Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AP1046
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-02-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht besloten betrokkene niet in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de AAW aangezien er op 1 november 1992 geen periode van arbeidsongeschiktheid is aangevangen welke ten minste 52 weken onafgebroken heeft geduurd?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/5684 AAW (Rectificatie)




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 28 juni 1999 heeft appellant ongegrond verklaard het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 29 mei 1998 waarbij appellant geweigerd heeft gedaagde een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te kennen omdat naar zijn mening op en na 1 november 1992 geen periode van 52 weken is aan te wijzen gedurende welke zij onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van de AAW.

Bij uitspraak van 21 september 2001 heeft de rechtbank Amsterdam, nr. AWB 99/7114 AAW, het beroep van gedaagde tegen het besluit van 28 juni 1999 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen, met bijkomende bepalingen ten aanzien van vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift van 29 november 2001 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend, gedateerd 15 januari 2002.

Bij brief van 18 januari 2002 heeft appellant een rapport d.d. 13 november 2001 van de bezwaarverzekeringsarts P.L.M. Momberg ingezonden.

Bij brief van 29 januari 2002 heeft gedaagde op dit rapport gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 januari 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.J. van Werven, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.P. Dijksman, advocaat te Amsterdam, en haar echtgenoot A. Atouli.




II. MOTIVERING


Gedaagde was indertijd werkzaam als schoonmaakster. In de maand november 1991 heeft zij zich ziek gemeld wegens ernstige pijnklachten, waarna haar ziekengeld op grond van de Ziektewet is toegekend.
Bij besluit van 17 november 1992 is haar met ingang van 10 september 1992 verder ziekengeld ontzegd omdat zij per deze datum in staat werd geacht haar arbeid als schoonmaakster te verrichten.
Bij uitspraak van 4 oktober 1994 heeft de rechtbank het beroep van gedaagde tegen dit besluit ongegrond verklaard. Deze uitspraak berust met name op door de neuroloog dr. P. Fleury en de psychiater R.G. van 't Hof als vaste deskundigen van de rechtbank uitgebrachte adviezen.

Bij op 10 november 1997 ingevuld en ondertekend formulier heeft gedaagde appellant verzocht haar een uitkering krachtens de AAW toe te kennen wegens algehele arbeidsongeschiktheid sedert 1 november 1992.

Naar aanleiding hiervan is gedaagde op 1 december 1997 onderzocht door de verzekeringsarts H.B.G. Borninkhof. Deze arts is tot de bevinding gekomen dat gedaagde lijdt aan gewrichts- en longklachten alsook aan een neurotische depressie. Naar zijn mening is bij gedaagde geen sprake meer van benutbare arbeidsmogelijkheden. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft hij arbitrair bepaald op 1 januari 1996.
Gelet op de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts heeft de wetstechnisch beoordelaar M.A. Oudenaller appellant geadviseerd gedaagde niet in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de AAW aangezien er op 1 november 1992 geen periode van arbeidsongeschiktheid is aangevangen welke ten minste 52 weken onafgebroken heeft geduurd. Dit advies heeft geleid tot het - bij het door de rechtbank vernietigde besluit van 28 juni 1999 gehandhaafde - besluit van 29 mei 1998.

De rechtbank heeft de psychiater J. Rübsaam als deskundige benoemd om haar in deze aangelegenheid van advies te dienen. Deze psychiater heeft na gedaagde te hebben onderzocht geconcludeerd dat bij haar sprake is van een matige chronische depressieve stoornis ten gevolge waarvan zij (ook) in de periode van 1 november 1992 tot 1 januari 1996 niet in staat was te achten tot het verrichten van reguliere arbeid. Naar hij voorts aangaf, was voor hem aannemelijk geworden dat er na 1 november 1992 geen belangrijke wijzigingen zijn opgetreden in de bij gedaagde bestaande arbeidsbeperkingen.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de conclusies van de deskundige voor onjuist te houden en zich mitsdien op het standpunt gesteld dat het besluit van 28 juni 1999 berust op een onjuiste feitelijke grondslag.

Appellant kan zich met het rapport van de psychiater Rübsaam en de aangevallen uitspraak niet verenigen. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat de psychiater Van 't Hof in zijn hiervoor bedoelde, als vaste deskundige van de rechtbank in Ziektewetzaken opgestelde rapport van 13 juli 1993 heeft geoordeeld dat gedaagde niet depressief is maar wel dysfoor en dat zij op en na 10 september 1992 geschikt was om haar arbeid als schoonmaakster te verrichten. Het onderzoek van deze deskundige vond plaats op een tijdstip dat veel dichter ligt bij de datum in geding dan dat van het onderzoek door de psychiater Rübsaam. Voorts vond ook de behandelaar van gedaagde destijds dat geen sprake was van een depressie.

De Raad overweegt dat zijn vaste jurisprudentie inhoudt dat het oordeel van de door de rechter ingeschakelde onafhankelijke medisch deskundige in beginsel dient te worden gevolgd. Naar het oordeel van de Raad doen zich in dit geval geen feiten of omstandigheden voor die voldoende grond opleveren om van deze lijn af te wijken. Daarbij merkt de Raad op dat het rapport van de psychiater Van 't Hof uit 1993 een summier karakter heeft en dat de daarin neergelegde conclusie, naar ook in dit rapport is vermeld, afwijkt van de inzichten van de huisarts van gedaagde en de behandelend sociaal psychiatrisch verpleegkundige M. Stuyt van de Riagg Amsterdam (centrum oud west), die gedaagde arbeidsongeschikt achtten. De psychiater Rübsaam heeft ook aandacht aan het rapport van Van 't Hof besteed en daarbij onder meer de kanttekening geplaatst dat diens onderzoek naar huidige standaarden gemeten ten onrechte met haar echtgenoot als vertaler en zonder de hulp van een professionele tolk is uitgevoerd. Verder wijst de Raad erop dat voornoemde verpleegkundige in een door de psychiater J.H. Bruch medeondertekende verklaring van 6 oktober 1993 heeft geconcludeerd dat bij gedaagde een reactieve depressie bestaat. Waar appellant kennelijk heeft willen wijzen op de brief van 30 januari 1995 vanwege de Riagg Amsterdam (centrum oud west), merkt de Raad nog op dat deze brief niet in overeenstemming is met de verklaring van 6 oktober 1993 in zoverre daarin is gesteld dat de bevinding van de psychiater Bruch destijds was dat gedaagde niet aan een depressie leed en aan die verklaring niet (zonder meer) kan afdoen.
Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en € 13,- aan reiskosten, in totaal derhalve € 657,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 657,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 409,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huusssen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. van Huussen.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x