Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AP2595
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing verzoek om herziening van de WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/815 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen.

Bij besluit van 6 november 1995 is aan gedaagde per 6 november 1995 onder meer een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Dit percentage is gehandhaafd zowel bij besluit van 17 februari 1998, waartegen gedaagde een bezwaarschrift heeft ingediend en waarvan gedaagde tevens herziening heeft gevraagd wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid, als bij besluit van 11 augustus 1998, waartegen gedaagde eveneens een bezwaarschrift heeft ingediend.
Bij besluit van 14 december 1998 heeft appellant de bezwaren van gedaagde ongegrond bevonden en geweigerd zijn besluiten van 17 februari 1998 en 11 augustus 1998 te herroepen.

Hangende de behandeling van het beroep van gedaagde tegen het besluit van 14 december 1998 heeft appellant dat besluit bij besluit van 3 juli 2001 gewijzigd in die zin dat de WAO-uitkering aan gedaagde wordt herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van:
a. 35-45% per 17 februari 1997 en
b. 25-35% per 28 september 1998 (in aansluiting op de uitlooptermijn).

Bij uitspraak van 28 december 2001, kenmerk 99/144 AAWAO, heeft de rechtbank Alkmaar:
1. het beroep van gedaagde tegen het besluit van 14 december 1998 ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het besluit van 3 juli 2001, aangezien met dat nieuwe besluit niet geheel tegemoet werd gekomen aan het beroep tegen het besluit van 14 december 1998,
2. het beroep van gedaagde tegen het besluit van 14 december 1998 niet-ontvankelijk verklaard (wegens geen belang meer),
3. het beroep van gedaagde tegen het besluit van 3 juli 2001 zowel wat evenvermeld onderdeel a (ten aanzien van de 1e jaars herbeoordeling) als wat evenvermeld onderdeel b betreft gegrond verklaard,
4. het beroep van gedaagde voor het overige ongegrond verklaard en
5. het verzoek van gedaagde om schadevergoeding afgewezen,
zulks met bepalingen over vergoeding van griffierecht en proceskosten.
In het kader van die gegrondverklaring heeft de rechtbank wat betreft onderdeel:
a. de datum van ingang van de herziening van de WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45% gesteld op 4 december 1996;
b. dat besluit vernietigd zowel wat de arbeidsongeschiktheidsklasse als wat de ingangsdatum betreft en appellant te dien aanzien opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak.
Bij onderdeel b tekent de Raad aan dat in de aangevallen uitspraak abusievelijk 1 juli 1998 in plaats van 28 september 1998 is genoemd.

Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift van 26 februari 2002 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld, uitsluitend wat de vernietiging van het bestreden besluit van 3 juli 2001 betreft.

Bij brief van 21 maart 2002 heeft gedaagde wat haar verweer betreft verwezen naar hetgeen zij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd en hetgeen bij de aangevallen uitspraak is overwogen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 maart 2004. Voor appellant is verschenen mr. E.G. van Roest, werkzaam bij het Uwv. Gedaagde is in persoon verschenen.




II. MOTIVERING


Gedaagde was werkzaam als secretaresse voor 34 uur per week toen zij op 7 november 1994 met aan een val met haar fiets toegeschreven nekklachten uitviel. In aansluiting op het einde van de wachttijd is aan gedaagde per 6 november 1995 onder meer een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Het beroep van gedaagde tegen dat besluit is door de rechtbank Alkmaar bij uitspraak van 7 mei 1997 ongegrond verklaard, nadat gedaagde op 23 oktober 1996 was onderzocht door de neuroloog C.L. Kraaijeveld als deskundige van de rechtbank die was gekomen tot de conclusie dat gedaagde, gelet op haar door de verzekeringsgeneeskundige Van der Gaag vastgestelde medische beperkingen, per 6 november 1995 in staat was om de aan haar voorgehouden functies gedurende acht uren per dag te vervullen

In het kader van de eerstejaarsherbeoordeling is gedaagde op 28 november 1996 gezien door verzekeringsarts de R.M. de Vink die de beperkingen van gedaagde enigszins heeft aangescherpt, zoals weergegeven in het belastbaarheidspatroon van die datum. Op basis van die gegevens heeft de arbeidsdeskundige A. Smit gedaagde in staat geacht nog een voldoende aantal functies te vervullen en is bij besluit van 17 februari 1998 de mate van arbeidsongeschiktheid gehandhaafd op 25-35%. Tegen dat besluit heeft gedaagde bezwaar gemaakt. Omdat zij in haar bezwaarschrift tevens melding maakte van toegenomen arbeidsongeschiktheid, is zij op 15 juli 1998 opnieuw gezien door verzekeringsarts de De Vink die ook in de bevindingen van de neuroloog dr. J.W. Stenvers in diens rapport van 14 april 1998 geen aanleiding heeft gezien tot het aannemen van meer of verdergaande medische beperkingen. Vervolgens heeft appellant het in rubriek I vermelde, bij het bestreden besluit van 14 december 1998 gehandhaafde besluit van 11 augustus 1998 genomen.

