit van 26 januari 2001 door de rechtbank reeds gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd. Hetgeen appellant doet aanvoeren met betrekking tot het door de rechtbank ten onrechte niet toepassen van artikel 8:31 van de Awb in verband met de gestelde schending door gedaagde van een fundamenteel beginsel van behoorlijke procesorde zou ten hoogste kunnen leiden tot vernietiging van genoemd besluit, zoals namens appellant ook is gevorderd. Nu evenwel de rechtbank die vernietiging reeds heeft uitgesproken, heeft appellant bij een beoordeling van die grief - wat daar overigens van zij - geen in rechte te honoreren belang meer.

Evenmin is een zodanig belang aanwijsbaar ten aanzien van de grief van appellant dat de rechtbank ten onrechte in een overweging ten overvloede als haar opvatting heeft kenbaar gemaakt dat matiging van de terugvordering tot nihil niet noodzakelijk is, zomede ten aanzien van het standpunt van appellant dat de rechtbank juist als haar - al dan niet ten overvloede te geven - oordeel had dienen uit te spreken dat gedaagde volledig van terugvordering zou dienen af te zien. De kwestie van de - juist te achten - matiging van de terugvordering komt immers in volle omvang aan de orde bij de hierna te geven beoordeling door de Raad van gedaagdes nadere besluit van 2 december 2002.

Met betrekking tot de houdbaarheid in rechte van evenvermeld besluit van 2 december 2002 overweegt de Raad als volgt.

Gedaagdes gemachtigde heeft ter zitting aangegeven dat bij de wijze waarop de matiging van 60% in dat besluit is berekend een vergissing is gemaakt. Een juiste berekeningswijze van die matiging leidt tot een terug te vorderen bedrag van 2.938,64. Namens appellant is desgevraagd expliciet ermee ingestemd het besluit van 2 december 2002 in deze zin gewijzigd te lezen. Ook de Raad zal, nu partijen het daarover eens zijn, het besluit aldus gewijzigd lezen.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat hetgeen door appellant ter zitting naar voren is gebracht - maar niet op enige wijze is geadstrueerd - met betrekking tot (de onjuistheid van) het bedrag van 5.014,86 dat gedaagde heeft aangehouden als het bedrag van de destijds ten onrechte niet aan appellant verstrekte AAW-uitkering, in dit geding niet ter beoordeling staat.

De Raad is voorts van oordeel dat met de toegepaste en op vorenomschreven wijze gecorrigeerde matiging door gedaagde van het oorspronkelijke terugvorderingsbedrag met 60%, in voldoende mate is rekening gehouden met de lange afhandelingsduur van gedaagde, ook indien daarbij nog, als namens appellant bepleit, rekening zou worden gehouden met het tijdvak dat gedaagde, te rekenen vanaf het primaire besluit van 16 juni 1999, nog nodig heeft gehad om tot afronding van zijn besluitvorming te komen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank - en dit wordt thans ook door gedaagde erkend - dat het behandelingstraject vanaf het moment waarop gedaagde medio 1994 kon onderkennen dat er aanleiding was voor korting en terugvordering tot aan het nemen van primaire terugvorderingsbesluit in juni 1999 zeer lang is te noemen en dat in die periode hoegenaamd geen tijdvakken zijn aan te wijzen die voor rekening van appellant zouden dienen te worden gelaten. De Raad stelt evenwel tegelijkertijd vast dat de alsnog door gedaagde toegepaste matiging met 60% een zeer substantieel karakter heeft en mitsdien geacht kan worden voor het als gevolg van de lange behandelingsduur aan de zijde van appellant ontstane nadeel een genoegzame compensatie te bieden.

De Raad merkt in dit kader overigens nog op dat de rechtbank het vorenomschreven behandelingstraject vanaf medio 1994 tot aan 16 juni 1999 ten onrechte in de sleutel van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM heeft geplaatst. Naar de Raad immers in zijn rechtspraak tot uitdrukking heeft gebracht is voor de aanvang van die termijn tenminste vereist een standpunt van het bestuursorgaan dat voldoende omlijnd is om te kunnen dienen als object voor aanvechting in rechte door de betrokkene, hetgeen zich hier niet voordoet. Met de lange afhandelingsduur heeft gedaagde evenwel gehandeld in strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel. Ten aanzien van de gehoudenheid van gedaagde tot matiging en het hiervoor weergegeven oordeel van de Raad met betrekking tot de alsnog door gedaagde toegepaste matiging, leidt zulks evenwel niet tot enige andere uitkomst.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep van appellant, voor zover dat moet worden geacht mede te zijn gericht tegen het - in de hiervoor aangegeven zin gewijzigd gelezen - besluit van 2 december 2002, ongegrond is.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 2 december 2002 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2004.

(get.) K.J.S.Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x