Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AO7259
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-01-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Rechtstreeks beroep tegen een besluit. Had eerst de bezwaarschriftprocedure moeten worden gevolgd?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/5937 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Mr. T.A.M. Visser, de toenmalige gemachtigde van appellant, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 oktober 2001, Reg.nr. AWB 00/3289 AAW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 24 december 2001 heeft de toenmalige gemachtigde meegedeeld dat mr. W.J. Nijland, advocaat te 's-Gravenhage, vanaf 28 december 2001 als gemachtigde van appellant zal optreden.

Mr. W.J. Nijland, voornoemd, heeft bij brief van 22 januari 2002 de gronden van het hoger beroep ingediend.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 2 december 2003, waar partijen - gedaagde met kennisgeving - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

In de aangevallen uitspraak zijn de voor de beoordeling van dit geschil van belang zijnde feiten en omstandigheden als volgt weergegeven:

"Eiser, die op 21 december 1982 vanuit Suriname naar Nederland is gekomen had vanaf 26 januari 1985 een dienstverband in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW), maar was sinds 13 januari 1993 niet meer werkzaam bij de S.K.-bedrijven. Op 19 juni 1993 heeft hij bij het Gak een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), in verband met op 13 januari 1993 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Op die datum is eiser wegens werkweigering en onbeheerst gedrag naar huis gestuurd voor twee dagen.

Bij besluit van 6 maart 1996 heeft de toenmalige Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (bv 26), onder verwijzing naar (onder meer) artikel 21 van de AAW, besloten om de reeds op 21 december 1982 bestaande (volledige) arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing te laten, en eiser geen uitkering ingevolge die wet te verlenen. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel ingesteld.

Bij besluit van 7 maart 1996 heeft de toenmalige Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten (bv 24) geweigerd uitkeringen ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de AAW toe te kennen, onder de overweging dat eisers arbeidsongeschiktheid ten tijde van het onderzoek op 19 oktober 1993 niet in voor de toepassing van deze wetten relevante mate is afgenomen ten opzichte van de datum van aanvang van de verzekering, te weten 26 januari 1985, terwijl er sinds 26 januari 1985 geen periode van 52 weken van (toegenomen) arbeidsongeschiktheid is aan te wijzen.

Het tegen dit besluit ingesteld beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 21 maart 1997, registratienummer 96/3129 AAW/WAO, gegrond verklaard voor zover gericht tegen de beslissing in het kader van de AAW.

Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Het hoger beroep ten aanzien van de beslissing in het kader van de AAW heeft eiser ter zitting ingetrokken.
Bij uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 mei 1999 (97/3760 WSW) is de uitspraak van de rechtbank (inzake eisers WAO-aanspraak) bevestigd.

Tegen de weigering van verweerder om opnieuw een beslissing te nemen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 21 maart 1997, heeft eiser bij schrijven van 20 september 1999 bij verweerder bezwaar gemaakt."

Gedaagde heeft naar aanleiding van dit bezwaar in zijn besluit van 10 februari 2000 onder het kopje "Beslissing" het volgende opgenomen:
(...)
"Met de op 22 juni 1999 verzonden uitspraak van de Centrale Raad van Beroep was de schorsende werking van het hoger beroep vervallen en had aan u spontaan een nieuwe beslissing op bezwaar moeten worden uitgereikt. Dat is ten onrechte niet gebeurd. De onderbouwing van de vernietigde beslissing was weliswaar niet een toonbeeld van helderheid, de weigering van de uitkering was echter wel terecht. De juist weigeringsgronden zijn dat primair artikel 21 lid 1 sub a en subsidiair artikel 21 lid 1 sub b."

Ter zitting van de rechtbank op 5 september 2001 in verband met het beroep van appellant tegen het besluit van 10 februari 2000 (hierna: het bestreden besluit) is namens het Uwv desgevraagd verklaard dat het bestreden besluit zo moet worden gelezen dat het bezwaar gegrond moet worden verklaard en dat de fout wordt toegegeven.
De Raad begrijpt deze verklaring aldus dat het bestreden besluit is genomen naar aanleiding van het op 20 september 1999 namens appellant gemaakte bezwaar tegen het uitblijven van uitvoering van de bij de uitspraak van de rechtbank van 21 maart 1997 gegeven opdracht tot het nemen van een nieuw besluit na de bij die uitspraak gegeven gedeeltelijke vernietiging van het besluit van 7 maart 1996, welke uitspraak in hoger beroep op 20 mei 1999 is bevestigd, voorzover aangevochten. Gelet op deze verklaring houdt het bestreden besluit derhalve in een beslissing op het bezwaar tegen het uitblijven van de op grond van evenbedoelde opdracht te nemen besluit en een inhoudelijk besluit op de aan het besluit van 7 maart 1996 ten grondslag liggende aanvraag.