In het kader van het beroep van gedaagde tegen het besluit van appellant van 14 december 1998 is gedaagde op 3 november 2000 onderzocht door de revalidatiearts W.C.G. Blanken als deskundige van de rechtbank die in zijn rapport van 10 januari 2001 is gekomen tot en op 14 maart 2001 in reactie op het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts A. de Vries van 16 februari 2001 is gebleven bij de conclusie dat er wat de handfunctie van gedaagde en het blootstellen aan trillingen betreft meer beperkingen zijn dan vanwege appellant vastgesteld en dat slechts n van de aan gedaagde voorgehouden functies voor haar geschikt is. Op 6 april 2001 heeft de bezwaarverzekeringsarts De Vries nader aangegeven dat een aanvullende beperking kan worden aangenomen wat het gedurende langere tijd verrichten van frequent repeterende handbewegingen betreft. Op basis van die nadere bevindingen is de bezwaararbeidsdeskundige H. Janssen op 19 april 2001 gekomen tot drie voor gedaagde geschikte functies met een verlies aan verdiencapaciteit van 42% in januari 1997 en van 32% in juli 1998, wat appellant tot zijn hiervoor in rubriek I weergegeven besluit van 3 juli 2001 heeft gebracht.
De rechtbank heeft op grond van het deskundigenrapport van de revalidatiearts Blanken, bezien in samenhang met het rapport van de neuroloog Stenvers van 14 april 1998 en de medische voorgeschiedenis van gedaagde, de conclusie van Blanken tot de hare gemaakt en bij haar uitspraak van 28 december 2001 geoordeeld als hiervoor in rubriek I weergegeven.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat er wl voldoende aanleiding bestond om per 28 september 1998 (in aansluiting op de uitlooptermijn van twee maanden sedert de brief van 28 juli 1998 waarbij de arbeidsdeskundige A.J.M. Huygen aan gedaagde heeft kenbaar gemaakt dat de indeling in de klasse 25-35% onveranderd blijft) over te gaan tot indeling in de klasse 25-35%. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat, gelijk ook door Blanken is erkend bij diens brief van 14 maart 2001, er geen sprake is van objectieve afwijkingen en dus de beperkingen moeten worden gebaseerd op het subjectieve klachtenverhaal van gedaagde, dat evenwel niet consistent is, wat door Blanken evenzeer is erkend waar hij opmerkt dat de klachten wisselen in ernst, omvang en plaats van optreden. Van samenhang van het rapport van Blanken met het rapport van Stenvers en de verdere medische voorgeschiedenis is naar de mening van appellant geen sprake, zoals is aangegeven in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts De Vries van 16 februari 2001. Subjectieve klachten die ook nog eens wisselend aanwezig zijn, vormen naar de mening van appellant een te wankele basis voor het ten aanzien van hand- en vingergebruik aannemen van beperkingen die verder gaan dan zijnentwege aangenomen. De rechtbank heeft daarom de conclusie van Blanken ten onrechte overgenomen. De beperkingen van gedaagde zijn juist vastgesteld en de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25-35% per 28 september 1998 is dan ook correct geweest, aldus tenslotte appellant.

De Raad overweegt het volgende.

Appellant kan zich niet vinden in handhaving per 28 september 1998 van de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35-45%. Naar zijn mening bestond er per die datum (met inachtneming van de op 28 juli 1998 ingetreden uitlooptermijn van twee maanden) aanleiding om over te gaan tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25-35%, waarin gedaagde eerder per 6 november 1995 en sedertdien onveranderd was ingedeeld, althans tot 17 februari 1997 op grond van het besluit van 3 juli 2001.
De bezwaarverzekeringsarts De Vries is op 6 april 2001 op basis van een deel van het subjectieve klachtenverhaal van gedaagde ertoe overgegaan een aanvullende beperking aan te nemen met betrekking tot het gedurende langere tijd verrichten van frequent repeterende handbewegingen.
Met appellant en op de hiervoor vermelde, door appellant in hoger beroep aangevoerde gronden vermag de Raad niet in te zien dat de bevindingen van de rechtbankdeskundige Blanken voldoende objectieve aanknopingspunten bieden voor het aannemen van meer of andere medische beperkingen dan door gedaagde op gezag van de bezwaarverzekeringsarts De Vries is geschied. Het hoger beroep treft dan ook doel.

De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de beantwoording van de - door de rechtbank onbesproken gelaten - vraag of het besluit van 3 juli 2001 op een juiste arbeidskundige grondslag berust. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

De bezwaararbeidsdeskundige Janssen is op basis van drie van de door de arbeidsdeskundige Huygen in juli 1998 aan gedaagde voorgehouden functies gekomen tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 32% (32,1%). Het gaat hierbij om de functies van meteropnemer (fb-code 3399), medewerker ondersteunende diensten (fb-code 3953) en monteur (fb-code 8538).
Niet is gebleken dat die functies de grenzen van de door de bezwaarverzekeringsarts De Vries op 6 april 2001 vastgestelde medische beperkingen te buiten gaan.
Echter, in arbeidskundig opzicht is gedaagde met indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25-35% per 28 september 1998 wl te kort gedaan. Immers, bij het vaststellen van de resterende verdiencapaciteit van gedaagde is - zoals ter zitting van de Raad op 19 maart 2004 aan de orde is geweest - Janssen uitgegaan van de bij de voltijdse varianten van die drie in juli 1998 aan gedaagde voorgehouden functies behorende uurloonwaarde in plaats van de bij de deeltijdse varianten behorende uurloonwaarde. Vergelijking van de uurloonwaarde van de deeltijdse functies met het maatmaninkomen leidt tot ongewijzigde indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35-45%. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen om die reden dan ook niet in stand blijven.

Gelet op het vorenstaande zal de Raad de aangevallen uitspraak - voorzover door appellant aangevochten - vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat gedaagde per 28 september 1998 aanspraak heeft op indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35-45% en voorts dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 3 juli 2001.

Tot slot overweegt de Raad dat geen aanleiding bestaat tot toepassing van artikel 8:75 van de Awb, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep van gedaagde tegen het besluit van 3 juli 2001 in zoverre alsnog gegrond en vernietigt ook in zoverre dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde per 28 september 1998 aanspraak heeft op indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35-45% en bepaalt voorts dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 3 juli 2001.

Aldus gegeven door mr. J. Jansen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x