Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AQ2047
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Vaststelling van de ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/1797 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Utrecht onder dagtekening 5 februari 2002 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. SBR 00/2209), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 22 april 2004 een aanvullend beroepschrift (met bijlagen) ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 mei 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant is na zijn studie natuurkunde op 23 augustus 1974 in dienst getreden van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) en sedertdien als “Petroleum Engineer/International Staff” werkzaam geweest bij verschillende binnen- en buitenlandse bedrijven van de Shell Groep. Op 3 augustus 1977 is appellant in verband met de uitoefening van zijn functie van “Well Site Petroleum Engineer” op de openbare weg per auto onderweg naar de boorlocatie Harkstede van de NAM betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Als gevolg van hierdoor ontstane enkelklachten heeft appellant zijn werk gedurende acht maanden (twee maanden thuis en zes maanden vervangend kantoorwerk) niet verricht. Op 11 april 1978 heeft appellant zijn werkzaamheden op een andere boorlocatie hervat. Van 20 november 1978 tot 23 juni 1983 is appellant werkzaam geweest in Maleisië en van 19 december 1983 tot 29 september 1988 in Gabon. Vanaf laatstgenoemde datum is appellant tot 29 oktober 1995 als “Staff Reservoir Engineer” in dienst van Shell International Explorations & Productions B.V. in ’s-Gravenhage werkzaam geweest. Uit dien hoofde was appellant verzekerd voor de Nederlandse arbeidsongeschiktheidswetten. Op 29 oktober 1995 is appellant in dienst getreden bij Shell Oil Company in de Verenigde Staten van Amerika. Daar heeft appellant zich op 4 december 1997 ziek gemeld in verband met pijnklachten als gevolg van het hem indertijd overkomen enkelletsel. In 1998 is appellant naar Nederland teruggekeerd en sinds 13 juni 1998 is hij in dienst bij Shell Nederland B.V.
Appellant heeft op 26 oktober 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd. Bij brief van 10 september 1999 heeft appellant gedaagde verzocht onderzoek te verrichten naar de aan deze wet te ontlenen aanspraken op basis van het hem op 3 augustus 1977 overkomen ongeval. Bij rapport van 21 oktober 1999 is de verzekeringsarts P. Schoorl tot de conclusie gekomen dat bij appellant sprake was van een ernstige - posttraumatische - artrose van de linker enkel met chronisch pijnsyndroom en een burn-out. Sedert eind 1977 had appellant volgens de verzekeringsarts medische beperkingen. Na overleg met de arbeidsdeskundige is de verzekeringsarts Schoorl tevens tot de conclusie gekomen dat die beperkingen tot 1 oktober 1995 niet tot enig verlies aan verdiencapaciteit hebben geleid. Vanaf die datum was appellant slechts beperkt belastbaar en met ingang van 4 december 1997 is appellant op medische gronden volledig arbeidsongeschikt geacht.
De arbeidsdeskundige D. Schouten is bij rapport van 18 november 1999 tot de conclusie gekomen dat appellant met inachtneming van de door de verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen per 1 oktober 1995 weliswaar ongeschikt was voor zijn eigen werk, maar niet ongeschikt was tot het vervullen van een aantal andere functies. Daarmee zou appellant evenwel een zodanig laag inkomen kunnen verwerven dat zijn verlies aan verdiencapaciteit 82% bedroeg.

Bij besluit van 25 mei 2000 heeft gedaagde, rekening houdend met de datum van aanvraag, aan appellant met terugwerkende kracht van een jaar met ingang van 28 oktober 1997 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend en een loondervingsuitkering ingevolge de WAO, beide berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Onder intrekking van dit besluit heeft gedaagde bij besluit van 29 mei 2000 opnieuw deze uitkeringen per 28 oktober 1997 toegekend, met dien verstande dat deze tot 4 december 1997 in verband met inkomsten uit arbeid van appellant zijn gekort. Bij een tweede besluit van 25 mei 2000 heeft gedaagde de loondervingsuitkering per 28 oktober 1999 omgezet in een vervolguitkering. Door wetswijziging is de uitkering ingevolge de AAW per 1 januari 1998 vervallen.

Bij besluit van 25 april 2001, het thans bestreden besluit, heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 25 mei en 29 mei 2000 ongegrond verklaard. De bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer heeft, naar aan haar rapport van 15 december 2000 valt te ontlenen, in het kader van de bezwaren van appellant in het bijzonder aandacht besteed aan de vraag of er reden was de aanvang van de arbeidsongeschiktheid eerder te stellen dan de door de verzekeringsarts Schoorl arbitrair gekozen datum van 1 oktober 1995. Deze datum was door hem aanvaard in verband met de mededeling van appellant dat hij bij het verrichten van zijn werk in de Verenigde Staten van Amerika vanaf het begin ernstige belemmeringen ondervond. Op grond van de aanwezige gegevens van medische aard, waaronder een rapport van 25 februari 1993 van de orthopedisch chirurg prof. dr. S. Sybrandij, heeft de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer het niet te verdedigen geacht om de eerste arbeidsongeschiktheidsdag te verplaatsen naar voor 1993. Wel heeft zij aannemelijk geacht dat appellant na 1993 en voor de feitelijke ziekmelding op 4 december 1997 arbeidsongeschikt is geworden voor zijn eigen werk, waarbij een exacte datum niet aan te geven is, gezien het feit dat een ziekmeldingsdatum eerder ontbreekt en er sprake was van een geleidelijke verslechtering van de klachten. De datum van 1 oktober 1995, vlak voor dat appellant naar de Verenigde Staten van Amerika werd overgeplaatst waar hij merkte dat het met zijn werk niet meer ging, heeft de bezwaarverzekeringsarts om die reden het meest voor de hand liggend geacht.

