Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AQ0438
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Medisch heronderzoek; overschatting van de belastbaarheid; onjuiste medische grondslag.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/141 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 10 december 1999 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) (bestreden besluit).

De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 21 november 2000 (AWB 99/10636 WAO) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. C.A.L. Keijzers, verbonden aan het Bureau Rechtshulp Helmond, op in het aanvullend beroepschrift - met bijlagen - vermelde gronden hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Bij brief van 18 november 2002 heeft mr. R.C. van der Weele, advocaat te Helmond, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Gedaagde heeft bij brief van 24 januari 2003 stukken ingezonden.

Het geding is behandeld op de zitting van 11 februari 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Weele als zijn raadsvrouw, en waar gedaagde, zoals aangekondigd, niet is verschenen.

De Raad heeft na de zitting het onderzoek heropend. Aan gedaagde is een afschrift toegezonden van een psychiatrisch rapport d.d. 21 juli 2003 van de deskundige psychiater M.J. van Weers te Venray. Bij brief van 29 augustus 2003 heeft gedaagde een reactie op dat rapport ingezonden van de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie.

Desgevraagd heeft de deskundige Van Weers op 15 februari 2004 nader gerapporteerd. Gedaagde heeft bij brief van 1 april 2004 wederom een reactie op dat rapport ingezonden. Tevens zijn enkele andere stukken ingezonden.

Het geding is vervolgens behandeld ter zitting van 28 april 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Van der Weele en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.A.L. Hermans-de Jong, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant, geboren in 1955, is laatstelijk werkzaam geweest als stanser/werkvoorbereider. Hij is voor deze werkzaamheden op 10 maart 1995 uitgevallen wegens rugklachten, migraine en psychische klachten. Aan hem is een WAO-uitkering toegekend, welke per 13 februari 1997 is bepaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
Bij een medisch heronderzoek door de verzekeringsarts op 19 oktober 1998 is de belastbaarheid van appellant beoordeeld. Bij dat onderzoek is vastgesteld dat de psychische belastbaarheid van appellant beperkt is. Verder zijn beperkingen aangenomen ten aanzien van de belastbaarheid van de rug. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een belastbaarheidspatroon. Bij arbeidskundig onderzoek zijn functies voor appellant geselecteerd. Geconcludeerd is dat de mate van arbeidsongeschiktheid 15-25% is. Hiervan is bij besluit van 14 januari 1999 aan appellant mededeling gedaan.

Naar aanleiding van het bezwaar tegen dit besluit heeft de bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden een nader medisch onderzoek ingesteld naar de belastbaarheid van appellant. Deze arts heeft, blijkens haar rapport van 17 augustus 1999, mede op grond van inlichtingen van behandelende psychiaters, als haar oordeel gegeven dat de psychische belastbaarheid van appellant is overschat. Zij heeft vastgelegd dat appellant op het psychische vlak beperkt is ten aanzien van werken onder tijdsdruk, dwingend werktempo, conflicterende functie-eisen, conflicthantering, verantwoordelijkheid en niet geschikt is voor wisselende diensten en nachtdiensten.
De bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Hulshof heeft daarna als functies geselecteerd: printmonteur, medewerker stamperij en stikster. Hij heeft het verlies aan verdiencapaciteit nader berekend op 25-35%.
Bij het bestreden besluit is dienovereenkomstig aan appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering per 1 maart 2000 wordt verlaagd naar de klasse 25-35%.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Raad heeft naar aanleiding van de zitting op 11 februari 2003 aan de psychiater M.J. van Weers gevraagd als deskundige van verslag en advies te dienen. De deskundige heeft bij brief van 15 februari 2004 gerapporteerd omtrent de psychische belastbaarheid van appellant op 1 maart 2000. De deskundige heeft daarbij mede verwezen naar zijn rapport van 21 juli 2003 dat hij in het kader van een procedure bij de rechtbank omtrent de uitkeringsrechten van appellant heeft uitgebracht.
Uit de verschillende psychiatrische rapporten - in samenhang gelezen - blijkt dat de psychiater appellant op 28 februari 2003 heeft onderzocht, daarbij de anamnese (medisch, sociaal, biografie, dagbesteding) heeft afgenomen, inlichtingen heeft verkregen van de behandelende psychiater J.P.M. Gerards en een psychiatrisch onderzoek heeft ingesteld.
De deskundige stelt op grond van zijn onderzoek als diagnose dat bij appellant sprake is van een ernstige, recidiverende depressieve stoornis, een gegeneraliseerde angststoornis, alcoholafhankelijkheid en drugsmisbruik in remissie. Daarnaast stelt hij vast dat sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. De deskundige kan zich, gezien zijn brief van 15 februari 2004, verenigen met de psychische aspecten waarop ingevolge het rapport van bezwaarverzekeringsarts Van Kasteren-van Delden appellant beperkt is geacht.
De deskundige is evenwel van oordeel dat appellant met zijn beperkte psychische belastbaarheid niet in staat is de geselecteerde functies gedurende hele dagen te verrichten. In duur beperkte werkhervatting acht hij wel mogelijk en wenselijk in het kader van arbeidsintegratie. Naar aanleiding van het commentaar op zijn rapport van de bezwaarverzekeringsarts Debie geeft hij te kennen dat een substantiële daginvulling door werk past binnen de psychische mogelijkheden van appellant.

De Raad is van oordeel dat er geen redenen zijn het advies van de deskundige met betrekking tot de belastbaarheid van appellant op de datum in geding niet te volgen. De deskundige heeft een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de psychische problematiek van appellant. Hij heeft in dat onderzoek het arbeidsverleden van appellant betrokken en aangegeven waarom hij appellant ten tijde in geding beperkt acht in de duur van de arbeidsinspanning. De deskundige heeft op het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts een reactie ingezonden.
De Raad concludeert op grond van de rapportage van de deskundige dat gedaagde de belastbaarheid van appellant ten tijde in geding heeft overschat door gedaagde voor hele werkdagen belastbaar te achten. Blijkens het deskundigenadvies kan appellant in staat worden geacht tot een substantiële, doch in duur beperkte werkhervatting.
Het bestreden besluit berust gezien deze conclusie op een onjuiste medische grondslag en dient daarom te worden vernietigd. Dit betekent tevens dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
Gedaagde zal met inachtneming van de uitspraak van de Raad een nieuw besluit op het bezwaar van appellant dienen te nemen. Bij dat nadere besluit zal gedaagde, gezien het verzoek van appellant om schadevergoeding, tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden in verband met het beroep bij de rechtbank begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand en in verband met het hoger beroep op € 805,- aan kosten van rechtsbijstand en € 18,70 aan reiskosten, in totaal € 1467,70.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in verband met het beroep bij de rechtbank tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 823,70, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, laatstgenoemd bedrag aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht ad € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x