De Raad overweegt dat hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat in afdeling 7.1 een regeling geeft met betrekking tot het verplicht maken van bezwaar tegen een besluit door degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen op de administratieve rechter, uit hoofde van de artikelen LVI, eerste lid, in verbinding met artikel LVII, tweede lid, van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (wet van 24 april 1997, Stb. 1997,178) eerst met ingang van 1 mei 1997 voor ondere andere besluiten ingevolge de AAW als hier aan de orde van toepassing is geworden. De Raad stelt voorts vast dat de bij de uitspraak van de rechtbank van 21 maart 1997 gegeven opdracht verband hield met de gedeeltelijke vernietiging van een besluit van de rechtsvoorganger van gedaagde van voor 1 mei 1997, waarvoor de verplichte bezwaarprocedure als evenbedoeld op grond van artikel IV, eerste en tweede lid, van de bij de inwerkingtreding van de Awb op 1 januari 1994 gegeven overgangs- en slotbepalingen bij de Wet van 16 december 1993 (Stb. 1993, 650) nog niet gold. De Raad overweegt verder dat artikel 6:20, eerste lid, van de Awb voorschrijft dat, indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, het bestuursorgaan verplicht blijft een besluit op de aanvraag te nemen, dat volgens het tweede lid deze verplichting niet geldt gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is of indien de indiener van de aanvraag na de beslissing op het bezwaar of beroep als gevolg daarvan geen belang meer heeft bij een besluit op de aanvraag en dat ingevolge het vierde lid van deze bepaling het bezwaar of beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt. Ten slotte geldt de in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb vastgelegde verplichting van het maken van bezwaar onder andere blijkens de in het onderdeel a van dit artikellid opgenomen uitzondering niet voor het besluit dat op bezwaar of in administratief beroep is genomen.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in onder andere zijn uitspraak van 7 maart 1996 (AB 1996, 255), welke betrekking heeft op een beroep tegen een op 6 januari 1994, derhalve na de inwerkingtreding op 1 januari 1994 van de Awb, genomen besluit ter uitvoering van een uitspraak in eerste aanleg van 14 april 1993, waarbij een besluit van 18 juli 1990 was vernietigd, dient een in opdracht van de rechter te nemen besluit dat niet is een op bezwaar of administratief beroep te nemen besluit als een primair besluit te worden aangemerkt. In lijn met deze uitspraak dient derhalve een opdracht tot het nemen van een nieuw besluit, welke opdracht is vervat in een uitspraak in eerste aanleg, gegeven voor de inwerkingtreding op 1 mei 1997 van hoofdstuk 7 van de Awb op het beroep ter zake van besluiten als in dit geding aan de orde, te worden beschouwd als een opdracht tot het nemen van een besluit, dat, ook indien dit wordt genomen na die datum, heeft te gelden als een primair besluit, waartegen eerst bezwaar moet worden gemaakt, voordat daartegen beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld. De Raad is - onder verwijzing naar hetgeen de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 3 oktober 2001 (JB 2001,294) in een vergelijkbaar geval uitsprak - van oordeel dat zulks niet anders moet worden beoordeeld in een situatie als in dit geding aan de orde waarin het na 1 mei 1997 genomen besluit ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 21 maart 1997 is vervat in het bestreden, op het bezwaar van appellant tegen het niet tijdig nemen van dat uitvoeringsbesluit, genomen besluit.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat tegen het bestreden besluit, voorzover daarbij een inhoudelijke beslissing is gegeven op de aanvraag van appellant van 19 juni 1993, geen rechtstreeks beroep openstond bij de rechter. Appellant had tegen het bestreden besluit in zoverre eerst bezwaar bij gedaagde moeten maken. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het door appellant bij de rechter ingestelde beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De Raad zal met overeenkomstige toepassing van artikel 6:15 van de Awb het beroepschrift naar gedaagde zenden ter behandeling in zoverre als bezwaarschrift. Het komt de Raad daarbij aangewezen voor dat gedaagde bij die behandeling beziet of het dossier volledig is en in het bijzonder in ogenschouw neemt welke redenen ten grondslag hebben gelegen aan de weigering van de rechtsvoorganger van gedaagde bij besluit van 6 maart 1996 om de reeds op 21 december 1982 bij appellant bestaande (volledige) arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten en hem geen uitkering ingevolge de AAW te verlenen.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,= voor verleende rechtsbijstand in beroep en 322,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal 966,=.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep van appellant in eerste aanleg niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep ten bedrage van in totaal 966,=; te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.D. Streefkerk.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x