In beroep heeft appellant aangevoerd dat bij het bestreden besluit was uitgegaan van een onjuiste eerste arbeidsongeschiktheidsdag, nu deze moet worden gesteld op 3 augustus 1977, dat dientengevolge ook een onjuist arbeidsongeschiktheidscriterium was toegepast en dat gedaagde een onjuiste maatman en onjuist maatmaninkomen had gehanteerd. Ten slotte heeft appellant in beroep de aan zijn ziekmelding van 4 december 1997 te verbinden gevolgen voor het recht op doorbetaling van zijn salaris aan de orde gesteld.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat zij geen aanleiding heeft het standpunt van gedaagde dat appellant niet vanaf 3 augustus 1997 (lees: 3 augustus 1977) onafgebroken arbeidsongeschikt is voor onjuist te houden. In dit verband heeft de rechtbank het van belang geacht dat appellant gedurende 17 jaar geen verlies van verdiencapaciteit heeft ondervonden. Voorts heeft de rechtbank de aanvangsdatum van 1 oktober 1995 van de arbeidsongeschiktheid op basis van het rapport van de verzekeringsarts van 21 oktober 1999 voldoende onderbouwd geacht. Daarop heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellant met tal van argumenten en onder overlegging van vele stukken het bestreden besluit en het oordeel van de rechtbank bestreden.
Appellant richt zijn pijlen - samengevat - op de wijze waarop de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen tot hun opvatting zijn gekomen dat voor 1 oktober 1995 geen sprake was van arbeidsongeschiktheid, de zijns inziens onjuiste vaststelling van de maatman door gedaagde, de omstandigheid dat de verzekeringsarts Lustenhouwer geen geregistreerd bezwaarverzekeringsarts was en de rechtspositionele gevolgen van het vaststellen van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 1 oktober 1995 voor zijn dienstverband. Voorts heeft appellant opnieuw aangevoerd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 3 augustus 1977 is en dat hij sindsdien onafgebroken arbeidsongeschikt is. Ook heeft appellant aangevoerd dat in zijn geval sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid, tweede volzin van de WAO, op grond waarvan de bevoegdheid bestaat om met terugwerkende kracht over een periode langer dan een jaar uitkering te verlenen. Ten slotte heeft appellant nog gewezen op de tussen hem en zijn werkgever ontstane moeilijkheden en de daaruit voortvloeiende civiele procedures.

Gedaagde heeft bij verweerschrift zich op het standpunt gesteld dat, nu appellant in de periode van 1977 tot 1995 geen verlies aan verdiencapaciteit heeft geleden, de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht is vastgesteld op 1 oktober 1995. Daarbij is erop gewezen dat appellant tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase heeft verklaard nooit om medische gronden te zijn overgeplaatst. Bovendien blijkt dit volgens gedaagde uit het rapport van 25 februari 1993 van de orthopedisch chirurg Sijbrandij. Ook als de klachten van appellant door zijn werkgever zouden zijn genegeerd neemt dat volgens gedaagde niet weg dat appellant in staat is gebleken zijn werk gedurende lange tijd te verrichten.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 11 van het indertijd door gedaagde gehanteerde Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 1998 schrijft onder meer voor dat de beoordeling van de medische aspecten van het bezwaar tegen een besluit plaatsvindt door een bezwaarverzekeringsarts die hiertoe is geregistreerd. Ingevolge artikel 1 van het Besluit registratie verzekeringsartsen en arbeidskundigen (Stcrt. 1997, 86) houdt gedaagde een registratie bij van de in zijn dienst zijnde verzekeringsartsen die belast zijn met de medische beoordeling in het kader van de bezwaarschriftprocedure. In artikel 2 is bepaald dat de registratie wordt vormgegeven met een lijst die op de kantoren van de uitvoeringsorganisatie van gedaagde ter inzage ligt.

Ter zitting van de Raad heeft gedaagde bevestigd dat de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer ten tijde van haar onderzoek op 15 december 2000 niet als zodanig op de hiervoor bedoelde wijze was geregistreerd. Wel is door gedaagde aangegeven dat deze arts de functie van bezwaarverzekeringsarts al geruime tijd vervulde, dat alleen ervaren verzekeringsartsen voor de functie van bezwaarverzekeringsarts in aanmerking komen en dat de registratie slechts om louter administratieve redenen nog niet had plaatsgevonden.

De Raad heeft geen reden hieraan te twijfelen. Anders dan appellant heeft aangevoerd vormt de enkele omstandigheid dat registratie als bezwaarverzekeringsarts van de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer achterwege is gebleven ( hetgeen valt aan te merken als een schending van een vormvoorschrift) onvoldoende grond voor de veronderstelling dat de kwaliteit van haar medisch onderzoek en de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid te kort is geschoten. Niet gebleken is dat appellant door schending van dit vormvoorschrift is benadeeld, zodat de Raad met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestreden besluit in stand laat.

Ten aanzien van de stelling van appellant dat zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag 3 augustus 1977 is, overweegt de Raad allereerst dat in een geval als het onderhavige, waarin twijfel mogelijk is over de vaststelling van het exacte moment waarop zich een relevante wijziging in de gezondheidstoestand van een verzekerde heeft voorgedaan, er goede gronden moeten zijn om die twijfel ten gunste van de verzekerde te laten strekken, indien deze eerst lange tijd na de datum waarop door deze arbeidsongeschiktheid is aangegeven, een aanvraag om uitkering heeft ingediend. Dit klemt temeer indien een verzekerde gedurende een lange reeks van jaren, in casu 17 jaar, zijn werkzaamheden heeft verricht zonder dat daarbij sprake was van functieveranderingen om medische redenen of enig aan zijn medische beperkingen toe te rekenen verlies aan verdiencapaciteit.

Al eerder heeft de Raad overwogen dat in artikel 18 van de WAO en artikel 5 van de AAW - voor zover in dit verband van belang - is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

Uit de beschikbare gegevens van medische en andere aard valt af te leiden dat appellant na het hem overkomen ongeval op 3 augustus 1977 gedurende acht maanden hetzij niet hetzij in aangepast werk werkzaam is geweest en dat hij nadien zijn oude werkzaamheden op een andere locatie heeft hervat. Weliswaar valt aan de gedingstukken te ontlenen dat appellant last heeft gehouden van enkelklachten, maar geenszins is de Raad kunnen blijken dat deze op enigerlei wijze in de weg hebben gestaan aan een adequate functievervulling. In ieder geval is de Raad niet kunnen blijken dat appellant de geldende wachttijd van 52 weken arbeidsongeschiktheid heeft doorlopen en dat hij nadien onafgebroken arbeidsongeschikt is gebleven. Ook de omstandigheden dat appellant nimmer om medische redenen van functie is veranderd en dat hij geen aan zijn medische beperkingen toe te schrijven verlies aan verdiencapaciteit heeft geleden, wijzen niet op het intreden van arbeidsongeschiktheid voor 1 oktober 1995.

Aan appellant kan worden toegegeven dat hij ook per 1 oktober 1995 geen relevant loonverlies heeft geleden. Daar staat tegenover dat appellant zelf heeft gesteld dat hij door zijn enkelklachten zijn werk na zijn overplaatsing naar de Verenigde Staten van Amerika niet meer aankon, hetgeen de betrokken verzekeringsartsen kennelijk op basis van de beschikbare medische gegevens en eigen onderzoek plausibel hebben geacht. De omstandigheid dat appellants werkgever ook na 1 oktober 1995 het salaris heeft doorbetaald staat er niet aan in de weg op medische en arbeidskundige gronden arbeidsongeschiktheid voor de eigen arbeid te aanvaarden.

Aldus komt de Raad tot het oordeel dat gedaagde op goede gronden de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet gesteld heeft op 3 augustus 1977, of althans op een datum gelegen voor 1 oktober 1995. De grieven van appellant met betrekking tot het in acht te nemen arbeidsongeschiktheidscriterium behoeven gelet hierop geen bespreking meer.

Met betrekking tot de maatmankeuze stelt de Raad voorop dat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in beginsel als maatman dient te worden aangemerkt degene die dezelfde functie vervult als de verzekerde laatstelijk vervulde voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Appellant heeft aangevoerd dat gedaagde een onvoldoende beeld had van de zwaarte van de door hem beklede functie. Wat daarvan ook zij, de Raad ziet deze grief geen doel treffen, omdat gedaagde appellant voor de laatstelijk voor 1 oktober 1995 door hem vervulde functie volledig arbeidsongeschikt acht en de mate van arbeidsongeschiktheid bij einde wachttijd en nadien op 80 tot 100% heeft gesteld. Voorzover appellant bezwaren heeft tegen de vastgestelde maatman en het daarbij behorend maatmaninkomen staat het hem krachtens vaste jurisprudentie van deze Raad vrij deze bestanddelen van de arbeidsongeschiktheidsschatting in het kader van nieuwe besluitvorming van gedaagde met betrekking tot zijn aanspraken op een WAO-uitkering zo nodig aan de orde te stellen.

De overige grieven van appellant die betrekking hebben op de verhouding tussen hem en zijn werkgever kunnen in dit geding, waar het gaat om de aanspraken van appellant jegens gedaagde, niet aan de orde komen en worden derhalve door de Raad buiten zijn oordeelsvorming gelaten.

Uit al het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x